ECLI:NL:RBNHO:2026:2451

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
HAA 24/7690
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Besluit zeevarendenArt. 10.1 Regeling zeevarendenArt. 18 Wet zeevarendenArt. 28e Besluit zeevarendenArt. 28g Besluit zeevarenden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernieuwing vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige zeevisvaart toegekend na onzorgvuldige afwijzing

Eiser, houder van vaarbevoegdheidsbewijzen voor schipper zeevisvaart en stuurman-werktuigkundige, vroeg op 1 maart 2024 vernieuwing aan van zijn vaarbevoegdheidsbewijs. De minister wees de aanvraag op 7 mei 2024 af wegens onvoldoende gespecificeerde vaartijd en ontbrekende certificaten. Eiser maakte bezwaar en kreeg voor de functie van schipper alsnog het vaarbevoegdheidsbewijs toegekend, maar de afwijzing voor stuurman-werktuigkundige bleef staan.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht om nadere specificatie van de vaartijd mocht vragen, maar dat het onzorgvuldig en in strijd met het vertrouwensbeginsel was om de aanvraag af te wijzen omdat eiser bij eerdere vernieuwingen steeds hetzelfde door Kiwa verstrekte formulier had gebruikt zonder nadere specificatie. Het was onredelijk om met terugwerkende kracht aanvullende specificatie te verlangen.

Verder is ter zitting gebleken dat eiser voldeed aan de vereisten voor een SW6-functie, waardoor de aanvraag niet langer kon worden afgewezen wegens ontbrekende certificaten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het eerdere afwijzingsbesluit en beveelt de minister om het vaarbevoegdheidsbewijs voor stuurman-werktuigkundige met beperkingen te verlenen.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank adviseert partijen om in overleg te treden over de wijze van specificatie van vaartijd bij toekomstige aanvragen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing en beveelt verlening van het vaarbevoegdheidsbewijs stuurman-werktuigkundige met beperkingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7690

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Bouman),
en

De minister van Infrastructuur en Waterstaat, ILT

(gemachtigde: K. van Moorsel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om zijn vaarbevoegdheidsbewijs te vernieuwen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister artikel 8, tweede lid, onder a, van het Besluit zeevarenden (hierna: het Besluit) niet aan eiser kon tegenwerpen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 maart 2024 een aanvraag ingediend voor het vernieuwen van zijn vaarbevoegdheidsbewijs. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2024 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen dit besluit op 13 juni 2024 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] en de gemachtigde van de minister samen met [naam 2] en [naam 3] .
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft een vissersbedrijf, [naam vissersbedrijf] . Eiser was in dat verband in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper zeevisvaart en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart alle visvaartuigen. Deze vaarbevoegdheidsbewijzen zijn vereist op grond van artikel 18 van Pro de Wet zeevarenden en moeten elke vijf jaar worden vernieuwd. De aanvraag van 1 maart 2024 is de vierde aanvraag tot vernieuwing die eiser heeft gedaan. Bij eerdere aanvragen is eiser niet gevraagd om zijn vaartijd te specificeren. Deze aanvraag is namens de minister beoordeeld door Kiwa Register (hierna: Kiwa). Dit is een onderdeel van Kiwa N.V., een onderneming op het gebied van testen, inspecties en certificering. Kiwa voert op grond van het Besluit bevoegdheidverlening Inspecteur- Generaal Leefomgeving en Transport taken uit met betrekking tot vergunningverlening in de transportsector. Naar aanleiding van het voornemen van Kiwa om de aanvraag af te wijzen van 29 maart 2024, heeft eiser aanvullende stukken aangeleverd. Hij heeft een vaartijdverklaring overgelegd in de vorm van het formulier dat daarvoor door Kiwa wordt verstrekt. Op het formulier heeft eiser voor beide functies zijn vaartijd ingevuld in het aantal dagen dat hij in deze functie heeft gevaren. Het formulier is ondertekend door eiser en door mevrouw [naam 4] namens de productorganisatie. Dit zijn ook de partijen waarvan op het formulier staat zij het moeten ondertekenen. Naar aanleiding van deze vaartijdverklaring is op 7 mei 2024 een nieuw besluit genomen waarbij de aanvraag opnieuw is afgewezen.
3.1.
De minister heeft met het bestreden besluit het afwijzen van de aanvraag voor de functie van stuurman-werktuigkundige in stand gelaten. Reden daarvoor was dat eiser onvoldoende vaartijd in de functie van stuurman-werktuigkundige heeft opgedaan en niet heeft aangetoond over de vereiste certificaten te beschikken. De aanvraag voldoet daarmee niet aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit in samenhang met artikel 10.1, onder g, van de Regeling zeevarenden en ook niet aan artikel 28e, eerste lid, onder b en onder c, van het Besluit. Voor zover het bezwaar van eiser zag op het afwijzen van de vernieuwing voor de functie van schipper zeevisvaart, heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 10 oktober 2024 is het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper alsnog verleend.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de weigeringsgrond van artikel 8, tweede lid, onder a, van het Besluit aan eiser tegenwerpen?
4. Eiser voert aan dat hij over voldoende vaartijd beschikt. Hij stelt in de periode van 1 maart 2019 tot en met 1 maart 2024, zowel als schipper zeevisvaart te hebben gewerkt, als in de functie van stuurman-werktuigkundige zeevisvaart. De overlegde vaartijdverklaring is volgens Kiwa niet gespecificeerd en daardoor zou niet inzichtelijk zijn hoeveel vaardagen er in welke functie is gevaren. Eiser voert aan dat uit de overlegde vaartijdverklaring blijkt dat hij 380 dagen de functie van stuurman-werktuigkundige heeft vervuld. Eiser heeft daarbij gebruik gemaakt van het formulier dat door Kiwa zelf wordt verstrekt en dit formulier is ondertekend door de productorganisatie en door eiser, zoals het formulier vereist. Uit dit formulier blijkt dat eiser voldoet aan de vereisten in artikel 8, tweede lid, van het Besluit zeevarenden.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn vaartijd moet specificeren, zodat kan worden beoordeeld welke vaarbevoegdheden aan hem kunnen worden verleend. Het is niet mogelijk om in gemaakte vaartijd twee functies tegelijkertijd te hebben uitgeoefend. De wet biedt geen mogelijkheid om in twee functies tegelijk vaartijd op te doen. De vaartijd is niet verifieerbaar als een zeevarende is aangemonsterd in één functie, maar stelt meerdere functies te hebben vervuld. Dit zou het systeem van certificering en toezicht ondermijnen. Voor de functie van schipper is alsnog een vaarbevoegdheidsbewijs verleend, omdat eiser in deze functie was aangemonsterd en de minister het aannemelijk acht dat eiser in de betreffende periode niet slechts aan wal heeft gezeten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het de minister is toegestaan om in het kader van de vereisten uit artikel 8, tweede lid, van het Besluit verdere specificatie te verlangen dan wordt gegeven op het formulier dat door Kiwa wordt verstrekt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de bewoordingen van die bepaling volgt dat het aan de minister is om te beoordelen of de houder voldoende dienst heeft gedaan aan de functie waarop de verzochte vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs betrekking heeft. Gegeven die beoordelingsruimte is het niet onredelijk dat de minister om een verdergaande specificatie heeft verzocht om beter te kunnen beoordelen of eiser in onder artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit vermelde voorwaarden voldoet en in het kader van een volgende aanvraag zal eiser daar rekening mee moeten houden.
Dat verweerder in het algemeen een verdergaande specificatie mag verlangen, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verweerder de onderhavige aanvraag tot vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van stuurman-werktuigkundige mocht afwijzen. Dat oordeel motiveert de rechtbank als volgt. Door eiser is drie keer eerder een aanvraag gedaan om zijn vaarbevoegdheidsbewijs te vernieuwen. Door verweerder is niet weersproken dat hij bij deze aanvragen, die allen zijn toegekend, steeds hetzelfde formulier, dat door Kiwa wordt verstrekt, heeft overgelegd en dat hij ook op die formulieren niet nader heeft gespecificeerd hoeveel hij op zijn vaartuigen in de functie van schipper en hoeveel als stuurman-werktuigkundige arbeid heeft verricht. Verder staat op het formulier van Kiwa ook niet aangegeven dat het ingevulde gespecificeerd of onderbouwd moet worden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel om zonder voorafgaand bericht de vernieuwing af te wijzen vanwege een gebrek aan specificatie. Van eiser kon niet worden verwacht dat hij een specificatie van zijn vaartijd zou bijhouden, nu dit nooit eerder van hem werd verlangd. Om dit met terugwerkende kracht over vijf jaar te verlangen is onzorgvuldig en in strijd met het opgewekte vertrouwen dat dit voor het vernieuwen van zijn vaarbevoegdheidsbewijs niet nodig is. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven. De beroepsgrond slaagt.
Overige beroepsgronden
5. De rechtbank overweegt dat dat zij aan bespreking van de overige beroepsgronden niet toekomt. De rechtbank is van oordeel dat eiser bij bespreking van deze beroepsgronden geen belang heeft, gelet op de beoordeling onder 4.2.
5.1.
Voor zover het beroep van eiser zich richt tegen het standpunt van de minister dat hij geen vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper heeft aangevraagd, geldt dat dit vaarbevoegdheidsbewijs bij besluit van 10 oktober 2024 aan eiser is verleend en er daarom ook geen belang bestaat bij een beoordeling van die beroepsgrond.
5.2.
Voor zover het beroep van eiser zich richt tegen het standpunt van de minister dat hij niet beschikt over de certificaten die op grond van artikel 28e, eerste lid, onder b en onder c, van het Besluit n zijn vereist voor een vaarbevoegdheidsbewijs ‘stuurman-werktuigkundige zeevisvaart alle visvaartuigen’, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is gebleken dat eiser heeft gevraagd om afschaling van zijn aanvraag naar een aanvraag voor een SW6-functie. De minister heeft ter zitting aangegeven dat eiser voldoet aan de vereisten voor een SW6-functie, die volgen uit artikel 28g van het Besluit. Partijen zijn het erover eens dat als gevolg van deze afschaling de aanvraag niet meer kan worden afgewezen op grond van het ontbreken van de benodigde certificaten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat geen andere weigeringsgrond aan de orde is, neemt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing door het besluit van 7 mei 2024 te herroepen en de aangevraagde vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie stuurman-werktuigkundige zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 24 meter met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen in beperkt vaargebied vissersvaartuigen aan eiser te verlenen. Naar de toekomst toe geeft de rechtbank partijen in overweging om in overleg te treden over de wijze waarop eiser zijn vaartijd bij een volgende aanvraag zou kunnen specificeren.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 oktober 2024;
- herroept het besluit van 7 mei 2024;
- bepaalt dat de aangevraagde vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie stuurman-werktuigkundige zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 24 meter met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen in beperkt vaargebied vissersvaartuigen aan eiser wordt verleend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet zeevarenden
Artikel 18, eerste lid
Een ieder die aan boord van een schip een functie vervult als bedoeld in het tweede lid waarvoor krachtens deze wet eisen zijn gesteld, is in het bezit van een geldig vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
Artikel 18, tweede lid, aanhef en onder i
De vaarbevoegdheden die op de vaarbevoegdheidsbewijzen kunnen worden aangetekend hebben betrekking op de volgende functies:
(…)
i. schipper zeevisvaart
plaatsvervangend schipper zeevisvaart
stuurman zeevisvaart
stuurman-werktuigkundige zeevisvaart
hoofdwerktuigkundige zeevisvaart
tweede werktuigkundige zeevisvaart
wachtwerktuigkundige zeevisvaart
Besluit zeevarenden
Artikel 8, tweede lid
Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder heeft dienstgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheid is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende vaarbevoegdheden mocht worden vervuld of in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie, gedurende ten minste:
12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
Artikel 28e, eerste lid
Onverminderd artikel 8 geeft Pro het bezit van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW5, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid voor vissers;
het certificaat reddingmiddelen;
het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
stuurman-werktuigkundige zeevisvaart alle vissersvaartuigen;
(…)
Artikel 28g, eerste lid
Onverminderd artikel 8 geeft Pro het bezit van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW6, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid voor vissers;
het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
het beperkt certificaat voor de maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
(…)
stuurman-werktuigkundige zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 24 meter met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen in beperkt vaargebied vissersvaartuigen;
(…)
Regeling zeevarenden
Artikel 10.1
Voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs, legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan Onze Minister:
a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt;
een recente pasfoto;
het originele kennisbewijs of bekwaamheidsbewijs op grond waarvan afgifte wordt gevraagd;
de voor het gewenste vaarbevoegdheidsbewijs vereiste bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen;
de originele geldige geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet; en
een bewijs dat is voldaan aan de vereiste ervaring voor het gewenste bewijs.
Artikel 10.2, eerste lid
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs is artikel 10.1, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige toepassing.