Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Alkmaar , eiser
Samenvatting
Procesverloop
Totstandkoming van het besluit
Standpunt eiser
Standpunt Uwv
Beoordeling door de rechtbank
Tussen partijen is niet in geschil dat voor zover er door eiser werkzaamheden zijn verricht voor zijn (ex-)werkgever sprake is van een gezagsverhouding. Sinds het bestreden besluit II is ook niet meer in geschil dat eiser van 1 april 2023 tot en met de tweede week van september 2023 persoonlijk arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever en voor die arbeid, zij het slechts ten dele, loon heeft ontvangen. Wat wel in geschil is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid voor zijn (ex-)werkgever heeft verricht. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat uit het dossier blijkt dat eiser sinds het begin van zijn dienstverband alleen over de eerste drie maanden loonbetalingen van zijn (ex-)werkgever heeft ontvangen, te weten op 4 mei 2023 (€ 1.500,62), op 7 juni 2023 (€ 500,00) en op 8 juni 2023 (€ 300,00). Als eiser inderdaad tot en met 1 maart 2024 voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt, zoals hij stelt, zou dat betekenen dat eiser lange tijd voor zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt zonder dat hij daarvoor werd uitbetaald. Dat is mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk. Voorts acht de rechtbank, evenals het Uwv, van belang dat op de door eiser overgelegde afschriften van zijn bankrekeningen alleen dagelijkse betalingen van treinkaartjes, die overeenkomen met de door eiser aangegeven werkplaats en werktijden, tot en met de tweede week van september 2023 zijn te zien en eiser geen andere verifieerbare stukken of getuigenverklaringen heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij ook nadien werkzaamheden heeft verricht. De verklaring van eiser dat hij vanaf de tweede week van september 2023 van zijn (ex-)werkgever contant geld ontving waarmee hij treinkaartjes in de NS-automaat kocht in plaats van die kaartjes met zijn bankpas te betalen maakt dat niet anders.
Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook na de tweede week van september 2023 nog persoonlijke arbeid heeft verricht voor zijn (ex-)werkgever, is eveneens niet aannemelijk geworden dat hij vanaf die week tot en met 1 maart 2024 als werknemer in dienst van zijn (ex-)werkgever heeft gewerkt.
Op 3 december 2024 is de (ex-)werkgever van eiser failliet verklaard. Uit de bankafschriften van de (ex-)werkgever volgt onder meer dat door hem tot en met februari 2024 nog loon en/of fooi is betaald aan werknemers en dat er door hem tot en met april 2024 zakelijke rekeningen zijn betaald. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat de (ex-)werkgever in elk geval tot en met februari 2024 nog niet verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht.
Eisers standpunt dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat de door het Uwv opgevraagde bankafschriften van de (ex-)werkgever niet aan hem zouden zijn overgelegd, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat die afschriften aan eiser dan wel zijn gemachtigde zijn toegestuurd.
Voor wat betreft de eerste uitzonderingssituatie is het de rechtbank is niet gebleken dat er een onmiskenbare samenhang bestaat tussen de omstandigheden die hebben geleid tot het eindigen van de dienstbetrekking en de betalingsonmacht van de (ex-)werkgever. Hierbij acht zij van belang dat uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het enkele feit dat de financiële situatie van de (ex-)werkgever mogelijk al slecht was, onvoldoende is voor het aannemen van een duidelijke samenhang. Daarbij komt verder dat in het onderhavige geval vaststaat dat de (ex-)werkgever na het einde van eisers dienstbetrekking is doorgegaan met het betalen van (andere) werknemers en leveranciers. Niet is de rechtbank dan ook gebleken van een onmiskenbare samenhang.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 3.667,00;
- bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.