AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Jeugdstraf voor poging zware mishandeling, bedreiging en diefstallen met geweld met verminderde toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die meerdere strafbare feiten pleegde, waaronder poging zware mishandeling met een machete, bedreiging met geweld, diefstallen met geweld en overtreding van de leerplichtwet. De feiten vonden plaats tussen oktober 2024 en december 2025 in Purmerend en omgeving.
De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een licht verstandelijke beperking, vastgesteld in een psychologisch rapport. Dit leidde tot een strafvermindering. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder meer met een machete het slachtoffer meerdere malen sloeg en bedreigde, en dat hij samen met een ander een diefstal met geweld pleegde. De overtreding van de leerplichtwet werd eveneens bewezen verklaard.
De rechtbank legde een jeugddetentie van 90 dagen op, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 20 uur. Aan het voorwaardelijke deel werden strenge bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een locatiegebod, contactverboden en verplichtingen tot dagbesteding en hulpverlening. De rechtbank wees vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding af wegens procedurele tekortkomingen.
De strafoplegging houdt rekening met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke problematiek. De rechtbank benadrukte het belang van behandeling en begeleiding om recidive te voorkomen en de sociale vaardigheden van de verdachte te verbeteren.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen jeugddetentie (62 voorwaardelijk) en 20 uur werkstraf met bijzondere voorwaarden vanwege poging zware mishandeling, bedreiging en diefstallen met geweld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] ;
- de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] , [de benadeelde partij 6] en [de benadeelde partij 7] ;
- hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. C, Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht;
- hetgeen namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) door [vertegenwoordiger van de raad] naar voren is gebracht;
- hetgeen namens de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] naar voren is gebracht;
- hetgeen door de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
1.Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer: 15-304655-25
hij op of omstreeks 11 november 2025 te Purmerend [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting door die [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik blaas morgen je huis op, ik plaats een bom bij je huis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Parketnummer: 15-353788-25:
Feit 1hij op of omstreeks 30 december 2025 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met een machete heeft gestoken en/of heeft geslagen in/tegen de hand van die [de benadeelde partij 3] en/of een of meerdere malen stekende bewegingen heeft gemaakt richting het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 december 2025 te Purmerend [de benadeelde partij 3] heeft mishandeld, door een of meerdere malen in/tegen de hand van die [de benadeelde partij 3] te steken en/of te slaan met een machete;
Feit 2hij op of omstreeks 30 december 2025 te Purmerend [de benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door stekende bewegingen te maken met een machete in de richting van die [de benadeelde partij 3] en te roepen: "Ik steek je broer, ik steek je op je kankerkop" en "ik ga je steken", althans woorden van gelijkende strekking.
Parketnummer 15-271642-25:
hij op of omstreeks 31 januari 2025 op het schoolplein van het [College] College aan de [straat] te Purmerend - een fatbike (merk: AGM), toebehorende aan [de benadeelde partij 4] ; - een fatbike (merk: Ouxi), toebehorende aan [de benadeelde partij 5] , in elk geval enig goed, dat in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 15-231935-25:
hij, op of omstreeks 29 april 2025 te Purmerend, openlijk of op aan de openbare weg, te weten de [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een briefje van 10 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [de benadeelde partij 8] een of meerdere malen van achter bij zijn nek en/of hals (strak) vast te pakken en/of; - een of meerdere malen op dwingende toon de woorden toe te voegen: "geef die 10 euro" en/of "geef het geld" en/of; - het geld uit de handen van die [de benadeelde partij 8] te pakken;
Parketnummer: 15-231092-25:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 oktober 2024 tot en met 14 maart 2025 te Purmerend, althans in Nederland als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.
2.Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer: 15-353788-25:
Wat betreft de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling heeft de verdediging vrijspraak bepleit.
De verdachte heeft geen vol opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer [de benadeelde partij 3] . Ook van opzet in voorwaardelijke zin is geen sprake. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen stellen dat er door het handelen van de verdachte (naar de uiterlijke verschijningsvorm) sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.
De gedragingen van de verdachte waren meer bedreigend van aard; hij werd opgejut en reageerde uit boosheid. Hij heeft niet gestoken in de richting van vitale organen van het slachtoffer. De verdachte heeft zwaaiende/schampende bewegingen gemaakt met de machete. De schade aan de jas van het slachtoffer past hier ook bij; sneeën in een jas ontstaan makkelijk door slaan met een machete. Er is geen letselverklaring en het zichtbare letsel bij het slachtoffer is zeer beperkt.
Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging van het slachtoffer [de benadeelde partij 3] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de woorden ‘ik steek je in je kankerkop’ heeft gebruikt.
Parketnummer 15-231935-25:
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging.
Het dossier bevat voldoende wettig bewijs, maar het ontbreekt aan de overtuiging dat de verdachte bij de diefstal met geweld aanwezig is geweest. De verdachte ontkent al vanaf
zijn aanhouding door de politie dat hij erbij betrokken is geweest. Deze verklaring kan als betrouwbaar worden beschouwd, gelet op het feit dat de verdachte in andere zaken
wel een bekennende verklaring heeft afgelegd.
Daarbij is de verdachte door de politie niet aangetroffen op de plaats van het delict. Alleen
[naam] is hier door de politie aangetroffen. De verdachte was bij de Jumbo toen de diefstal met geweld werd gepleegd.
Overige parketnummers:
Wat betreft de overig ten laste gelegde feiten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Nadere bewijsoverwegingen
Parketnummer: 15-353788-25 feit 1 primair:
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er door het handelen van
de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijke opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer [de benadeelde partij 3] .
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte met een machete van ongeveer 40 centimeter lang en met scherpe kartels het slachtoffer meerdere malen heeft geslagen, waarvan minimaal eenmaal met kracht, en stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer. De verdachte stond hierbij op zeer korte afstand van het slachtoffer. De verdachte is vervolgens - zo heeft hij op de zitting verklaard - achter het slachtoffer aangerend toen het slachtoffer probeerde te ontkomen, en heeft hierbij wederom stekende bewegingen gemaakt in de richting van het slachtoffer.
Het slachtoffer heeft letsel aan zijn hand (een snijwond) opgelopen toen hij de machete
probeerde af te weren. De schade aan de jas van het slachtoffer wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat de verdachte min of meer in het wilde weg heeft geslagen of stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer. Zijn jas is op diverse plaatsen beschadigd, te weten aan de onderkant van zijn linker mouw nabij zijn pols en hand, waar zich belangrijke zenuwen en een slagader bevinden, en verder aan de rechterkant van zijn oksel, de onderkant, het midden en de achterzijde van de jas.
Door op deze manier te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel
zou kunnen ontstaan bij het slachtoffer.
Dat het slachtoffer mogelijk werd uitgedaagd, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet hieraan niets af.
Hiermee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer [de benadeelde partij 3] .
Parketnummer 15-231935-25:
Op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt
aan een diefstal met geweld.
De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van het slachtoffer [de benadeelde partij 8] en de getuige, het broertje van het slachtoffer. De rechtbank gaat van de juistheid van deze verklaringen uit.
Daarbij stelt de rechtbank vast dat de verklaring van het slachtoffer dat de verdachte een bonnet op zijn hoofd droeg ten tijde van het ten laste gelegde feit wordt ondersteund doordat de verdachte zelf ook heeft verklaard die dag een bonnet te hebben gedragen.
De verdachte is aan de hand van zijn bonnet direct na de diefstal met geweld in een winkel aangesproken door de moeder van het slachtoffer, en bleek toen inderdaad een briefje van 10 euro, zoals volgens aangever en zijn broertje van hem afgenomen, bij zich te hebben. De rechtbank schuift de verklaring van de verdachte dat hij niet meer aanwezig was bij de voetbalkooi tijdens de diefstal met geweld en het geldbiljet in de winkel als verjaardagskado had gekregen als ongeloofwaardig ter zijde.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte alle (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer: 15-304655-25
hij op 11 november 2025 te Purmerend [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, door die [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik blaas morgen je huis op, ik plaats een bom bij je huis".
Parketnummer: 15-353788-25:
Feit 1hij op 30 december 2025 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een machete heeft geslagen tegen de hand van die [de benadeelde partij 3] en meerdere malen stekende bewegingen heeft gemaakt richting het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
Feit 2hij op 30 december 2025 te Purmerend [de benadeelde partij 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, door stekende bewegingen te maken met een machete in de richting van die [de benadeelde partij 3] en te roepen: "Ik steek je broer, ik steek je op je kankerkop" en "ik ga je steken".
Parketnummer 15-271642-25:
hij op 31 januari 2025 op het schoolplein van het [College] College aan de [straat] te Purmerend: - een fatbike (merk: AGM), toebehorende aan [de benadeelde partij 4] ; - een fatbike (merk: Ouxi), toebehorende aan [de benadeelde partij 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Parketnummer 15-231935-25:
hij op 29 april 2025 te Purmerend, op de openbare weg, te weten de [straat] , tezamen en in vereniging met een ander, een briefje van 10 euro, dat
geheel aan [de benadeelde partij 8] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - die [de benadeelde partij 8] van achter bij zijn nek en hals (strak) vast te pakken en; - meerdere malen op dwingende toon de woorden toe te voegen: "geef die 10 euro" en "geef het geld" en; - het geld uit de handen van die [de benadeelde partij 8] te pakken.
Parketnummer: 15-231092-25:
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 14 maart 2025 te Purmerend, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl hij als leerling aan een school, te weten [school] stond ingeschreven, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer: 15-304655-25:
bedreiging waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen bestaat, met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting.
Parketnummer: 15-353788-25 feit 1 en 2:
De eendaadse samenloop van:
een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
en
bedreiging met zware mishandeling
Parketnummer 15-271642-25:
Diefstal, meermalen gepleegd.
Parketnummer 15-231935-25:
Diefstal, vergezeld van geweld, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Parketnummer: 15-231092-25:
Als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5.Strafbaarheid van de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan
de verdachte kunnen worden toegerekend en neemt hierbij het volgende in overweging.
Om tot verminderde toerekenbaarheid in de zin van artikel 39 WetboekPro van Strafrecht te kunnen komen, moet sprake zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte, een causaal verband tussen deze stoornis of gebrekkig ontwikkeling en de bewezenverklaarde feiten én moet de ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling zodanig van aard zijn dat deze aan volledig of gedeeltelijk aan de toerekening van de bewezenverklaarde feiten in de weg staat.
De rechtbank heeft zich bij de beoordeling gebaseerd op de rapportage van het psychologisch onderzoek van de verdachte van 5 februari 2026, opgesteld door [orthopedagoog en gedragsdeskundige] , Orthopedagoog en gedragsdeskundige bij de Raad, en [orthopedagoog in opleiding] , orthopedagoog in opleiding, stagiair gedragsdeskundige bij de Raad.
Het psychologisch onderzoeksrapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte functioneert op een zeer laag intelligentieniveau en heeft moeite met
het inzetten van adaptieve vaardigheden, zowel op praktisch als sociaal gebied. Er kan daarom gesteld worden dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. Op verschillende domeinen van vaardigheden (conceptueel, praktisch en sociaal) functioneert de verdachte op een leeftijd van rond de 5 á 6 jaar oud. De verdachte kan door zijn verstandelijke beperking niet flexibel inspelen op wat een nieuwe situatie van hem vraagt en hij zal dan terugvallen op oude gedragspatronen.
Door het beperkte vermogen om te reflecteren, is het voor de verdachte lastiger om boosheid of heftige emoties aan te voelen komen en heeft hij een beperkt vermogen tot zelfsturing. In de strategieën waar de verdachte gebruik van maakt om (sociale) probleemsituaties op te lossen is zichtbaar dat hij over weinig verschillende oplossingsmogelijkheden beschikt.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij de verdachte sprake is van
een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Gelet op de aard hiervan kan
het niet anders dan dat de licht verstandelijke beperking aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op onder meer de beperkte mogelijkheden van de verdachte tot zelfsturing, staat zijn licht verstandelijke beperking naar het oordeel van de rechtbank aan volledige toerekening van de bewezenverklaarde feiten in de weg.
Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit, is de verdachte wel strafbaar.
6.Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van twee jaar. Hieraan dienen te worden gekoppeld de door de Raad geadviseerde (en ter zitting aangevulde) bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie acht het niet in het belang van de verdachte dat hij teruggaat
naar de jeugdgevangenis, maar een strak kader is wel noodzakelijk om te voorkomen dat
de verdachte opnieuw met bepaalde criminele groeperingen in aanraking komt en om recidive te voorkomen.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 60 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.
De duur van de werkstraf is gelet op het volle dagprogramma van de verdachte wellicht
aan de hoge kant, maar gelet op de ernst van de feiten en de richtlijnen voor straftoemeting, is een lagere werkstraf niet passend. Bij de strafeis heeft de officier van justitie de leerplichtwet-zaak bewust niet meegewogen en buiten beschouwing gelaten.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit om conform artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen.
Een straf heeft geen meerwaarde, omdat er bij vonnis van 10 september 2025 al een
groot aantal bijzondere (strenge) voorwaarden aan de verdachte is opgelegd, waarvan
hij nog niet goed heeft kunnen profiteren. De verdachte start op korte termijn pas met de opgelegde leerstraf SoCool.
Ook is artikel 63 SrPro van toepassing. Een deel van de ten laste gelegde feiten is gepleegd
vóór de veroordeling op 10 september 2025. Als deze feiten destijds waren meegenomen,
dan had dit waarschijnlijk niet geleid tot een andere straf.
Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte als gevolg van zijn licht verstandelijke beperking en met het feit dat er in het civiele kader een uithuisplaatsing boven zijn hoofd hangt. Als deze maatregel er komt dan heeft een straf geen toegevoegde waarde meer. Een uithuisplaatsing zou voor de verdachte als de meest zware straf aanvoelen.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit om een voorwaardelijke werkstraf aan de verdachte op te leggen. Jeugddetentie is niet de juiste strafmodaliteit, ook niet in voorwaardelijke vorm. De ontwikkeling en behandeling van de verdachte zal ongetwijfeld gepaard gaan met vallen en opstaan. Als het vervolgens tot een vordering tenuitvoerlegging komt, dan zal de verdachte alsnog in jeugddetentie kunnen komen.
Wat betreft de bijzondere voorwaarden is bepleit om het contactverbod te beperken tot de slachtoffers en de medeverdachte en het aan de jeugdreclassering over te laten met welke vrienden de verdachte wel of geen contact mag hebben.
Tot slot is bepleit om het locatiegebod te beperken tot maximaal zes maanden, gelet op de strenge bijzondere voorwaarden waar de verdachte al sinds mei 2025 in loopt.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft
de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten
en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals
uit de hieronder te noemen persoonsrapportages en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere stafbare feiten, die gepaard zijn gegaan met geweld of bedreiging (met geweld).
Bij de poging zware mishandeling heeft de verdachte met een grote machete met scherpe kartels, stekende en zwaaiende bewegingen gemaakt richting het slachtoffer, terwijl hij dichtbij hem stond en daarna terwijl hij achter het slachtoffer aanrende. Het slachtoffer heeft geprobeerd om de machete af te weren, waardoor hij een snijwond aan zijn hand heeft opgelopen. Zijn jas is op meerdere plaatsen gescheurd, ook bij de pols. Dit is een plek waar zich belangrijke zenuwen en een slagader bevinden. Het had dan ook veel slechter kunnen aflopen. Dit soort ongecontroleerd agressief gedrag met een heel gevaarlijk wapen is onacceptabel. De rechtbank acht het voorstelbaar dat dit impact op het slachtoffer heeft gehad en gevoelens van angst bij hem heeft veroorzaakt.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij hij het slachtoffer in een nekklem heeft gehouden om hem, samen met een ander, geld afhandig te maken. Dit zal ongetwijfeld beangstigend voor het slachtoffer zijn geweest. Ook de bedreigingen waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt hebben gevoelens van angst bij de slachtoffers veroorzaakt.
Dergelijke feiten hebben ook impact op omstanders/getuigen en op het algehele gevoel van veiligheid in de maatschappij wanneer de gebeurtenissen in het nieuws komen of wanneer men hiervan door de omgeving op de hoogte wordt gesteld.
De diefstal van twee fatbikes heeft weliswaar geen geestelijke gevolgen gehad voor de slachtoffers, maar heeft wel veel praktisch ongemak en financiële schade veroorzaakt.
De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan overtreding van de leerplichtwet. Hiermee zal de rechtbank, in navolging van de officier van justitie, bij de strafoplegging geen rekening houden, mede omdat dit feit volledig voort lijkt te komen uit de persoonlijke problematiek van de verdachte, zoals hieronder zal worden omschreven.
Strafblad van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam
van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij recent (op 10 september 2025) is veroordeeld voor meerdere straatroven en diefstal. Een deel van de nu bewezenverklaarde feiten vond plaats na dit vonnis.
Persoonsrapportages
De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, zoals omschreven onder 5 van dit vonnis.
Uit het psychologisch onderzoek komt verder naar voren dat, gelet op de verstandelijke beperking van de verdachte en het verschil in zijn verbale intelligentie
en verwerkingssnelheid, het risico groot is dat hij wordt overschat. De verdachte heeft, passend bij zijn mogelijkheden en beperkingen, intensieve en individuele hulp nodig om zijn sociale weerbaarheid en zijn praktische en cognitieve vaardigheden te vergroten. Dit door een organisatie die gespecialiseerd is in jongeren met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen. Daarnaast wordt het van belang geacht dat de verdachte onderwijs/dagbesteding krijgt die aansluit bij zijn mogelijkheden, waardoor hij succeservaringen kan opdoen.
Uit de rapportage van de Raad van 16 februari 2026 komt onder meer naar voren dat het risico op recidive bij de verdachte hoog is en zijn coping vaardigheden beperkt zijn. De verdachte is hierdoor kwetsbaar voor (negatieve) beïnvloeding door anderen, waardoor hij beperkt weerbaar is. De verdachte heeft moeite om ‘nee’ te zeggen tegen anderen. Ook lijkt hij onvoldoende in te zien welke situaties ervoor zorgen dat hij in de problemen komt. Voor de verdachte is het verder moeilijk om zich afspraken te herinneren en na te komen en de gevolgen van zijn gedrag te overzien. De verdachte heeft duidelijke kaders nodig om te voorkomen dat hij opnieuw in de problemen komt.
Als zogenaamde ‘stok achter de deur’ acht de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie passend. De verdachte lijkt hiervoor gevoelig te zijn, hij wil absoluut niet opnieuw in detentie terecht komen.
Hoewel de verdachte al een druk programma heeft door de veelheid aan hulpverlening en dagbesteding, is het volgens de Raad ook belangrijk dat hij nog een consequentie ervaart van zijn gedrag in de vorm van een (in uren beperkte) werkstraf.
De Raad heeft in de rapportage en met aanvulling op de terechtzitting, geadviseerd om de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden aan een voorwaardelijk strafdeel:
* de verdachte heeft een passende vorm van dagbesteding gedurende vijf dagen per week,
in de vorm van werk en/of school, zoals de zorgsportschool, School2Care of soortgelijke instelling, waarbij hij wordt gehaald en gebracht, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
* de verdachte dient mee te werken aan een locatiegebod van maandag tot en met vrijdag van 18:00 uur tot 07:00 uur, op zijn huisadres, waarbij hij onder regie van de jeugdreclassering meer vrijheden kan verdienen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximum termijn van zes maanden;
* de verdachte houdt zich in het weekend gedurende de hele dag aan een locatiegebod op zijn huisadres, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zijn huis mag verlaten onder begeleiding van een door de jeugdreclassering aangewezen volwassene, met een maximale termijn van zes maanden;
* de verdachte dient mee te werken aan hulpverlening zoals Boxmind of een soortgelijke vorm van hulpverlening, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* de verdachte dient inzicht te geven in zijn sociale contacten/sociaal netwerk;
* de verdachte wordt verboden om direct of indirect contact op te nemen met de slachtoffers, en de medeverdachten;
* de verdachte wordt verboden om direct of indirect contact op te nemen met [naam] en [naam] (beiden vrienden van de verdachte), zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij de bevindingen en het advies van de Raad. De verdachte heeft veel externe motivatie nodig
om zich aan de afspraken te houden en recidive te kunnen voorkomen. Het is belangrijk dat hij zich gedurende zijn behandeltraject zoveel mogelijk op zichzelf kan richten, zonder negatieve beïnvloeding door derden. In dit kader is ook een contactverbod met bepaalde vrienden van verdachte wenselijk.
De straf
Samengevat houdt de rechtbank in het nadeel van de verdachte rekening met de ernst
en hoeveelheid van de strafbare feiten, de gevolgen hiervan voor de slachtoffers, zijn
recente eerdere veroordeling en het hoge risico op recidive.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, zijn jonge leeftijd en het feit dat aan hem al sinds mei 2025
– in het kader van de eerdere veroordeling en een schorsing – strenge bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. De focus dient te komen liggen op de behandeling
en dagbesteding van de verdachte.
Daarnaast is ten aanzien van de poging zware mishandeling en bedreiging gepleegd
op 30 december 2025 sprake van eendaadse samenloop en is artikel 63 SrPro van toepassing. Drie van de vijf bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd vóór de eerdere strafoplegging en hadden destijds meegenomen kunnen worden. Ook is de verdachte nog niet begonnen met zijn eerder opgelegde leerstraf SoCool, zodat hij hier nog niet van heeft kunnen profiteren.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte 90 dagen jeugddetentie opleggen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee
jaar. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis.
Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden
zoals de Raad in de rapportage en op de zitting heeft geadviseerd. Ook een contactverbod
met [naam] en [naam] , twee zogenaamde vrienden van
de verdachte, acht de rechtbank hierbij noodzakelijk, gelet op het feit dat hij zeer gevoelig is voor negatieve invloed van buitenaf en moeilijk kan inschatten wie er wel en niet het beste met hem voor heeft.
Daarnaast acht de rechtbank het belangrijk dat de verdachte een straf krijgt en ervaart voor zijn gedragingen. Daarom zal aan de verdachte worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 20 uur.
Dit is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in belangrijke
mate rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte
en de belasting van de bijzondere voorwaarden die aan hem zullen worden opgelegd.
7.Vorderingen benadeelde partij
Parketnummer 15-271642-25
De benadeelde partij [de benadeelde partij 5] heeft namens haar minderjarige dochter een vordering tot schadevergoeding van € 1.225,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde diefstal zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De benadeelde partij [de benadeelde partij 6] heeft namens haar minderjarige zoon een vordering
tot schadevergoeding van € 3.618,46 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (€ 2.118,46) en immateriële schade (€ 1.500,00) die hij als gevolg van de ten laste gelegde diefstal zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft wat betreft de benadeelde partij [de benadeelde partij 5]
gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente,
maar zonder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte was 13 jaar ten tijde van de diefstal, waardoor niet hij maar zijn moeder in juridische zin geacht wordt aansprakelijk te worden gesteld voor de door de benadeelde partij geleden schade.
Wat betreft de benadeelde partij [de benadeelde partij 6] heeft de officier van justitie gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de raadsman
Gelet op het feit dat de verdachte 13 jaar was ten tijde van de diefstal van twee fitbikes,
kan hij niet verantwoordelijk worden gehouden voor de door de benadeelde partijen geleden schade. De moeder is hiervoor als gezaghebbende ouder in juridische zin aansprakelijk, maar de raadsman treedt niet namens de moeder op. De vorderingen hadden gericht moeten zijn tegen de moeder en de moeder had in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich tegen de vorderingen te kunnen verweren, al dan niet met rechtsbijstand.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben op gedragingen van een minderjarige die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. Gelet hierop worden de vorderingen op grond van artikel 51g vierde lid van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn ingediend tegen de gezaghebbende ouder van de verdachte, in dit geval de moeder.
Zoals artikel 496 lid 4 vanPro het Wetboek van Strafvordering voorschrijft, dient de moeder
in de gelegenheid te worden gesteld om verweer te voeren tegen de vorderingen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan.
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn niet gericht tegen de moeder, waardoor zij hier niet van op de hoogte was en niet in de gelegenheid is geweest om zich voorafgaand aan de zitting te verweren, al dan niet met rechtsbijstand.
Ook op de zitting is het voor de moeder niet mogelijk geweest om zich uit te laten over de vorderingen. De moeder is de Nederlandse taal niet machtig en er kon bij het bespreken van de vorderingen geen tolk voor haar aanwezig zijn.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] en [de benadeelde partij 6] , niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vorderingen.
De benadeelde partijen hebben de mogelijkheid om via een civiele procedure de geleden schade alsnog proberen te verhalen.
Parketnummer 15-231935-25
De benadeelde partij [de benadeelde partij 7] heeft namens haar minderjarige zoon [de benadeelde partij 8] een vordering tot schadevergoeding € 1.225,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde diefstal met geweld zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering dan wel tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering
tot een bedrag van € 800,00 voor materiële schade, gebaseerd op de Rotterdamse schaal, vermeerderd met de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en er geen rechtstreeks verband bestaat met de ten laste gelegde diefstal met geweld.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de onderbouwing bij de vordering ziet op gebeurtenissen die geen rechtstreeks verband houden met de ten laste gelegde diefstal met geweld.
De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8.De vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 10 september 2025 in de zaak met parketnummer 15-038220-25 heeft
de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van (kort gezegd) meerdere straatroven op tegenspraak veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 180 uren, met een proeftijd van twee jaar.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 30 september 2025 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 25 september 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Zowel de officier van justitie en als de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.
Gelet op de strafoplegging in deze zaak en het feit dat de verdachte nog niet heeft kunnen profiteren van de bij vonnis van 10 september 2025 opgelegde leerstraf SoCool, acht de rechtbank volledige dan wel gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijk werkstraf, niet opportuun.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
45, 55, 63, 77a,77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 302, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
2, 26 van de Leerplichtwet 1969.
10.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 15-304655-25, 15-353788-25, 15-271642-25, 15-231935-25 en 15-231092-25 (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentievoor de duur van negentig( 90) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot twee en zestig (62) dagen, nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten acht en twintig (28) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
* zich meldt bij de gecertificeerde instelling De William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
* dagbesteding volgt gedurende vijf dagen per week, in de vorm van de zorgsportschool en/of schoolgang bij School2Care, of een soortgelijke instelling/school, waarbij hij wordt gehaald en gebracht;
* zich houdt aan een locatiegebod van maandag tot en met vrijdag van 18:00 uur tot 07:00 uur, op het adres [adres] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de tijden in het voordeel van de veroordeelde mogen worden aangepast door de jeugdreclassering, met een maximum termijn van zes maanden.
Buiten de tijden van de avondklok mag de veroordeelde vóór en na schooltijd dan wel met goedgekeurde dagbesteding zijn huis alleen verlaten onder begeleiding van een volwassene, aan te wijzen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximum termijn van zes maanden;
* zich in het weekend gedurende de hele dag aan een locatiegebod houdt op het adres [adres] , met een maximum termijn van zes maanden. Het locatiegebod geldt niet voor afspraken met een hulpverlener/behandelaar/zorgverlener dan wel andere door de jeugdreclassering goedgekeurde afspraken.
De veroordeelde verlaat in het weekend alleen zijn huis onder begeleiding van een volwassene, aan te wijzen door de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met een maximum termijn van zes maanden. Onder regie van de jeugdreclassering kan de veroordeelde meer vrijheden verdienen;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft met het slachtoffer [de benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] (nadere gegevens zijn bekend bij het Openbaar Ministerie), met [naam] , geboren op [geboortedatum] , en met [naam] , geboren op [geboortedatum] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van twintig (20) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door tien (10) dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen:
Verklaart de benadeelde partijen [de benadeelde partij 5] , [de benadeelde partij 6] en [de benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vorderingen.
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging inzake parketnummer 15-038220-25.
Heft op de reeds de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
Mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. P.E. van der Veen
en M.H. Simons, kinderrechters, in tegenwoordigheid van S. Rebel als griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.
mr. M.H. Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.