ECLI:NL:RBNHO:2026:2365

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
15/045424-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 312 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en vervoer van cocaïne in vereniging

Op 21 oktober 2024 pleegde de verdachte samen met anderen een diefstal met geweld van 10 à 15 blokken cocaïne uit een koelcontainer op een oplegger van een vrachtwagen in Rijsenhout. De vrachtwagenchauffeur werd bedreigd, zijn telefoon afgepakt en de verdachten vluchtten met de drugs.

De rechtbank baseerde het bewijs op de verklaring van de chauffeur, DNA-sporen op het luik van de koelinstallatie en zendmastgegevens van een telefoon in gebruik bij de verdachte. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar de rechtbank vond het bewijs wettig en overtuigend.

De feiten kwalificeren als diefstal met geweld in vereniging en het opzettelijk vervoeren van cocaïne. De verdachte is recidivist met eerdere veroordelingen voor vermogens- en drugsdelicten. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 48 maanden op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht.

Verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis werden afgewezen vanwege de ernst van de feiten en het strafvorderlijk belang. De rechtbank achtte de ontkennende houding van de verdachte en eerdere veroordelingen reden om geen voorwaardelijke straf op te leggen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland op 10 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor diefstal met geweld en het opzettelijk vervoeren van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/045424-25 (P)
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Lenderink en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) ter terechtzitting van 9 september 2025, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 21 oktober 2024 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (op de kruising Rijsrecht / Aalsmeerderweg) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere hoeveelheden drugs (zijnde cocaïne), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de vrachtwagenchauffeur (bekend onder nummer 11990129) en/of een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die vrachtwagenchauffeur (bekend onder nummer 11990129), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- een auto voor een (rijdende) vrachtwagen te stoppen, waardoor die vrachtwagen niet verder kon rijden en/of
- (vervolgens) de bestuurder van die vrachtwagen te vragen achter het stuur te blijven zitten in ruil voor geld en/of
- tegen die bestuurder te zeggen dat hij in [zijn vrachtwagen] kon stappen en zijn telefoon weg kon doen anders zouden verdachte en of zijn mededaders iets tegen het hoofd van de bestuurder aanzetten en/of
- de telefoon van de bestuurder af te pakken en later weg te gooien en/of
- de bestuurder van de vrachtwagen een douw/duw te geven en/of
- (vervolgens) de laadbak van de vrachtwagen te betreden en de drugs (zijnde cocaïne) mee te nemen;
feit 2
hij op of omstreeks 21 oktober 2024 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging feit 1 en 2
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat de verdachte op 21 oktober 2024, in Rijsenhout, samen met in ieder geval twee anderen betrokken is geweest bij de diefstal met (bedreiging van) geweld van blokken cocaïne uit een koelcontainer die geplaatst was op een oplegger van een vrachtwagencombinatie. Uit de verklaring van de vrachtwagenchauffeur volgt dat ten behoeve van de diefstal het luik van de koelinstallatie van de container door de verdachte(n) is verwijderd en dat daar vervolgens 10 á 15 langwerpige zwarte blokken uit zijn weggenomen. Deze langwerpige zwarte blokken zijn gegooid in de auto waarmee de verdachten voorafgaand aan de diefstal de chauffeur van de container hebben klemgereden. Hierna zijn de verdachten met diezelfde auto gevlucht. In de open ruimte van de koelinstallatie zijn later door de politie 23 blokken cocaïne verpakt in zwarte vuilniszakken aangetroffen. Op de schroefdraden van het luik van de koelinstallatie is een enkelvoudig DNA profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA profiel van de verdachte. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat een telefoon die bij de verdachte in gebruik was ten tijde van de diefstal een zendmast aanstraalde in de nabije omgeving van de plaats delict.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten. De rechtbank betrekt in haar oordeel voorts nog dat de verdachte geen enkele redengevende verklaring heeft gegeven voor de DNA match op een schroefdraad van het luik van de koelinstallatie waarin de pakketten cocaïne lagen. Van een alternatief scenario zoals de raadsman stelt, is niet gebleken. De rechtbank heeft, anders dan de raadsman, ook geen enkele reden om te twijfelen aan (de betrouwbaarheid van) de verklaring van de chauffeur dat er daadwerkelijk 10 à 15 langwerpige zwarte blokken zijn weggenomen en dat er dus sprake is geweest van diefstal. De door de verdachten weggenomen blokken zijn qua uiterlijk gelijksoortig aan de aangetroffen blokken cocaïne in de open ruimte van de koelinstallatie. De rechtbank acht het daarom voldoende aannemelijk dat ook in de door de verdachten weggenomen blokken cocaïne zat.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1hij op 21 oktober 2024 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, op de openbare weg tezamen en in vereniging met anderen, cocaïne, die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een vrachtwagenchauffeur (bekend onder nummer 11990129), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door:
- een auto voor een vrachtwagen te stoppen, waardoor die vrachtwagen niet verder kon rijden en
- tegen die vrachtwagenchauffeur te zeggen dat hij in [zijn vrachtwagen] kon stappen en zijn telefoon weg kon doen anders zouden verdachte en of zijn mededaders iets tegen het hoofd van de vrachtwagenchauffeur aanzetten en
- de telefoon van de vrachtwagenchauffeur af te pakken en later weg te gooien en
- de vrachtwagenchauffeur een douw te geven;
feit 2hij op 21 oktober 2024 te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk cocaïne heeft vervoerd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een overval op een vrachtwagen op de openbare weg op klaarlichte dag. In de gekoelde vrachtcontainer vervoerde de chauffeur nietsvermoedend pakketten met cocaïne toen hij plots door een auto werd klem gereden en tot stoppen werd gedwongen. Tegen de vrachtwagenchauffeur is dreigende taal geuit. Ook werd zijn telefoon afgepakt en weggegooid en heeft hij een douw gekregen. De gekoelde vrachtcontainer is door de verdachte opengemaakt en hieruit zijn 10 à 15 kilopakketten cocaïne weggenomen. De verdachten zijn vervolgens met de weggenomen cocaïne weggereden. De verdachte heeft zich hiermee tevens schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van cocaïne.
Overvallen veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers en in de samenleving. Dat geldt in deze zaak temeer omdat de feiten zijn gepleegd op klaarlichte dag op de openbare weg, terwijl omstanders hiervan getuige zijn geweest. Dat dit een beangstigende situatie moet zijn geweest voor de vrachtwagenchauffeur blijkt uit het feit dat hij onder nummer is gehoord door de politie en niet met zijn naam in het dossier wil. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van, en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder levensdelicten, witwassen en ondermijning door criminele netwerken en de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van de drugs. De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door financieel gewin en geen rekening gehouden met de gevolgen voor anderen van zijn handelen. De rechtbank vindt het kwalijk dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 december 2025, waaruit blijkt dat hij al eerder voor vermogens- en opiumdelicten onherroepelijk is veroordeeld, waaronder voor drugsdelicten in België. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging. Ook na onderhavige feiten is de verdachte veroordeeld voor vermogensdelicten, te weten een poging en een voltooide ladingdiefstal.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 25 november 2025. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte kan de reclassering geen inschatting maken van het recidiverisico. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat het toegepaste geweld beperkt is gebleven tot een douw.
De rechtbank ziet in de ontkennende houding van de verdachte, alsmede in de omstandigheid dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 48 maanden moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen en in elk geval te schorsen tot aan de einduitspraak. Door de officier van justitie is hierover geen standpunt ingenomen.
Indachtig dit veroordelend vonnis is de rechtbank van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is gebaseerd, ook nu nog aanwezig zijn. Mede gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank afwijzen. Dit verzoek is door de verdediging onderbouwd door te wijzen op de bepleite vrijspraak. Omdat geen (andere) persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn aangevoerd, weegt het strafvorderlijk belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis zwaarder dan het belang van de verdachte bij een schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst het schorsingsverzoek daarom af.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. G.D. Kleijne, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.