ECLI:NL:RBNHO:2026:2486

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11801929
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst webshopontwerp wegens tekortkomingen, factuurbetaling deels afgewezen

In deze zaak staat centraal of de opdrachtgever de factuur van de opdrachtnemer voor het ontwerpen van een webshop moet voldoen. De overeenkomst betrof het herontwerpen van de home- en productpagina, het ontwerpen van een logo en het drukken van stickers. De opdrachtnemer stuurde een factuur van € 2.007,38, die niet werd betaald.

De opdrachtgever stelde dat de website ondeugdelijk was opgeleverd, zonder haar toestemming live was gezet met foutieve informatie, en dat de opdrachtnemer tekortgeschoten was. Zij ontbond daarom de overeenkomst. De kantonrechter oordeelde dat de opdrachtgever bevoegd was tot ontbinding vanwege tekortkomingen en verzuim van de opdrachtnemer.

De ontbinding leidt ertoe dat de opdrachtgever de factuur voor het websiteontwerp niet hoeft te betalen, omdat de prestatie geen waarde had. Voor de autostickers moet wel betaald worden, inclusief wettelijke rente en beperkte incassokosten. De tegenvordering van de opdrachtgever tot schadevergoeding wegens herstelkosten, gemiste omzet en immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, maar de opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de opdrachtnemer. Het vonnis is gewezen door de kantonrechter en op 12 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De opdrachtgever hoeft de factuur voor het websiteontwerp niet te betalen wegens ontbinding, maar moet wel betalen voor de autostickers inclusief rente en beperkte incassokosten; de tegenvordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11801929 \ CV EXPL 25-2125 (rvk)
Vonnis van 12 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiser 2], vennoot van eiser sub 1,
te [plaats 2] ,
3.
[eiser 3], vennoot van eiser sub 1,
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
verwerende partijen tegen de tegenvordering,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M. Leung
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [naam]
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
eisende partij met een tegenvordering,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of de opdrachtgever de factuur van de opdrachtnemer voor het ontwerpen van een webshop moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet zo is omdat de opdrachtgever bevoegd was de overeenkomst te ontbinden omdat er sprake was van tekortkomingen. De opdrachtgever heeft op haar beurt geen recht op schadevergoeding vanwege de ontbinding.

2.De procedure

2.1.
[eisers] heeft bij dagvaarding van 18 juni 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en een tegenvordering ingesteld.
2.2.
[eisers] heeft schriftelijk geantwoord in de zaak van de tegenvordering.
2.3.
Op 13 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] met een brief van 28 december 2025 nog een aanvullend verweer ingediend.

3.De feiten

3.1.
[eisers] is een onderneming gespecialiseerd in marketing- en IT-diensten.
3.2.
[gedaagde] heeft een webshop voor de verkoop van konijnenhokken en aanverwante artikelen.
3.3.
Tussen [eisers] en [gedaagde] is een overeenkomst van opdracht gesloten voor het herontwerpen van de homepagina en productpagina van de webshop van [gedaagde] en het ontwerpen van een bewerkbaar logo en het ontwerpen en drukken van stickers. De overeenkomst is op 7 november 2024 tot stand gekomen door ondertekening van de offerte. Voor het herontwerpen van de homepagina en de productpagina is een prijs van € 1.500,- exclusief btw overeengekomen. Voor het ontwerpen, drukken en verzenden van de stickers is een prijs van € 158,99 exclusief btw overeengekomen. De totaalprijs van de aangeboden diensten bedroeg € 1.658,99 exclusief btw (€ 2.007,38 inclusief btw).
3.4.
[eisers] is op 30 november 2024 begonnen met de werkzaamheden voor het ontwikkelen van de website.
3.5.
[eisers] heeft op 13 december 2024 een factuur van € 2.007,38 gestuurd voor de uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald.
3.6.
Op 18 december 2024 heeft [eisers] de functionaliteiten van de nieuwe pagina’s getest, de site is toen ‘live’ gegaan.
3.7.
Op 21 december 2024 heeft [gedaagde] in een Whatsapp-bericht gemeld dat zij ‘op deze manier niet verder wil’, dat zij graag wil dat ‘alles teruggezet wordt naar hoe het was’ en dat zij ‘het er verder bij wil laten’.

4.Het geschil

de vordering
4.1.
[eisers] vordert betaling van € 2.416,42. [eisers] stelt daartoe dat [gedaagde] op grond van de overeenkomst van opdracht gehouden is de factuur van € 2.007,38 voor de uitgevoerde werkzaamheden te voldoen. Omdat [gedaagde] ook na herhaalde betaalverzoeken niet tot betaling is overgegaan heeft [eisers] haar incassogemachtigde ingeschakeld. [eisers] heeft daarom recht op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 301,11. Gelet op de te late betaling is [gedaagde] ook de wettelijke handelsrente van € 107,93 verschuldigd, gerekend tot 18 juni 2025.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vordering van [eisers] moet worden afgewezen. Volgens [gedaagde] is de website ondeugdelijk gebouwd en nooit werkend opgeleverd. Verder heeft [eisers] de website zonder toestemming van [gedaagde] live gezet waardoor foute prijzen, producten en voorwaarden op de site te zien waren. Omdat [eisers] dit niet kon of wilde herstellen, was [gedaagde] bevoegd de overeenkomst te ontbinden en daarom hoeft zij de factuur niet te betalen.
de tegenvordering
4.3.
[gedaagde] vordert betaling van € 4.550,-. [gedaagde] stelt daartoe dat [eisers] is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst en dat zij daardoor schade heeft geleden. De schade bestaat volgens [gedaagde] daaruit dat zij (1) haar webshop heeft moeten herstellen en corrigeren. Dat heeft haar 40 uur gekost. Tegen een uurtarief van € 40,- komt dat neer op een schadepost van € 1.600,-. [gedaagde] heeft (2) ook tijd moeten besteden aan het voorbereiden en opstellen van het verweer in deze zaak, daarmee was 30 uur gemoeid. Tegen een uurtarief van € 40,- komt dat neer op een schadepost van € 1.200,-. Ook heeft [gedaagde] (3) schade geleden door gemiste omzet door de onjuiste en voortijdige livegang. Dat omzetverlies begroot [gedaagde] op € 1.000,-. En tot slot (4) heeft [gedaagde] immateriële schade geleden als gevolg van stress. Deze schade wordt begroot op € 750,-.
4.4.
[eisers] voert verweer. [eisers] is niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Bovendien heeft [gedaagde] geen redelijke termijn gesteld om de vermeende tekortkomingen te herstellen, zodat er geen sprake is van verzuim. En tot slot betwist [eisers] het bestaan, althans de aard en de omvang van de schade.

5.De beoordeling

de vordering
5.1.
De kantonrechter vat de mededeling in het Whatsapp-bericht van [gedaagde] van 21 december 2024 aan [eisers] dat zij ‘niet verder wil’ en ‘het erbij wil laten’ op als een beroep op de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot de werkzaamheden voor de webshop.
5.2.
Beoordeeld moet dus worden of [gedaagde] mocht overgaan tot die ontbinding. Volgens de kantonrechter mocht [gedaagde] daar inderdaad toe overgaan. Dit betekent dat zij het grootste deel van de factuur niet hoeft te betalen. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
website en webshop
5.3.
[eisers] heeft voor het ontwerpen en bouwen van de website en de webshop (hierna ook: website) een bedrag van € 1.500,- exclusief btw (€ 1.815,- inclusief btw) in rekening gebracht. [gedaagde] vindt dat ze dat bedrag niet hoeft te betalen omdat [eisers] het werk niet goed heeft uitgevoerd, fouten heeft gemaakt en zich niet aan de afspraken heeft gehouden. Zij heeft daarom de overeenkomst ontbonden. [gedaagde] heeft als toelichting gegeven dat [eisers] haar ‘nieuwe’ website, zonder aankondiging, ‘live’ heeft gezet waardoor deze voor iedereen te zien en te bezoeken was. Dat is volgens [gedaagde] niet alleen in strijd met de afspraak dat zij voordat de website ‘live’ zou gaan eerst haar akkoord zou mogen geven, maar ook stond er foute informatie over prijzen en bezorgmogelijkheden en stonden er verkeerde foto’s op de website.
5.4.
[eisers] betwist dat de website in strijd met de afspraken live is gezet. [eisers] heeft op de zitting toegelicht dat van tevoren is besproken dat de werkzaamheden in drie fases zouden worden uitgevoerd. Eerst zou er een ontwerp worden gemaakt en [gedaagde] zou haar commentaar mogen leveren en er zouden eventueel aanpassingen kunnen worden gedaan. Na akkoord van [gedaagde] zou dan worden overgegaan tot het bouwen van de website, het testen daarvan en daarna zou de site ‘live’ gaan. [eisers] heeft ook gezegd dat zij akkoord heeft gekregen van [gedaagde] op de revisie en dat zij daarna de site ‘live’ heeft gezet als test en dat is geheel volgens de afspraken aldus [eisers] .
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat is overeengekomen dat zij de website zou mogen bekijken en dat haar goedkeuring nodig was voordat de website live zou gaan. Dit wordt ondersteund door de Whatsapp-berichten van 18 december 2024 van [eisers] ‘
die had nog helemaal niet live gemogen namelijk’ en
‘Het overgaan naar de nieuwe site had nog niet meteen gemoeten omdat het nog niet geheel functioneel is. Door een fout is hij toch overgegaan wat we nu dus merken’. Daarbij komt dat het ook een logische gang van zaken is dat een klant de mogelijkheid krijgt om een ontworpen website te bekijken en opmerkingen te maken voordat deze live gaat. Die mogelijkheid is [gedaagde] echter niet geboden.
5.6.
Partijen zijn het er over eens dat het probleem hem er in zat dat de site na de test, die normaal 10 tot 15 minuten duurt, niet meer offline ging door een softwarefout en dat dit probleem deels niet meer terug te draaien viel. [eisers] heeft wel gezegd dat de oude site weer is teruggezet en alle fouten zijn hersteld, maar zij heeft dat onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld met berichten, documenten of schermafbeeldingen. Daarbij komt dat [eisers] zich ook op het standpunt stelt dat haar de toegang tot de website werd ontzegd en het haar daardoor onmogelijk werd gemaakt om nog langer aanpassingen te doen. Dat standpunt valt moeilijk te rijmen met de stelling dat de oude site was teruggezet en alle fouten waren hersteld.
5.7.
Het komt er op neer dat [eisers] geen gehoor heeft gegeven aan de afspraak om de website eerst te laten goedkeuren door [gedaagde] en dat vervolgens de website live is gegaan, waarna die livegang niet ongedaan te maken viel. Met name het gegeven dat er foute informatie en foto’s op de website stonden, maakt dat er sprake is van een tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt.
5.8.
Voor de ontbinding is echter wel noodzakelijk dat [eisers] in verzuim verkeerde. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat [gedaagde] , nadat zij ontdekte wat er aan de hand was, meerdere keren aan [eisers] heeft gevraagd de site weer offline te halen en de webshop weer in de oude situatie te herstellen. [eisers] heeft dat niet gedaan, maar heeft de nieuwe website proberen aan te passen, echter dat is niet wat er had moeten gebeuren.
5.9.
Dit betekent dat [gedaagde] op 21 december 2024 bevoegd kon overgaan tot het ontbinden van de overeenkomst. Dat betekent in deze zaak het volgende.
5.10.
De ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover hieraan al is voldaan, ontstaat een verbintenis tot ongedaan-making van de reeds ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW Pro). Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272 lid 1 BW Pro). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op het tijdstip van de ontvangst werkelijk heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW Pro).
5.11.
Hiervoor is al overwogen dat de prestatie van [eisers] niet aan de verbintenis heeft beantwoord. Gesteld noch gebleken is dat de prestatie van [eisers] enige waarde heeft gehad voor [gedaagde] . Deze wordt daarom vastgesteld op nihil. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] geen vergoeding is verschuldigd voor de door [eisers] verrichte prestaties wat betreft de website en webshop. Het voorgaande betekent ook dat [gedaagde] het door [eisers] gevorderde bedrag van € 1.815,- (inclusief btw) aan hoofdsom, dat door [gedaagde] ter zake de website en webshop onbetaald is gelaten, niet is verschuldigd.
autostickers
5.12.
Waar het gaat om de autostickers ligt het anders. Die zijn goed en [gedaagde] erkent dat zij daarvoor moet betalen, maar zij wil daarvoor eerst een aparte factuur ontvangen want, zo heeft zij op de zitting gezegd, die heeft zij nodig voor haar boekhouding. [gedaagde] heeft echter niet uitgelegd waarom dat nodig is voor haar boekhouding. De kantonrechter constateert dat op de factuur een apart bedrag staat vermeld voor het ontwerpen, drukken en verzenden van de autostickers (€ 192,38). Zonder nadere uitleg kan de kantonrechter [gedaagde] niet volgen in haar standpunt dat zij er belang bij heeft om een aparte factuur te ontvangen. De vordering zal dan ook worden toegewezen en omdat [gedaagde] te laat is met betalen, moet zij ook de wettelijke handelsrente betalen.
buitengerechtelijke incassokosten
5.13.
[eisers] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten toewijzen tot een bedrag van € 40,-. Dit is namelijk het (minimum)bedrag dat op grond van het Besluit voor vergoeding buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar is, gelet op de toegewezen hoofdsom van € 192,38. Overigens is dit minimumbedrag ook verschuldigd zonder dat [eisers] hoeft aan te tonen dat incassokosten zijn gemaakt, omdat sprake is van een handelsovereenkomst.
proceskosten
5.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
de tegenvordering
5.15.
Beoordeeld moet worden of [eisers] een schadevergoeding aan [gedaagde] moet betalen vanwege de tekortkomingen. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet zo is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
herstel- en correctiewerk webshop € 1.600,-
5.16.
[gedaagde] stelt dat zij 40 uur is kwijt geweest aan het herstellen en corrigeren van de webshop en dat dat haar per uur € 40,- heeft gekost. Maar zij heeft niet toegelicht hoe zij bij die 40 uur komt en ook niet hoe zij op een uurtarief van € 40,- komt. De opmerking van [gedaagde] dat zij door de technische fouten, verkeerde content en systemen zelf correctiewerk heeft moeten verrichten is onvoldoende. Dit betekent dat haar vordering op dit punt wordt afgewezen.
voorbereiding en opstellen verweer € 1.200,-
5.17.
[gedaagde] vordert een vergoeding voor het voorbereiden en opstellen van een verweerschrift. Deze vergoeding zal worden afgewezen om dat de kosten gemoeid met het voorbereiden en opstellen van een verweerschrift worden geacht te zijn begrepen in de proceskosten.
gemiste omzet door onjuiste voortijdige livegang € 1.000,-
5.18.
[gedaagde] stelt dat zij schade heeft geleden doordat de website gedurende de feestdagen niet representatief en functioneel was en dat dit aantoonbaar heeft geleid tot omzetverlies door gemiste klanten en bestellingen. [gedaagde] heeft op de zitting echter gezegd dat er eigenlijk geen gevolgen waren vanwege de kerstperiode en omdat klanten haar meestal bellen voordat zij een bestelling plaatsen, zodat de foutieve informatie eigenlijk niet tot het wegvallen van orders heeft geleid. [gedaagde] heeft op deze manier de gemiste omzet onvoldoende concreet gemaakt en daarom zal haar vordering op dit punt worden afgewezen.
immateriële schade € 750,-
5.19.
[gedaagde] heeft recht op vergoeding van immateriële schade als zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op een andere manier in haar persoon is aangetast. Het ervaren van aanzienlijke stress kan op zich als immaterieel nadeel worden beschouwd, maar dit moet dan zo ernstig zijn dat het geestelijk letsel oplevert, waardoor sprake is van een ‘aantasting in de persoon’. De kantonrechter begrijpt dat de problemen met de website vervelend zijn geweest voor [gedaagde] en voor stress hebben gezorgd, maar Robbersten heeft niet onderbouwd of aangetoond met bijvoorbeeld medische gegevens dat zij zodanige stress heeft ervaren dat er sprake is van geestelijk letsel dat het een aantasting in de persoon oplevert. De vordering van [gedaagde] tot vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.
5.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
288,00
(1 punt × € 288,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
331,50
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
de vordering
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 192,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 januari 2025 tot de dag van betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 40,-,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
de tegenvordering
6.5.
wijst de vordering af,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 331,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.