Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2466

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/2169
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering op grond van Participatiewet bevestigd ondanks schending hoorplicht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder om haar aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet af te wijzen. Het college baseerde de afwijzing op onvoldoende bewijs dat eiseres in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde in de periode van 24 april 2020 tot en met 16 juni 2020.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het college na eerdere vernietigingen van besluiten op bezwaar een nieuw onderzoek heeft verricht en op 25 maart 2025 een nieuw besluit heeft genomen. Dit besluit is gebaseerd op een rapport waarin onder meer bankafschriften, verklaringen en gesprekken met eiseres zijn beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en het besluit voldoende is gemotiveerd.

Eiseres stelde dat zij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het bestreden besluit. De rechtbank erkent dat het college de hoorplicht van artikel 7:2 Awb Pro heeft geschonden, maar past artikel 6:22 Awb Pro toe omdat het niet aannemelijk is dat het alsnog horen van eiseres tot een andere uitkomst zou leiden. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres, omdat het college de hoorplicht heeft geschonden. De vergoeding bedraagt € 934,- voor de proceskosten en € 53,- voor het griffierecht.

De uitspraak is gedaan door rechter L.M. de Vries op 12 februari 2026 en is in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het college mag de aanvraag bijstand afwijzen ondanks schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2169

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, hierna: het college

(gemachtigde: mr. A. Holtjer-van Slooten en J. Postma).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres van 4 mei 2020 (gestart op 24 april 2020) om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Het college heeft eerder de aanvraag afgewezen, omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding. In die zaak heeft deze rechtbank bij uitspraak van 28 juni 2022 de beslissing op bezwaar van 12 november 2020 vernietigd. Het college heeft daarop een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank deze beslissing op bezwaar van 19 december 2023 vernietigd. De rechtbank heeft in deze uitspraak, onder meer, geconcludeerd dat verweerder tot op heden onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eiseres ten tijde van de aanvraag.
Het college heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het onderhavige bestreden besluit van 25 maart 2025), waarbij het college op grond van nader verricht onderzoek de aanvraag op een gewijzigde grondslag heeft afgewezen, namelijk dat het recht op bijstand over de periode in geding niet kan worden vastgesteld.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit bestreden besluit van 25 maart 2025.
Het college heeft op 11 juni 2025 op het beroep gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van het college. Per e-mail van 12 januari 2026 hebben eiseres en haar gemachtigde bericht dat ‘
zij niet ter zitting aanwezig zullen zijn’.

Beoordeling door de rechtbank

In deze procedure gaat het over de afwijzing van de aanvraag van 4 mei 2020 (gestart op 24 april 2020).
Standpunt van het college
3. Naar aanleiding van de eerdere uitspraken heeft het college opnieuw onderzoek verricht en op 25 maart 2025 het Rapport Aanvraag Levensonderhoud vastgesteld. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld of eiseres over de periode van 24 april 2020 tot en met 16 juni 2020 in bijstand behoevende omstandigheden heeft verkeerd. Onvoldoende is vast te stellen of eiseres over te weinig middelen beschikt om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Zo duiden de in- en aankopen bij Herbalife en de wisselende verklaringen hierover op werk en inkomen als onafhankelijk distributeur. Daarbij heeft het college verwezen naar de gesprekken met eiseres op 10 februari 2020 en 3 maart 2020. Verder is gewezen op de informatie uit de bankafschriften en verklaringen in het kader van het huidig onderzoek. Het college wijst daarbij onder meer op het volgende. Uit onderzoek is geconstateerd dat er enkel rechtstreeks bij Herbalife aankopen gedaan kunnen worden als onafhankelijk distributeur. Dit duidt mogelijk op werk en inkomen. U doet zeer weinig boodschappen voor een gezin met vier kinderen. De bestedingsbedragen aan boodschappen per dag én per maand zijn ver beneden de Nibudnormen. Onduidelijk is of er nog een andere geldstroom is waarmee u boodschappen doet of andere aankopen. U heeft in de maand mei 2020 en eerste helft juni 2020 amper tot geen boodschappen (of andere betalingen) gedaan. Onduidelijk is waarvan u heeft geleefd in die periode. U verklaart over de grote hoeveelheden cashopnames dat u dit teruggeeft aan uw ex-partner en hier geen boodschappen van te doen, omdat u boodschappen altijd pint.
U heeft verklaart dat de vader van de kinderen niet in de zorg/boodschappen bijdraagt.
Naar aanleiding van bovenstaande punten kan er onvoldoende worden aangenomen dat u in bijstandsbehoeftigde omstandigheden verkeert.
Beroepsgronden van eiseres
4. Eiseres heeft in het beroepsschrift het volgende aangevoerd:
“Eiseres is het niet eens met de beslissing op bezwaar. Eiseres is van mening dat op basis van de voorhanden zijnde informatie het recht op bijstand in de betreffende periode kan worden vastgesteld. Daarnaast meent eiseres dat het onderzoek, dat is verricht na de uitspraak van uw rechtbank en vóór het bestreden besluit onvolledig en onzorgvuldig is. Eiseres is ook ten onrechte niet gehoord voor het nemen van de beslissing op bezwaar. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.”Het oordeel van de rechtbank
5.1.
Het staat een bestuursorgaan vrij om in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de grondslag van een besluit te wijzigen. Dat is ook het geval indien, zoals in deze zaak, het bestuursorgaan na vernietiging van de beslissing op bezwaar een nieuw besluit op bezwaar moet nemen [1] .
5.2.
De rechtbank stelt vast dat waar het gaat om de inhoud van het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek door eiseres uitsluitend een standaard beroepsgrond is aangevoerd, namelijk dat het onderzoek ‘
onvolledig en onzorgvuldig’ is. Eiseres heeft daar geen enkele aanvulling op gegeven en is ook ter zitting niet verschenen om een toelichting te geven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het de rechtbank een raadsel waarop wordt gedoeld. Dit geldt eveneens voor de stelling dat het recht op bijstand zou kunnen worden vastgesteld, dit is evenmin toegelicht of onderbouwd.
De rechtbank heeft kennis genomen van het onderzoeksrapport van 25 maart 2025 en is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is verricht. Bij eiseres zijn stukken opgevraagd en er zijn haar vragen gesteld die zijn beantwoord. Vervolgens is in het rapport de ontvangen informatie beoordeeld en is de conclusie toegelicht. Het is daarbij niet gebleken dat er informatie ontbreekt of op onjuiste wijze is beoordeeld. Het bestreden besluit is gebaseerd op dit onderzoeksrapport, waarbij is gemotiveerd welke informatie tot de conclusie leidt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de onderhavige periode. De rechtbank kan dit volgen. Deze beroepsgronden kunnen dan ook niet slagen.
5.3.
Eiseres vermeldt in haar beroepsschrift verder dat zij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit. Het college heeft dit ter zitting bevestigd. Desgevraagd heeft het college verklaard dat eiseres uit praktisch oogpunt niet opnieuw is gehoord, eiseres het woord heeft gevoerd in de eerder gevoerde procedures en heeft een beroepsschrift ingediend. Het college heeft erop gewezen dat eiseres eerder al hierover was gehoord en dat in het kader van het huidige onderzoek tot tweemaal toe via haar gemachtigde de verzochte informatie is verkregen en vragen zijn beantwoord. Het is dan ook niet duidelijk wat eiseres nog had willen toevoegen, zij heeft er ook van afgezien hier te verschijnen.
5.4.
Artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht een bestuursorgaan om de belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord voor het definitieve besluit op bezwaar. In specifieke gevallen kan van horen worden afgezien (zie artikel 7:3 van Pro de Awb). Dat daarvan sprake was is in de onderhavige situatie gesteld noch gebleken.
5.5.
De hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Awb blijft ook gelden na een terugverwijzing door de rechter. De hoorplicht is immers bedoeld om het bestuursorgaan een volledig beeld te bieden van de feiten en standpunten, cruciaal voor een zorgvuldige heroverweging.
Het onderzoek, waarbij eiseres overigens niet (opnieuw) is gehoord over de bevindingen, heeft geleid tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar op een gewijzigde grondslag. Dat maakt dat er geen reden was om eiseres niet in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Door eiseres niet in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord alvorens tot het nemen van het besluit over te gaan, gaat het college voorbij aan het feit dat dit een fundamenteel recht is en een actieve plicht van het bestuursorgaan betreft. Het enkele feit dat zij ter zitting op de rechtbank zou kunnen worden gehoord is in dat kader in beginsel onvoldoende. Dat betekent dat de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Awb is geschonden.
5.6.
Omdat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, is het besluit dan ook in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Awb. Dit gebrek zal de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb passeren. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen (r.o. 3.2.) dat de overige beroepsgronden niet kunnen leiden tot een vernietiging van het besluit, omdat het onderzoek zorgvuldig is geweest en het besluit voldoende is gemotiveerd. Het is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat het alsnog horen van eiseres door het college tot een andere conclusie zal leiden. De rechtbank is van oordeel dat, ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Eiseres is door de schending van de hoorplicht niet benadeeld.
Het college heeft terecht de aanvraag van eiseres om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering afgewezen.
5.7.
Toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb vormt wel aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van eiseres in beroep.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
6.2.
In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college aan eiseres het griffierecht moet vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In het onderhavige geval bedraagt deze vergoeding een bedrag van € 934,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden, en
  • veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3122