Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2334

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/15/338335 / FA RK 23-1498
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 3:185 BWArt. 3:166 BWArt. 1:84 BWWet verevening pensioenrechten bij scheiding
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en verdeling voormalige echtelijke woning

Partijen zijn gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de man vastgesteld. De zorgregeling bepaalt dat de vrouw met één kind wekelijks op maandag na schooltijd iets leuks buiten de woning doet; met het andere kind is geen contact vastgesteld vanwege diens weerstand. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert verbetering van de communicatie en hulpverlening.

De man krijgt het recht om de voormalige echtelijke woning zes maanden na de beschikking te blijven gebruiken, met de mogelijkheid tot overname. De waarde van de woning wordt nader getaxeerd. De vrouw moet vanaf 6 maart 2026 een kinderbijdrage van € 25 per kind per maand betalen, ongeacht de draagkracht van de man en zorgkorting, omdat zij verdiencapaciteit heeft.

De verdeling van de gemeenschap van goederen wordt geregeld, waarbij de woning en hypothecaire lening centraal staan. De man moet de vrouw een bedrag van € 5.185,58 voldoen ter verrekening van een bankrekening. Pensioenen worden verevend conform de wet. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats bij man, zorgregeling vastgesteld, woning toegewezen aan man en kinderbijdrage van vrouw vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/338335 / FA RK 23-1498 en
C/15/342148 / FA RK 23-3429
Beschikking d.d. 6 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.K. de Blieck-Willemsen, gevestigd te Vaassen,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.M. Stam, gevestigd te Zaandam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen van de man, ingekomen op 23 maart 2023;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 15 mei 2023;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 19 juni 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 23 augustus 2023;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 5 december 2023, ingekomen op 6 december 2023;
- het bericht van de man, ingekomen op 11 december 2023;
- het bericht, met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 14 december 2023;
- het gewijzigd verweerschrift tevens gewijzigd zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 23 januari 2026;
- het verweerschrift op het gewijzigd zelfstandig verzoek tevens gewijzigd verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 27 januari 2026;
- de berichten, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 29 januari 2026;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 29 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Voorts was [vertegenwoordiger van de raad] aanwezig namens de Raad.
1.3.
Na de mondeling behandeling van de zaak heeft, zoals ter zitting besproken, de vrouw bij bericht van 13 februari 2026 nog informatie over het saldo op haar bankrekening overgelegd.
1.4.
Na te noemen minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Op 29 januari 2026 hebben zij afzonderlijk van elkaar hun mening in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , (roepnaam: [de minderjarige 1] ) en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2023 is bij wege van voorlopige voorzieningen:
- bepaald dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld waarbij de minderjarigen iedere dinsdag uit school tot ongeveer 17:00 uur met de vrouw in de echtelijke woning verblijven;
- bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan de [adres] met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, met dien verstande dat de vrouw in de woning mag verblijven op de momenten dat zij conform de zorgregeling de zorg voor de minderjarigen draagt;
- het verzoek van de man om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) afgewezen;
- bepaald dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) van € 137,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen;
- de Raad verzocht ten aanzien van de zorgregeling een onderzoek te verrichten naar de vraag welke belemmeringen in de weg staan aan betekenisvol contact tussen de vrouw en de minderjarigen en welke hulp nodig is om deze belemmeringen weg te nemen en de rechtbank hierover in onderhavige echtscheidingsprocedure te adviseren.
2.4.
Op de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure op 21 maart 2023 zijn partijen in het kader van het uniform hulpaanbod verwezen naar het lokale team van de gemeente [gemeente] voor hulp. Hiervan is een proces-verbaal doorverwijzing opgemaakt.
2.5.
Scheiding
2.5.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.5.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.5.3.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van de minderjarigen is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen.
2.5.4.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.6.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
2.6.1.
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn. Voorts verzoekt de man te bepalen dat de minderjarigen elke maandag van 15:00 uur tot 17:00 uur omgang hebben met de vrouw in de echtelijke woning.
2.6.2.
De man licht toe dat de omgang tussen de vrouw en de minderjarigen in principe elke maandag van 15:00 uur tot 17:00 uur plaatsvindt in de echtelijke woning. De man probeert het contact tussen de vrouw en de minderjarigen te stimuleren, maar de vrouw zegt de omgang regelmatig kort van tevoren af en ze belast de minderjarigen met haar problemen. Dit brengt spanningen met zich mee voor de minderjarigen. De man constateert dat mentale betrokkenheid en aandacht voor de minderjarigen bij de vrouw ontbreekt. De man vindt het belangrijk dat de vrouw er voor de minderjarigen gaat zijn, binnen haar mogelijkheden en op afstand, en betrokken blijft bij hun welzijn en ontwikkeling.
2.6.3.
De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen. Over de omgang merkt de vrouw op dat zij het lastig vindt om verbinding met de minderjarigen te maken. Op dit moment vindt de omgang met de minderjarigen plaats in de echtelijke woning, waar camera’s hangen, en hier voelt de vrouw zich niet fijn bij. De vrouw zou graag een plek voor zichzelf hebben waar zij de minderjarigen kan ontvangen. Dat zou het contact makkelijker maken. De vrouw wil de minderjarigen niet dwingen tot meer omgang. De vrouw heeft de hulpverlening bij Levvel na een aantal gesprekken beëindigd, omdat de minderjarigen aangaven hier liever niet meer heen te willen.
2.6.4.
[de minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij de afgelopen twee maanden geen contact heeft gehad met zijn moeder en dat hij haar heeft geblokkeerd op zijn telefoon. Volgens [de minderjarige 1] kan zijn moeder hem niet bieden wat hij nodig heeft en hij voelt zich door haar in de steek gelaten. Het gaat nu goed met [de minderjarige 1] en hij heeft geen behoefte meer aan contact met zijn moeder. [de minderjarige 1] heeft zijn moeder veel kansen gegeven en hij heeft niet het vertrouwen dat ze zal veranderen.
2.6.5.
[de minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij soms contact heeft met zijn moeder. Hij fietst op maandag na school altijd even langs huis om te kijken of zijn moeder er is. Soms is zijn moeder er wel en soms niet. [de minderjarige 2] begrijpt niet waarom zijn moeder soms niet komt, maar hij is ook hier niet teleurgesteld over. Wel zou hij het graag van te voren willen weten zodat hij dan andere afspraken kan maken. [de minderjarige 2] vindt het contact met zijn moeder niet zo goed en hij denkt niet dat dit zal verbeteren. [de minderjarige 2] heeft het gevoel dat zijn moeder hem en [de minderjarige 1] niet het belangrijkste vindt in haar leven.
2.6.6.
De Raad heeft ter zitting aangegeven de huidige zorgregeling niet in het belang van de minderjarigen te achten. De regeling sluit niet aan bij de behoefte van de minderjarigen en wordt door de vrouw niet nagekomen. Het is volgens de Raad op dit moment lastig voor de vrouw en de minderjarigen om een positief contact met elkaar te hebben. Dat de omgang plaatsvindt in de echtelijke woning is hierbij niet helpend. Er moet volgens de Raad worden gezocht naar andere mogelijkheden zodat de minderjarigen kunnen profiteren van het contact met hun moeder. Het is hierbij belangrijk dat de man een stimulerende rol speelt bij het contact, dat de vrouw geen derden betrekt bij de omgangsmomenten en dat de omgang anders wordt ingevuld. De Raad vindt de beëindiging van de ingezette hulpverlening een gemiste kans. Het is volgens de Raad hard nodig dat de communicatie tussen partijen verbetert en dat zij gaan komen tot afspraken die werken en niet belastend zijn voor de minderjarigen.
2.6.7.
De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
2.6.8.
Ten aanzien van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt.
2.6.9.
De rechtbank stelt vast dat er op dit moment geen contact is tussen de vrouw en [de minderjarige 1] . Gelet op de leeftijd van [de minderjarige 1] en zijn weerstand tegen omgang acht de rechtbank het niet in zijn belang om een zorgregeling met de vrouw vast te stellen. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat de mogelijkheden voor contactherstel in het kader van na te melden hulpverlening onderzocht gaat worden. In beginsel is contact met beide ouders immers van belang voor een goede ontwikkeling van [de minderjarige 1] .
2.6.10.
De rechtbank constateert dat er bij [de minderjarige 2] wel enige ruimte is voor contact met zijn moeder. De huidige omgangsregeling in de echtelijke woning verloopt echter niet naar behoren en is belastend voor [de minderjarige 2] . De moeder voelt zich er niet op haar gemak en voelt zich bekeken. Het contact vindt verder niet op een natuurlijke en ongedwongen manier plaats omdat het neerkomt op tegenover elkaar aan tafel zitten en plichtmatig een gesprekje voeren. Gelet op het belang van een positief contact en het advies van de Raad zal de rechtbank een zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige 2] vastleggen waarbij zij iedere maandag uit school tot ongeveer 17:00 uur iets leuks met elkaar gaan doen buiten de echtelijke woning. Om dit te laten slagen is het belangrijk dat de man hiervoor zijn emotionele toestemming aan [de minderjarige 2] verleent en dat de vrouw deze omgang structureel nakomt en hierbij geen derden betrekt. De rechtbank acht deze zorgregeling op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige 2] en partijen hebben tijdens de zitting aangegeven zich hierin te kunnen vinden.
2.6.11.
Met partijen en de Raad is ter zitting gesproken over het inzetten van hulpverlening voor partijen om te werken aan de onderlinge communicatie en het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap. Het is belangrijk dat partijen met elkaar gaan samenwerken en de minderjarigen niet belasten met hun onderlinge problematiek. Partijen hebben aangegeven dat zij hiervoor open staan en dat zij contact zullen opnemen met het wijkteam van de gemeente Zaanstand om de benodigde hulpverlening in te schakelen. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen zich aan deze toezegging zullen houden.
2.7.
Woning
2.7.1.
De man verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] voor de duur van zes maanden na de beschikkingsdatum.
2.7.2.
De man licht toe dat hij op dit moment met de minderjarigen in de echtelijke woning woont en dat hij de woning graag wil overnemen. Na een langdurige turbulente periode is inmiddels sprake van stabiliteit binnen het gezin en hebben de minderjarigen rust gevonden. Om dit te behouden is het volgens de man belangrijk dat hij met de minderjarigen in de woning kan blijven wonen.
2.7.3.
De vrouw verzoekt dit verzoek af te wijzen.
2.7.4.
De vrouw licht toe dat inmiddels bijna drie jaar zijn verstreken sinds het feitelijk uiteengaan van partijen. Gedurende deze periode heeft de man het exclusieve gebruik van de echtelijke woning gehad. De vrouw stelt een zwaarwegend belang te hebben bij beëindiging van het gebruik van de woning door de man. De vrouw beschikt nog altijd niet over passende en duurzame huisvesting en kan pas in die behoefte voorzien zodra zij de beschikking krijgt over haar aandeel in de overwaarde van de woning. Het opnieuw toekennen van een periode van zes maanden voortgezet gebruik zou dit belang verder frustreren en haar financiële positie onredelijk onder druk blijven zetten.
2.7.5.
De rechtbank stelt vast dat de man op dit moment samen met de minderjarigen in de echtelijke woning woont, dat hij de dagelijkse zorg voor de minderjarigen heeft en dat hij de lasten van de woning draagt. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij voorlopig met hun vader in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [de minderjarige 1] in zijn examenjaar zit en gelet hierop belang heeft bij een rustige en stabiele woonsituatie. De rechtbank begrijpt echter ook het belang van de vrouw bij beëindiging van de onverdeeldheid van de echtelijke woning. Hiertoe zullen gelet op de overwegingen 2.9.7 tot en met 2.9.15 ook stappen gezet gaan worden, maar dit zal naar verwachting nog enige tijd in beslag nemen. De man krijgt immers de gelegenheid om de echtelijke woning over te nemen en als dit niet lukt dan moet de woning worden verkocht. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het verzoek van de man ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te wijzen.
2.8.
Kinderbijdrage
2.8.1.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderbijdrage van € 25,- per kind per maand aan hem dient te betalen, dan wel een bijdrage en ingangsdatum als de rechtbank in goede justitie juist acht.
2.8.2.
De vrouw verzoekt dit verzoek van de man af te wijzen.
2.8.3.
De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Ingangsdatum
2.8.4.
De man verzoekt om een kinderbijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 maart 2023. De man stelt dat hij sinds het uiteengaan van partijen in januari 2023 alle dagelijkse kosten van de minderjarigen heeft gedragen. De vrouw verzet zicht tegen deze ingangsdatum, omdat dit tegenstrijdig is met de voorlopige voorzieningenbeschikking van 4 april 2023 die geldt totdat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven.
2.8.5.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de man om een kinderbijdrage van de vrouw in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 4 april 2023 is afgewezen. De man heeft nadien niet verzocht om een wijziging van deze beslissing. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van de beschikking, te weten 6 maart 2026.
Behoefte
2.8.6.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.8.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen in 2023 € 730,- per kind per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 2026 € 864,- per kind per maand. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht van partijen
2.8.8.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.8.9.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 2.200,- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.8.10.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.11.
De man is fulltime in loondienst werkzaam bij [werkgever] Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank zijn salarisspecificatie van december 2025 tot uitgangspunt nemen. Uit de cumulatieven op deze salarisspecificatie volgt dat de man in 2025 een fiscaal loon heeft genoten van € 93.955,-. Dit cumulatieve bedrag omvat alle salariscomponenten.
2.8.12.
De man geeft aan dat hij graag minder wil gaan werken om er meer en voor de minderjarigen te kunnen zijn en dat daarom moet worden uitgegaan van 80% van zijn huidige salaris. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling. Op dit moment werkt de man feitelijk fulltime en het is de vraag of de man daadwerkelijk minder zal gaan werken. De rechtbank ziet geen aanleiding om vooruit te lopen op een toekomstige onzekere gebeurtenis.
2.8.13.
Uitgaande van een fiscaal jaarloon van € 93.955,-, de aanspraak van de man op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 5.453,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 1.716,- per maand, oftewel € 858,- per kind per maand.
2.8.14.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.15.
De vrouw is sinds 1 november 2025 voor 20 uur per week in loondienst werkzaam bij [werkgever] Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank haar salarisspecificatie van januari 2026 tot uitgangspunt nemen. Uitgaande van deze inkomensgegevens en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.457,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan op grond van de draagkrachttabel € 25,00 per kind per maand.
2.8.16.
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft dan haar feitelijke inkomen. De vrouw heeft niet de dagelijkse zorg voor de minderjarigen en zij zou dan ook meer uur kunnen gaan werken om een hoger inkomen te genereren. Volgens de man dient de vrouw gelet hierop, ongeacht zijn draagkracht en de zorgkorting, in ieder geval de minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand te betalen. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw geeft aan dat zij herstellende is van een depressie en een burn-out en dat haar psoriasis opspeelt. De vrouw is recent weer begonnen met werken en is nog aan het opbouwen.
2.8.17.
De rechtbank volgt de man in zijn stelling dat de vrouw in ieder geval verdiencapaciteit heeft om de onder overweging 2.8.15 berekende kinderbijdrage van € 25,- per kind per maand te betalen, ongeacht de draagkracht van de man en de (eventuele) zorgkorting. De vrouw heeft immers niet de dagelijkse zorg voor de minderjarigen en zij heeft pas voor het eerst ter zitting aangevoerd dat zij medische klachten ondervindt zonder dit met stukken te onderbouwen. Gelet op de onderhoudsverplichting van de vrouw voor de minderjarigen mag naar het oordeel van de rechtbank van haar worden verwacht dat zij haar verdiencapaciteit zodanig benut dat zij in ieder geval de minimale kinderbijdrage aan de man kan betalen. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan een draagkrachtvergelijking en het toepassen van een (eventuele) zorgkorting.
Conclusie
2.8.18.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de vrouw met ingang van 6 maart 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 25,- per kind per maand aan de man dient te voldoen.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
2.9.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij voor 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
2.9.3.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 23 maart 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen.
2.9.4.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.9.5.
Volgens partijen bestond de ontbonden gemeenschap op 23 maart 2023 uit de volgende bestanddelen die in de verdeling moeten worden betrokken:
a. echtelijke woning aan de [adres]
b. hypothecaire geldlening bij Florius met de nummers [nummer] en [nummer] (Bankspaar Hypotheek)
c. bij Bankspaar Hypotheek behorende spaarrekening bij Florius met rekeningnummer [nummer]
d. overige bankrekeningen
e. pensioenen
2.9.6.
Voor zover partijen het eens zijn over de verdeling van vermogensbestanddelen zal de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum. In dat geval is er immers op grond van artikel 3:185 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geen taak weggelegd voor de rechter.
Echtelijke woning en hypothecaire geldlening met bijbehorende spaarpolis
2.9.7.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld + waarde spaarpolis) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.9.8.
Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning. De man stelt dat de woning op 16 januari 2023 is getaxeerd op € 420.000,- en dat partijen zijn overeengekomen dat de man de woning voor deze waarde mag overnemen. Deze waarde is volgens de man nadien op 14 november 2025 ook bevestigd door [makelaarskantoor] te [plaats] , waarbij een vraagprijs van € 400.000,- op Funda werd geadviseerd. De vrouw is van mening dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd. De op 16 januari 2023 getaxeerde waarde van € 420.000,- is niet meer actueel en van overeenstemming tussen partijen over de waarde is volgens de vrouw geen sprake.
2.9.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de door de man aangehaalde getaxeerde waarde op 16 januari 2023 van € 420.000,-. Deze taxatie is niet recent en voor de waarde van de woning in het kader van de verdeling moet – zoals eerder vermeld – in beginsel worden uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling. Gelet op de ontwikkelingen in de huizenmarkt acht de rechtbank de waarde van drie jaar geleden niet meer marktconform. Dat partijen overeenstemming zouden hebben bereikt over deze waarde is de rechtbank verder uit niets gebleken. Nu onduidelijkheid bestaat over de waarde van de woning zal de rechtbank bepalen dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de echtelijke woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk bij het moment van feitelijk verdeling. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat in geval van taxatie de vrouw binnen één week na de beschikkingsdatum drie taxateurs aan de man voorstelt waaruit de man binnen één week een taxateur dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen deze taxateur een opdracht tot taxatie van de woning te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de door de taxateur vastgestelde waarde is bindend tussen partijen. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen.
2.9.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat op deze waarde de hypotheekschuld van € 232.000,- in mindering moet worden gebracht.
2.9.11.
Partijen verschillen wel van mening over de in aanmerking te nemen waarde van de Bankspaarrekening. De man stelt dat moet worden uitgegaan van de waarde op de peildatum 23 maart 2023. Vanaf deze datum heeft de man alleen de betaling van € 631,- per maand voldaan, zodat de waardestijging nadien alleen aan hem toekomt. De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van levering van de woning aan de man. Bij de berekening van de partnerbijdrage in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 4 april 2023 is volgens de vrouw namelijk rekening gehouden met de door de man betaalde bedragen voor de Bankspaarrekening. Om die reden is destijds geoordeeld dat het de man aan draagkracht ontbrak om volledig in de behoefte van de vrouw te voorzien. Als de waarde van de Bankspaarrekening zou worden verdeeld per peildatum 23 maart 2023 dan zou de vrouw tweemaal worden benadeeld, enerzijds doordat zij onvoldoende partnerbijdrage heeft ontvangen en anderzijds doordat zij geen aanspraak zou hebben op de waarde opbouw van de Bankspaarrekening in de daaropvolgende periode. Daarbij komt dat de vrouw nog altijd beschikt over een minimaal inkomen, terwijl de man gedurende de procedure feitelijk heeft kunnen blijven profiteren van de vermogensopbouw. Onder deze omstandigheden acht de vrouw het hanteren van een eerdere peildatum niet gerechtvaardigd.
2.9.12.
De rechtbank is van oordeel dat voor de waarde van de Bankspaarrekening moet worden uitgegaan van de waarde op de peildatum 23 maart 2023. De na deze datum opgebouwde waarde komt aan de man toe aangezien de man de premiebetalingen na deze datum alleen heeft verricht. Dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 4 april 2023 vanwege de betalingen van de man voor de Bankspaarrekening een lagere partnerbijdrage is berekend is onjuist. Gebruikelijk is uit te gaan van een forfaitaire woonlast, het zogenoemde woonbudget, zijnde een percentage van het inkomen. Bij de berekening in voorlopige voorzieningenbeschikking is echter uitgegaan van een lagere feitelijke woonlast van de man dan het gebruikelijke woonbudget zodat de partnerbijdrage op een hoger bedrag uitkwam. Ook in het overige door de vrouw gestelde ziet de rechtbank geen aanleiding om van een andere peildatum voor de waarde uit te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de Bankspaarrekening) op 1 april 2023 € 51.789,- bedroeg. Nu deze datum zeer dicht bij de peildatum 23 maart 2023 ligt, dient naar het oordeel van de rechtbank van deze waarde te worden uitgegaan. Voor het bepalen van de overwaarde die aan de vrouw toekomt moet dus worden uitgegaan van de bij de taxatie vastgestelde waarde, minus de verkoopkosten en minus de hypotheekschuld van € 232.000 en plus de waarde van de Bankspaarrekening op
1 april 2023 zijnde € 51.789,-. Het bedrag dat dan overblijft moet worden gedeeld door twee. Een eventuele restschuld dient door partijen bij helfte te worden gedragen.
2.9.13.
De man heeft tot drie maanden na de taxatiedatum de gelegenheid om de overname van de woning te financieren en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Partijen zij het erover eens dat de man het rentecontract mag meenemen.
2.9.14.
Als de woning aan de man wordt toebedeeld, dient hij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.9.15.
Indien de man niet in staat is om de woning over te nemen binnen voormelde termijn dan moet de woning te koop worden gezet bij de makelaar die de taxatie van de woning heeft verricht. Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. De waarde van de Bankspaarrekening per peildatum 23 maart 2023 van € 51.789,- komt partijen ieder voor de helft toe, dus moet daarbij worden opgeteld. De na deze datum opgebouwde waarde komt onder verwijzing naar overweging 2.9.12 alleen aan de man toe aangezien hij de premiebetalingen na deze datum heeft verricht. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.9.16.
Aangezien nog niet duidelijk is of de man de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
2.9.17.
De vrouw heeft nog verzocht om met ingang van 23 april 2023 een gebruiksvergoeding ten laste van de man vast te stellen voor het exclusieve gebruik van de echtelijk woning indien haar verzoek om mee te delen in de waardestijging van de Bankspaarrekening vanaf deze datum wordt afgewezen. De vrouw stelt de gebruiksvergoeding vast op € 315,50 per maand, te weten de helft van het maandelijkse bedrag voor de Bankspaarrekening behorend bij de hypotheek. De man stelt dat er geen grond is voor het vaststellen van een gebruiksvergoeding. De man heeft sinds het uiteengaan van partijen het exclusieve gebruik van de echtelijke woning in zijn hoedanigheid als verzorgende ouder bij wie de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben. Het gebruik stond volledig in het teken van het bieden van stabiliteit, continuïteit en rust voor de minderjarigen. Daarnaast heeft de vrouw volgens de man de afgelopen jaren samengewoond als ware gehuwd en is hij desondanks de vastgestelde partnerbijdrage aan de vrouw blijven betalen. De man acht het gelet op het voorgaande niet redelijk en billijk om een gebruiksvergoeding aan de vrouw toe te kennen.
2.9.18.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning vast te stellen. De man geniet weliswaar het volledige genot van de woning, maar de man heeft de afgelopen jaren alle woonlasten betaald, alle kosten van de minderjarigen voor zijn rekening genomen en de vrouw een bedrag aan partnerbijdrage betaald. Daarnaast deelt de vrouw wel mee in de waardestijging van de echtelijke woning. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet redelijk en billijk (welke maatstaf op grond van artikel 3:166 BW Pro op de rechtsbetrekking tussen partijen van toepassing is) om een gebruiksvergoeding aan de man op te leggen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal dan ook worden afgewezen.
Overige bankrekeningen
2.9.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat:
- zij het saldo op hun gezamenlijke bankrekening [nummer] op de peildatum 23 maart 2023 van € 99,07 bij helfte zullen verdelen;
- de man de helft van het saldo op zijn bankrekening [nummer] op de peildatum 23 maart 2023 van € 2,83 aan de vrouw zal vergoeden, te weten een bedrag van € 1,42;
- de man de helft van het saldo op zijn beleggingsrekening [nummer] op de peildatum 23 maart 2023 aan de vrouw zal vergoeden, waarbij de man de vrouw inzage zal verschaffen in dit saldo;
- de vrouw de helft van het saldo op haar bankrekening [nummer] op de peildatum 23 maart 2023 aan de man zal vergoeden. Uit de door de vrouw bij bericht van 13 februari 2026 overgelegde informatie over het saldo op haar bankrekening kan de rechtbank niet opmaken wat het saldo bedroeg op 23 maart 2023 zodat de vrouw de man hierover alsnog dient te informeren.
Nu partijen over deze bankrekeningen overeenstemming hebben zal de rechtbank hierover niets opnemen in het dictum van deze beschikking.
2.9.20.
Ten aanzien van de bankrekening [nummer] op naam van de man overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum 23 april 2023 € 10.371,15 bedroeg. De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van dit saldo. De man is van mening dat dit saldo alleen aan hem toekomt aangezien hij na de peildatum diverse kosten heeft betaald, zoals de orthodontist voor [de minderjarige 2] , de IB aanslag, kosten voor de hond en kosten voor de aanschaf van bedden voor de minderjarigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat voormeld saldo op de bankrekening van de man bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld. De man heeft de door hem gestelde kosten niet met stukken onderbouwd en de rechtbank heeft geen compleet beeld van de kosten die ieder van partijen na de peildatum 23 april 2023 heeft voldaan. Als de man van mening is dat hij sinds 23 april 2023 meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan zijn bijdrageplicht op grond van artikel 1:84 BW Pro, had hij moeten toelichten hoe er, uitgaande van de totale kosten over een heel jaar, overeenkomstig de draagplicht van partijen had moeten worden gefourneerd. Dit heeft de man nagelaten. De man kan er niet enkele kosten uitlichten en stellen dat hij recht heeft op verrekening van deze kosten met het saldo op zijn bankrekening. Daarnaast merkt de rechtbank onder verwijzing naar overweging 2.9.18 op dat in het kader van de beoordeling van de door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding al rekening is gehouden met het feit dat de man veel lasten van de woning en de minderjarigen voor zijn rekening heeft genomen. Het voorgaande betekent dat de man nog een bedrag van € 5.185,58 aan de vrouw dient te voldoen ter verrekening van het saldo op zijn bankrekening [nummer] op de peildatum 23 april 2023.
Pensioenen
2.9.21.
Partijen zijn het er over eens dat zij over en weer overgaan tot verevening van de pensioenen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
2.9.22.
Nu partijen hierover overeenstemming hebben en dit uit de wet voortvloeit, zal de rechtbank hierover niets opnemen in het dictum van deze beschikking.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
bij de man zal zijn;
3.3.
stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vrouw en [de minderjarige 2] vast waarbij zij iedere maandag uit school tot ongeveer 17:00 uur iets leuks met elkaar gaan doen buiten de echtelijke woning;
3.4.
bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de beschikkingsdatum, als de man de woning ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bewoont;
3.5.
bepaalt dat de vrouw met ingang van 6 maart 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 25,- per kind per maand aan de man dient te voldoen;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] zoals vermeld onder overwegingen 2.9.7 tot en met 2.9.16;
3.7.
deelt het saldo op de bankrekening [nummer] aan de man toe, onder de verplichting om een bedrag van € 5.185,58 aan de vrouw te voldoen;
3.8.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 6 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.