AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Echtscheiding met zorgregeling en verdeling van gemeenschap van goederen
De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 maart 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die sinds [huwelijksdatum] gehuwd waren. De minderjarige kinderen worden aan de vrouw toevertrouwd als hoofdverblijfplaats, met een zorgregeling waarbij de kinderen elke zaterdag bij de man verblijven en vakanties in onderling overleg worden verdeeld.
De vrouw krijgt het recht om de voormalige echtelijke woning te blijven gebruiken tot levering aan haar of een derde, met een maximale duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Zij draagt vanaf die datum alle woonlasten. De man is verplicht een kinderbijdrage van €231 per kind per maand te betalen.
De rechtbank heeft de verdeling van de gemeenschap van goederen vastgesteld, waarbij de vrouw de woning kan overnemen onder voorwaarden, en anders zal verkoop plaatsvinden. Verder zijn afspraken gemaakt over de kapitaalverzekering, auto, bankrekeningen en belastingaanslagen. Verzoeken tot gebruiksvergoeding en vergoeding eigenaarslasten zijn afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling vastgesteld, voortgezet gebruik woning toegekend en verdeling gemeenschap van goederen geregeld.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/335046 / FA RK 22-6029 en
C/15/343237 / FA RK 23-4021
Beschikking d.d. 6 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.E. Smal, gevestigd te Castricum,
tegen
[de man] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen in [plaats] , feitelijk verblijvende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J. 't Hart, gevestigd te Haarlem.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 7 december 2022;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 7 juli 2023;
- het aanvullend zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op
5 januari 2026;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 12 januari 2026;
- de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 16 januari 2026;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 19 januari 2026;
- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 20 januari 2026;
- het berichten, met bijlagen, van de man, ingekomen op 24 en 29 januari 2026;
- het bericht, met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 29 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.3.
Na te noemen minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [de minderjarige 1] heeft haar mening op 29 januari 2025 in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt. [de minderjarige 2] heeft haar mening in haar e-mail van 16 januari 2026 bekend gemaakt en zij heeft hierbij aangegeven dat zij liever niet op gesprek komt.
2.De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] .
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 mei 2023 is bij wijze van voorlopige voorzieningen:
- bepaald dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld waarbij de minderjarigen een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven en waarbij is bepaald dat de zorg voor de minderjarigen gelijk tussen partijen wordt gedeeld gedurende vakanties, vrije dagen en feestdagen;
- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan de [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden; - bepaald dat de man bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 259,50 per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.4.3.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van de minderjarigen is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen.
2.4.4.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.5.
Hoofdverblijfplaats
2.5.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
2.5.2.
De man stemt in met dit verzoek van de vrouw.
2.5.3.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
2.6.
Zorgregeling
2.6.1.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen als volgt bij de man verblijven:
- elke vrijdag uit school tot 18:00 uur;
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur;
- de helft van de feestdagen en schoolvakanties waarbij de man de eerste keus heeft in de even jaren en de vrouw in de oneven jaren;
en waarbij de man de minderjarigen bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarigen bij de man ophaalt.
2.6.2.
De man verzoekt te bepalen dat de minderjarigen week op week af bij hen zullen zijn zodra hij een eigen woning heeft.
2.6.3.
[de minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij en [de minderjarige 2] op dit moment elke zaterdagochtend door hun vader worden opgehaald en dat ze dan iets leuks met elkaar gaan doen. In de avond gaan ze weer terug naar hun moeder. Ook verblijven zij de helft van de schoolvakanties bij hun vader. [de minderjarige 1] vindt de omgangsmomenten met haar vader leuk en ze kan goed met hem opschieten. Wel slaapt [de minderjarige 1] het liefst bij haar moeder thuis. [de minderjarige 1] is aan deze plek gehecht en ze voelt zich daar fijn. Als haar vader in de buurt komt wonen dan zou ze tijdens schoolweken wel eens bij hem willen overnachten. Een week op week af regeling wil [de minderjarige 1] liever niet.
2.6.4.
[de minderjarige 2] heeft in haar e-mail van 19 januari 2026 aangegeven dat ze een week op week af regeling fijn zou vinden als haar ouders beiden hun eigen woning in de buurt van haar school en vriendinnen hebben.
2.6.5.
De rechtbank stelt op grond van hetgeen ter zitting is besproken en het gesprek met [de minderjarige 1] vast dat de man op dit moment elke zaterdagochtend van 11:00 uur tot in de avond omgang heeft met de minderjarigen en dat de minderjarigen de helft van de vakanties bij hem verblijven. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat deze omgang tussen de man en de minderjarigen kan worden vastgesteld en dat zij hun verzoeken dienovereenkomstig wijzigen. Een uitgebreidere regeling is volgens partijen op dit moment niet aan de orde aangezien de man niet over een eigen woning beschikt. Partijen hebben wel de intentie om opnieuw met elkaar in gesprek te gaan over de omgang op het moment dat de man een eigen woning in de buurt van de minderjarigen betrekt, waarbij de omgang in ieder geval zal worden uitgebreid. De rechtbank acht voormelde tussen partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarigen en zal deze vastleggen.
2.7.
Woning
Voortgezet gebruik
2.7.1.
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.7.2.
De man verzoekt dit verzoek van de vrouw af te wijzen. De man licht toe dat inmiddels bijna drie jaren zijn verstreken sinds het feitelijk uiteengaan van partijen. Sindsdien heeft de vrouw het exclusieve gebruik van de echtelijke woning. De man beschikt nog altijd niet over eigen woonruimte en kan pas in zijn behoefte daaraan voorzien zodra hij de beschikking krijgt over zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Gelet hierop stelt de man belang te hebben bij beëindiging van het gebruik van de woning door de vrouw.
2.7.3.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw op dit moment samen met de minderjarigen in de echtelijke woning woont en dat zij de dagelijkse zorg voor hen heeft. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij voorlopig met hun moeder in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De rechtbank begrijpt het belang van de man bij beëindiging van de onverdeeldheid van de echtelijke woning. Hiertoe zullen gelet op de overwegingen 2.9.8 tot en met 2.9.14 ook stappen gezet gaan worden, maar dit zal naar verwachting nog enige tijd in beslag nemen. De vrouw krijgt immers de gelegenheid om de echtelijke woning over te nemen en als dit niet lukt dan moet de woning worden verkocht. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toe te kennen. Uit hetgeen ter zitting is besproken, maakt de rechtbank op dat de vrouw het voortgezet gebruik gelijk wil laten lopen met de periode tot aan de levering van de echtelijke woning aan haar of een derde. Gelet hierop zal de rechtbank de periode van het voortgezet gebruik tot deze periode beperken. Daarbij geldt dat dit voortgezet gebruik op grond van artikel 1:165, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet langer kan duren dan zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Gebruiksvergoeding
2.7.4.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem verschuldigd is, te weten:
- over de periode tot 1 januari 2026 een bedrag van € 15.693,75;
- vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 523,13 per maand zolang de woning nog in gebruik is bij de vrouw.
De man licht toe dat de vrouw sinds 8 mei 2023 alleen het gebruik heeft van de echtelijke woning. Voor het gemiste gebruik en genot door de man dient zij, naar redelijkheid gelet op het bepaalde in artikel 3:169 BWPro, de man schadeloos te stellen tot aan het moment van verdeling van de woning. De man gaat in zijn berekening van de gebruiksvergoeding uit van een overwaarde van de woning van € 156.000,- en een rendement van 4,5%. De man berekent de gebruiksvergoeding op € 523,13 per maand.
2.7.5.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding. De vrouw stelt dat de man geen aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding aangezien partijen nog zijn gehuwd. De vrouw bewoont de woning met de minderjarigen en heeft niet de beschikking over vervangende woonruimte. Sinds de man de woning heeft verlaten, draagt de vrouw de volledige zorg over de minderjarigen en heeft zij de woonlasten betaald. De man is direct bij zijn vriendin getrokken. Volgens de vrouw wordt de man geacht zorg te dragen voor de vrouw en de minderjarigen en valt het zorg dragen voor behoorlijke huisvesting hier eveneens onder. Gelet op de beperkte financiële draagkracht van de vrouw is zij ook niet in staat om een gebruiksvergoeding te betalen. Verder betwist de vrouw het door de man gehanteerde rendementspercentage van 4,5%. In de huidige tijd is dit percentage onrealistisch omdat de rente op spaarrekeningen en deposito’s bij banken veel lager is.
2.7.6.
De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 1:165 BWPro op verzoek van een echtgenoot in de echtscheidingsbeschikking kan worden bepaald dat de ene echtgenoot met uitsluiting van de andere echtgenoot gedurende een periode van maximaal zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de echtelijke woning mag blijven wonen tegen een redelijke vergoeding aan de andere echtgenoot. Tot die tijd, dus tijdens het huwelijk, zijn partijen op grond van het bepaalde in artikel 1:81 BWPro gehouden elkaar het nodige te verschaffen. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om over het verleden geen gebruiksvergoeding aan de vrouw op te leggen.
2.7.7.
De rechtbank acht het wel redelijk dat de vrouw vanaf de beschikkingsdatum alle woonlasten van de echtelijke woning gaat voldoen, zowel de eigenaars- als de gebruikerslasten, en zal dit vastleggen. De vrouw heeft immers het exclusieve gebruik van de echtelijke woning en de waardevermeerdering van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde BankSpaarPlus rekening komt gelet op overweging 2.9.11 en 2.9.14 vanaf 8 mei 2023 aan de vrouw toe. Nu alle woonlasten door de vrouw zullen worden voldaan en gelet op het feit dat binnen afzienbare tijd een verdeling van de woning zal plaatsvinden (zie overweging 2.9.8 tot en met 2.9.14) zal de rechtbank ook voor de periode vanaf de beschikkingsdatum geen gebruiksvergoeding ten laste van de vrouw vaststellen.
2.7.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding afwijzen.
Vergoeding eigenaarslasten
2.7.9.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de helft van de door haar betaalde eigenaarslasten van de echtelijke woning over de periode van 8 mei 2023 tot februari 2026 van € 2.012,46 aan haar dient te vergoeden.
2.7.10.
De man voert verweer tegen dit verzoek van de vrouw.
2.7.11.
De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen en neemt hierbij het volgende in aanmerking. Over het verleden wordt geen gebruiksvergoeding aan de vrouw opgelegd voor het exclusieve gebruik van de echtelijke woning en de waardevermeerdering van de BankSpaarPlus rekening komt zoals hierboven vermeld vanaf 8 mei 2023 aan de vrouw toe. Daarbij hebben partijen tijdens de zitting verklaard dat de man ook een deel van de woonlasten voor zijn rekening heeft genomen, maar het is volstrekt onduidelijk gebleven wie van partijen welk deel van de woonlasten heeft betaald. Of en zo ja, tot welk bedrag de vrouw een vergoedingsrecht zou hebben op de man kan gelet hierop ook niet worden bepaald.
2.8.
Onderhoudsbijdragen
2.8.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 201- per kind per maand aan haar dient te betalen, althans een bijdrage in goede justitie door de rechtbank te bepalen.
2.8.2.
De man verzoekt:
- te bepalen dat hij geen kinderbijdrage aan de vrouw verschuldigd is bij een week op week af regeling;
- een door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 150,- per kind per maand vast te stellen totdat er een week op week af regeling zal zijn.
2.8.3.
De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Ingangsdatum
2.8.4.
De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank deze ingangsdatum hanteren.
Behoefte
2.8.5.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.8.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de naar 1 januari 2026 geïndexeerde behoefte van de minderjarigen € 1.315,- per maand bedraagt, oftewel € 658,- per kind per maand. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht van partijen
2.8.7.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.8.8.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 2.200,- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.8.9.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.10.
De man is fulltime in loondienst werkzaam bij [werkgever] Blijkens de jaaropgave 2025 volgt dat de man in dat jaar een salaris heeft genoten van € 57.252,- bruto.
2.8.11.
De man geeft aan dat hij 20% minder wil gaan werken om de minderjarigen meer bij zich te kunnen hebben. De man legt een pro forma loonstrook over en stelt dat met dit nieuwe inkomen moet worden gerekend. De vrouw is van mening dat er geen reden is voor de man om minder te gaan werken. De minderjarigen zitten op het voortgezet onderwijs en gaan inmiddels hun eigen gang. De intensieve periode van verzorging is voorbij.
2.8.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een lager salaris van de man dan hij op dit moment daadwerkelijk verdient. Gelet op hierboven vastgestelde zorgregeling zal de omgang met de minderjarigen alleen op zaterdag en in vakanties plaatsvinden zodat er voor de man vooralsnog geen reden is om minder te gaan werken vanwege de zorg voor hen. Het is ook niet duidelijk of en zo ja, in hoeverre dit in de toekomst mogelijk zal wijzigen. Van de man mag naar het oordeel van de rechtbank worden verwacht dat hij zijn volledige verdiencapaciteit benut en op een toekomstige onzekere gebeurtenis zal niet vooruitgelopen worden.
2.8.13.
Uitgaande van een salaris van € 57.252,- bruto per jaar en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 3.561,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 790,- per maand, oftewel € 395,- per kind per maand.
2.8.14.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.15.
De vrouw is in loondienst werkzaam bij [werkgever] Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 641,- per maand bedraagt, oftewel € 321,- per kind per maand. Van deze draagkracht zal de rechtbank dan ook uitgaan.
2.8.16.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 716,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 363,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 295,- per kind per maand.
Zorgkorting
2.8.17.
Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en de minderjarigen.
2.8.18.
De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen op grond van de hierboven vastgestelde zorgregeling gemiddeld 1,6 dagen per week bij de man verblijven. Gelet hierop houdt de rechtbank rekening met een zorgkorting van 20% van de behoefte van de minderjarigen. De zorgkorting beloopt dan een bedrag van € 132,- per kind per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de minderjarigen bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
2.8.19.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 231,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen.
2.8.20.
De vrouw heeft haar verzoek om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ter zitting ingetrokken. Op dit verzoek hoeft de rechtbank dan ook niet meer te beslissen.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
2.9.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij voor 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
2.9.3.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op
7 december 2022 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen.
2.9.4.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.9.5.
Volgens partijen bestond de ontbonden gemeenschap op 7 december 2022 uit de volgende bestanddelen die in de verdeling moeten worden betrokken:
a. a) echtelijke woning aan de [adres]
b) hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden, bestaande uit BankSpaarPlus hypotheek met leningdeel [nummer] , aflossingsvrije hypotheek met leningdeel [nummer] en annuïteitenhypotheek met leningdeel [nummer]
c) BankSpaarPlus rekening bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer]
d) kapitaalverzekering bij ASR Levensverzekering N.V. met polisnummer [nummer]
e) auto van het merk Dodge met kenteken [kenteken]
f) bankrekeningen
g) kluisgeld
h) IB aanslagen 2022, 2023 en 2024
De man stelt verder dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met:
i. i) een vergoedingsrecht
2.9.6.
Partijen zijn het eens over de verdeling van een aantal bestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing nemen omdat er, gelet op artikel 3:185 BWPro, in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter.
Ad a, b en c) echtelijke woning, hypothecaire geldlening en BankSpaarPlus rekening
2.9.7.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning. Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden met drie leningdelen. Aan de BankSpaarPlus hypotheek is de BankSpaarPlus rekening gekoppeld.
2.9.8.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de vrouw toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw in staat is de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld + waarde BankSpaarPlus rekening) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.9.9.
Voor wat betreft de waarde van de woning overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het erover eens dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de echtelijke woning moet plaatsvinden door [makelaarskantoor] . Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijke verdeling. Partijen dienen [makelaarskantoor]
binnen één week na de beschikkingsdatum een opdracht tot taxatie van de woning te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de door de taxateur vastgestelde waarde bindend is. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen.
2.9.10.
Partijen zijn het erover eens dat op deze waarde de hypotheekschuld op 1 juni 2023 van in totaal € 218.700,- in mindering moet worden gebracht. De aflossingen op de annuïteitenhypotheek na deze datum heeft de vrouw immers alleen betaald, zodat de vermindering van de schuld alleen ten gunste van haar moet komen.
2.9.11.
Ook zijn partijen het erover eens dat voor de in aanmerking te nemen waarde van de BankSpaarPlus rekening moet worden uitgegaan van de waarde op 8 mei 2023. Vanaf deze datum heeft de vrouw immers alleen de premiebetalingen voldaan zodat de waardestijging nadien alleen aan haar toekomt.
2.9.12.
De vrouw heeft tot drie maanden na de taxatiedatum de gelegenheid om de overname van de woning te financieren en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
2.9.13.
Als de woning aan de vrouw wordt toebedeeld, dient zij de kosten in verband daarmee te dragen.
2.9.14.
Indien de vrouw niet in staat is om de woning over te nemen binnen voormelde termijn dan moet de woning te koop worden gezet bij [makelaarskantoor] . Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire geldlening te worden aangewend. De waarde van de BankSpaarPlus rekening op 8 mei 2023 komt ieder voor de helft toe. De na deze datum opbouwende waarde komt onder verwijzing naar overweging 2.9.11 alleen aan de vrouw toe. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen, waarbij de aflossingen op de annuïteitenhypotheek die de vrouw na 1 juni 2023 heeft verricht moeten worden verrekend met het aandeel van de man in de overwaarde.
2.9.15.
Aangezien nog niet duidelijk is of de vrouw de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
Ad d) kapitaalverzekering
2.9.16.
Partijen hebben een gezamenlijke kapitaalverzekering bij ASR Levensverzekering N.V. Partijen zijn het erover eens dat deze polis moet worden gesplitst, waarbij zij ieder recht hebben op de helft van de waarde op 1 september 2023. De waardevermeerdering na 1 september 2023 komt aan de man toe aangezien hij de premiebetalingen na deze datum alleen heeft verricht.
Ad e) Dodge
2.9.17.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de Dodge ter verkoop zal worden aangeboden bij autobedrijf Oosterwijk en dat de verkoopopbrengst bij helfte tussen hen zal worden verdeeld.
2.9.18.
Verder hebben partijen afgesproken dat het aantal opgebouwde schadevrije jaren in de autoverzekering bij InShared zal worden opgevraagd en dat zij deze jaren bij helfte zullen verdelen. De man heeft in dit verband toegezegd dat hij zijn medewerking zal verlenen aan het indienen van een afstandsverklaring bij InShared.
Ad f en g) bankrekeningen en kluisgeld
2.9.19.
Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat de saldi op de bankrekeningen en het kluisgeld inmiddels zijn verdeeld en dat hierover geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.
2.9.20.
De man heeft verder toegezegd dat hij het door hem opgenomen bedrag van € 1.396,15 van de rekening van [de minderjarige 2] spoedig aan haar zal terugbetalen.
Ad h) IB aanslagen 2022, 2023 en 2024
2.9.21.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat zij elkaar over en weer inzage zullen verschaffen in de IB aanslagen over de jaren 2022, 2023 en 2024. Een eventuele belastingteruggave in deze jaren zullen partijen bij helfte verdelen en een eventuele belastingaanslag in deze jaren zullen partijen bij helfte dragen.
Ad i) vergoedingsrecht
2.9.22.
De man stelt dat de vrouw hem € 1.507,74 dient te vergoeden vanwege door hem betaalde aanslagen OZB en waterschapslasten over de jaren 2023 en 2024 en door hem betaalde gebruikerslasten voor de echtelijke woning. Deze kosten dienen volgens de man voor rekening van de vrouw te komen aangezien toedeling van de woning aan haar al lang had kunnen plaatsvinden en de vrouw steeds het exclusieve gebruik van de woning heeft gehad. De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man. De vrouw geeft aan dat de man zich niet heeft willen uitschrijven van het adres van de echtelijke woning en dat dit diverse financiële gevolgen heeft gehad. Voor de vrouw betekende dit dat zij geen toeslagen kon aanvragen en dat zij hierdoor een fors bedrag is misgelopen.
2.9.23.
Het is de rechtbank op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken niet duidelijk geworden wie van partijen de afgelopen jaren welke woonlasten precies heeft betaald en wat de wettelijke grondslag van het door de man gestelde vergoedingsrecht is. Als de man van mening is dat hij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan zijn bijdrageplicht op grond van artikel 1:84 BWPro, had hij moeten toelichten hoe er, uitgaande van de totale kosten over een heel jaar, overeenkomstig de draagplicht van partijen had moeten worden gefourneerd. Dit heeft de man nagelaten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
bij de vrouw zal zijn;
3.3.
stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en voormelde minderjarigen vast:
- de minderjarigen verblijven iedere zaterdag van 11:00 uur tot in de avond bij de man;
- de vakanties worden in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld;
3.4.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken totdat deze woning is geleverd aan de vrouw of een derde, als de vrouw de woning ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bewoont, met dien verstande dat dit voortgezet gebruik niet langer kan duren dan zes maanden na die inschrijving;
3.5.
bepaalt dat de vrouw vanaf 6 maart 2026 alle woonlasten van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] moet betalen, zowel de zowel de eigenaars- als de gebruikerslasten;
3.6.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voormelde minderjarigen van € 231,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen;
3.7.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] zoals vermeld onder overwegingen 2.9.8 tot en met 2.9.14;
3.8.
verklaart deze beschikking, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 6 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 RvPro openlijk bekend is gemaakt.