3.3.1Bewijsmotivering
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, [medeverdachte A] en [medeverdachte B] op 6 oktober 2025 met een vliegtuig vanuit Suriname op Schiphol zijn aangekomen. [medeverdachte A] en [medeverdachte B] zijn vervolgens aangehouden. Na onderzoek zijn bij [medeverdachte A] 125 slikkersbollen aangetroffen met een nettogewicht van in totaal 1.012,50 gram cocaïne. Bij [medeverdachte B] zijn na onderzoek 182 slikkersbollen aangetroffen met een nettogewicht van in totaal 1.396,10 gram cocaïne.
De vraag die in deze zaak voorligt, is of de verdachte als medepleger is betrokken bij deze invoer. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde (intellectuele en/of materiële) bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Zowel bij [medeverdachte A] als bij [medeverdachte B] is een telefoon inbeslaggenomen. Daarnaast zijn bij
F. [medeverdachte C] twee telefoons inbeslaggenomen. [medeverdachte C] was op de camerabeelden van de luchthaven Schiphol van 6 oktober 2025 herkend door verbalisanten en gezien was dat hij contact had gemaakt met bandleden van [Naam-band]. In de telefoons van [medeverdachte A], [medeverdachte B] en [medeverdachte C] zijn gesprekken aangetroffen met de verdachte. Uit de inhoud van de gesprekken met [medeverdachte A] en [medeverdachte C] volgt dat de verdachte al geruime tijd contact met hen onderhield.
Zo stuurde [medeverdachte C] op 13 mei 2025 naar de verdachte: “Ik zoek drie mannen of drie vrouwen om in een groep te gaan, mag ook een mix zijn, het moeten serieuze mensen zijn.” De verdachte reageerde daarop met: “Oké, oké, oké, ja, een van die jongens van december ga ik alvast bellen, hij had reeds een visum gekregen.” Hierop stuurde [medeverdachte C] terug: “Als je contact maakt met die man moet je hem zeggen dat het pas in oktober gaat lopen. Ik ga laten horen wanneer de voorbereidingen beginnen.” Op 20 mei 2025 stuurde [medeverdachte C] naar de verdachte “(…), wil je die man vragen om foto van zijn paspoort naar jou te sturen dan stuur jij het door naar mij. Ik heb een serieuze zaak voor hem.” Daarop antwoordde de verdachte met: “man is 100% serieus ik selecteer mannen met zorg.” De verdachte stuurde vervolgens een foto ten name van [medeverdachte B] naar [medeverdachte C], waarna hij schreef: “dit soort mannen hadden reeds eerder visum gekregen dus zij gaan geen problemen krijgen, serieuze mannen.”
In het contact met [medeverdachte A] vroeg [medeverdachte A] de verdachte herhaaldelijk wat “het model” was. Op 22 juni 2025 vroeg hij dat voor het eerst en daarop reageerde de verdachte met: “Ja ik ga je wenken.” In gesprekken met [medeverdachte C] en [medeverdachte A] wordt verder gesproken over het verkrijgen van een visum in het paspoort. Zo stuurde [medeverdachte C] op 24 juni 2025 naar de verdachte: “Neem jouw paspoort en die van die andere man ook je moet dan drie afgeven op het adres dat ik je zo zal doorgeven”. Een aantal dagen later, op 30 juni 2025, stuurde de verdachte vervolgens naar [medeverdachte A]: “Ja 1 dezer dagen van de komende week zullen we opgeroepen worden door die mannen om naar de ambassade gaan. Dan wachten wij totdat die mannen het visum hebben gedrukt in het paspoort. (…) Ja ik heb die mannen die enveloppe met alle toebehoren gegeven één van die mannen gaan ons opbellen.” Op 16 augustus 2025 stuurde [medeverdachte C] aan de verdachte: “Dat iedereen de 27ste augustus gaat vertrekken”, waarop de verdachte reageerde: “Oké ik ga het aan die andere mannen doorgeven”. Op 18 augustus 2025 stuurde de verdachte vervolgens naar [medeverdachte A]:“27 gaan we. Dus 26 moet je zorgen dat je er al bent.” Op 30 september 2025 stuurde de verdachte naar [medeverdachte C] twee afbeeldingen van een visum ten name van [medeverdachte A] en [medeverdachte B], waarbij hij meldde dat ze 45 dagen geldig zijn van
4 oktober 2025 tot en met 2 december 2025.
Eind september en begin oktober bespreken de verdachte, [medeverdachte C] en [medeverdachte A] het gebruik van Kowrudresie, wat volgens de betreffende processen-verbaal laxeermiddel betekent, en geldbedragen. Op 30 september 2025 vroeg de verdachte aan [medeverdachte A]: “Heb jij je kowrudresie al gedronken?” [medeverdachte A] reageerde met: “(…) Ik moet het 2 dagen drinken. Voor de geplande dag.” Op 2 oktober 2025 stuurde [medeverdachte C] naar de verdachte: “Laat die mannen zelf alles regelen, zelf hun laxeermiddel kopen en een ritueel bad nemen (…). Wij hebben visa betaald en het eten kost ook nog 1400 en zij krijgen 7000.” De verdachte antwoordde daarop: “Nu is in kas 100 euro en 4000 srd en die andere man komt morgen uit Frans Guyana en gaat het geld brengen. Het is lastig als je voor een grote organisatie werkt en deze kleine zaken zijn dan niet goed geregeld, ze maken mijn hoofd moe hier.” Diezelfde dag stuurde de verdachte naar [medeverdachte A]: “Regel wat je aan die kant kan regelen direct hoor. (…) Mocht je een kowrudresi daar op paranam vinden koop en drink het dan gelijk.” Daarop stuurde [medeverdachte A] terug: “Ik heb geen geld bij me toch. (…) Gisteren heb ik etenswaar met het geld gekocht toch.”
Uit de gesprekken van begin oktober is verder gebleken dat wordt gesproken over het vertrek naar een appartement en het bijhouden van een telling in een schema. Zo stuurde [medeverdachte C] op
3 oktober 2025 naar de verdachte: “(…) luister morgen vroeg moeten die mannen naar een ander appartement gaan want zij willen overzicht houden.” Op 4 oktober 2025 stuurde [medeverdachte C] vervolgens aan de verdachte: “Dalijk moet je aan die pikien nifoh (kleine neef) van jou laten weten dat hij uhh hij die dingen per twaja (25) voor die mannen moet zetten.” En: “Dan moet hij het schema bijhouden. Alles moet in het zicht van die mannen gebeuren. (…) 10.. 10… 10. Je moet alles tellen voordat je begint. Alles van een ieder moet apart. Hij moet die telling goed bijhouden.” Op 5 oktober 2025 stuurde de verdachte naar [medeverdachte C]: “Ja je kan die man wenken. (…) Al die mannen/iedereen is klaar.”
Op de dag van aankomst op Schiphol, op 6 oktober 2025, heeft [medeverdachte B] binnen een tijdsbestek van een half uur telefonisch contact gehad met de verdachte, voordat [medeverdachte B] die dag om 13.30 uur wordt aangehouden op verdenking van invoer van verdovende middelen. Om 13.03 uur stuurde [medeverdachte B] naar de verdachte: “Die mannen maken me verward en bezorgen mij stress. (…) Ja want dat hebben die mannen tegen mij gezegd toch. Er was gezegd dat ik de bandleider ben. Die mannen gaan me brengen om te scannen. Die mannen van jou bezorgen mij stress.” De verdachte antwoordde daarop: “Ja je moet tegen die mannen zeggen dat jij de bandleider bent toch.” En: “Je moet niet bang zijn. Jij en die dame zijn nu toch bij elkaar. Al zeggen ze tegen je dat ze je gaan brengen om te scannen dan maakt het niet uit. Laat maar scannen.”
[medeverdachte A] en [medeverdachte B] hebben verklaringen afgelegd over de door hen afgelegde reis. [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij via [bijnaam verdachte], de verdachte, in contact was gekomen met een paar mannen aan wie hij had gevraagd hoe hij snel geld kon verdienen. Vervolgens had hij cocaïne gekregen om te slikken. Hij speelde niet in de band [Naam-band] maar is met ze meegelopen. Hem was geleerd om achter de band aan te lopen en te zeggen dat hij een soort van bandmanager was. Over de gesprekken die hij met de verdachte heeft gevoerd, heeft hij verklaard dat zijn vraag over wat “het model” was, te maken had met drugs. Het ging over wat er ging gebeuren, er was ook een andere manier om drugs te vervoeren. Waar ze in het gesprek spraken over “kowrudresie”, ging het over een middel bedoeld voor het gebruik van drugs. Verder heeft hij verklaard dat hij in een woning was geplaatst, dat hij daar moest blijven en dat hij het daar moest innemen. Hij was daarover gebeld door de verdachte. Die had hem gezegd dat hij op de hoek moest gaan staan en zijn spullen moest pakken om naar een appartement te gaan. [medeverdachte B] heeft verklaard dat hij ook niet in de band zat. Hij moest van de verdachte leugens vertellen omdat hij bolletjes in zijn buik had.
Gelet op de aard en strekking van de gesprekken die de verdachte heeft gevoerd met [medeverdachte C], [medeverdachte A] en [medeverdachte B] en gelet op de verklaringen die [medeverdachte A] en [medeverdachte B] hebben afgelegd, kunnen de gesprekken naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat zij zien op de invoer van cocaïne van Suriname naar Nederland. Uit de gesprekken volgt dat de verdachte de koeriers [medeverdachte A] en [medeverdachte B] heeft geregeld, dat het vertrek in oktober 2025 zou plaatsvinden, en dat de verdachte communiceert over het verkrijgen van een visum voor de koeriers, geldbedragen die zijn gegeven aan de koeriers, het gebruik van het laxeermiddel ten behoeve van het innemen van drugs, het verplaatsen naar een appartement voor het innemen van de bolletjes en het bijhouden van een telling daarvan en ten slotte over wat [medeverdachte B] het beste kon zeggen tegen de douane tijdens zijn controle op Schiphol.
De rechtbank leidt uit deze gesprekken en verklaringen ook af dat de verdachte een coördinerende rol heeft vervuld bij deze invoer en dat hij daarmee een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het gezamenlijke plan om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. De verdachte stond in direct contact met [medeverdachte C] en regelde de praktische zaken rondom de invoer. In dat verband onderhield hij ook veelvuldig contact met [medeverdachte A]. Hij is vervolgens met beide koeriers meegereisd naar Schiphol en heeft, toen [medeverdachte B] door de controle bij de douane moest, hem geïnstrueerd wat hij tegen de douane moest zeggen. De verdachte vormde hiermee een belangrijke schakel bij deze manier van invoer van cocaïne.
De alternatieve lezing van de verdachte dat hij enkel op de vliegreis mee was vanwege werkzaamheden voor de band [Naam-band], en dat de berichten deels betrekking daarop hadden, en ook op zijn werkzaamheden voor een bedrijf dat zich bezighoudt met appartementen, wordt gelet op het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, de verdachte opzettelijk en in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte A] en [medeverdachte B] betrokken was bij de invoer van de cocaïne en dus als medepleger is aan te merken.
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.