ECLI:NL:RBNHO:2026:2636

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
12061521 \ VV EXPL 26-6
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119 BWArt. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand en betaling achterstallige huur

Urbi Investment vordert in kort geding de ontruiming van een bedrijfsruimte wegens een huurachterstand van €37.297,13 en betaling van achterstallige huur, boeterente, incassokosten en een voorschot op schadevergoeding. De huurder erkent de huurachterstand en verzet zich niet tegen ontruiming, maar vraagt om een redelijke ontruimingstermijn en betwist de hoogte van de boete, rente, incassokosten en het voorschot.

De kantonrechter stelt vast dat de ontruiming toewijsbaar is omdat de huurder zich daar niet tegen verzet en wijst een termijn van zeven dagen toe. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat de huurder vrijwillig tot ontruiming zal overgaan. De huurachterstand en de toekomstige huur tot aan de ontruiming worden toegewezen, evenals de contractuele boeterente, omdat geen reden is voor matiging.

Het voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onzekerheid over herverhuur. De buitengerechtelijke incassokosten worden beperkt toegewezen tot €40,00 conform artikel 6:96 lid 4 BW Pro. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen zeven dagen en betaling van huurachterstand, toekomstige huur, boeterente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12061521 \ VV EXPL 26-6
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van
URBI INVESTMENT 2 SUB F B.V.
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Urbi Investment,
gemachtigde: mr. Z. Oulich (Axen Juristen B.V.)
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2026, met 8 producties;
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 oktober 2017 de bedrijfsruimte gelegen aan het adres [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te ([postcode]) [plaats] (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden [1] van toepassing verklaard.
2.2.
De huurprijs bedraagt € 9.389,01 (inclusief servicekosten en omzetbelasting) per maand.
2.3.
[gedaagde] is op grond van de huurovereenkomst gehouden om de huurprijs maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen en wel vóór of uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand waarover de huur is verschuldigd.
2.4.
[gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur niet volledig en tijdig te betalen. De huurachterstand tot en met februari 2026 bedraagt € 37.297,13.

3.Het geschil

3.1.
Urbi Investment vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis ontruiming van het gehuurde op straffe van een dwangsom en betaling van de huurachterstand, vermeerderd met een voorschot op de schadevergoeding, boeterente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
Urbi Investment legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur niet tijdig en volledig te betalen. Er is sprake van ernstige wanprestatie die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en daarop vooruitlopend, de ontruiming van het gehuurde in kort geding. Ook is [gedaagde] - als gevolg van het niet tijdig voldoen aan haar betalingsverplichtingen - gehouden om een voorschot op de schadevergoeding, de contractuele boeterente en buitengerechtelijke incassokosten te betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming, maar verzoekt de kantonrechter een redelijke termijn voor de ontruiming vast te stellen. Daarnaast erkent hij de huurachterstand, maar verzet hij zich tegen de (hoogte van de) gevorderde boete, rente, buitengerechtelijke incassokosten en het voorschot op de schadevergoeding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij een spoedeisend belang bestaat. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is. Deze voorwaarden moeten in samenhang met elkaar worden beoordeeld. Zo komt bijvoorbeeld minder gewicht toe aan het restitutierisico als de vordering is erkend. Of spoedeisend belang bestaat zal bij de beoordeling hierna in voorkomend geval bij de vorderingen afzonderlijk aan de orde komen.
De gevorderde ontruiming wordt toegewezen
4.2.
De gevorderde ontruiming wordt toegewezen, omdat [gedaagde] zich daartegen niet verzet.
4.3.
[gedaagde] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij wat tijd nodig heeft voor ontruiming en, nadat is besproken dat de uitspraaktermijn twee weken bedraagt, ingestemd met een ontruimingstermijn van zeven dagen. De ontruimingstermijn wordt daarom gesteld op zeven dagen na betekening van dit vonnis zoals gevorderd.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen
4.4.
De door Urbi Investment gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming heeft Urbi Investment reeds een titel om eventueel tot gedwongen ontruiming over te gaan. Urbi Investment heeft niet onderbouwd op grond waarvan in dit specifieke geval een dwangsom als extra prikkel nodig is. [gedaagde] heeft immers te kennen gegeven vrijwillig tot ontruiming over te zullen gaan, en er is geen reden om aan te nemen dat hij zich niet aan die toezegging zal houden.
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
4.5.
De vordering tot betaling van de huurachterstand strekt tot betaling van een geldsom. Omdat [gedaagde] deze vordering erkent, komt aan een eventueel restitutierisico onvoldoende gewicht toe. Dit leidt er toe dat de vordering tot betaling van de huurachterstand zal worden toegewezen.
[gedaagde] moet de toekomstige huurpenningen tot de ontruiming betalen
4.6.
Omdat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst verplicht is maandelijks de huur aan Urbi Investment te betalen uiterlijk op de eerste dag van de maand en aannemelijk is dat hij hier niet aan zal kunnen voldoen, zal hij ook worden veroordeeld om de per 1 maart 2026 tot en met de dag van daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde de huurprijs van € 9.389,01 per maand of een gedeelte daarvan aan Urbi Investment te betalen. Bij de ontruiming bestaat immers spoedeisend belang, en het (niet nakomen van) de verplichting huur te betalen hangt daarmee nauw samen.
[gedaagde] moet de contractuele boeterente betalen
4.7.
Urbi Investment vordert verder contractuele boeterente ter hoogte van € 1.200,00. [2] [gedaagde] doet een beroep afwijzing dan wel matiging [3] van de boeterente, aangezien er geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht. De kantonrechter ziet in dit geval geen aanleiding voor afwijzing dan wel matiging van de boeterente. Deze is namelijk verschuldigd telkens indien de huur niet tijdig wordt betaald, ongeacht de reden van het uitblijven van betaling. Niet aannemelijk is dat onverkorte toepassing daarvan tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Aangezien de boeterente nauw samenhangt met het niet betalen van de huur die tot ontruiming leidt (zie 4.6), zal deze worden toegewezen voor zover de huur niet op de vervaldag is voldaan tot het moment van daadwerkelijke ontruiming.
Afwijzing van het voorschot op de schadevergoeding
4.8.
Urbi Investment vordert ook schadevergoeding voor de periode nadat de bedrijfsruimte is ontruimd. [gedaagde] voert verweer tegen het voorschot op de schadevergoeding. Hij voert aan dat de gevorderde schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en te onzeker is. De schade is nog niet door Urbi Investment geleden en het is onzeker of en wanneer en onder welke voorwaarde het gehuurde opnieuw zal worden verhuurd. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij actief gepoogd heeft de schade te beperken door nieuwe potentiële huurders aan te dragen.
4.9.
Het voorschot op de schadevergoeding is niet toewijsbaar. De hoogte daarvan is namelijk nog onbekend, omdat onzeker is op welke termijn Urbi Investment de bedrijfsruimte na de ontruiming daarvan door [gedaagde], onder dezelfde voorwaarden, aan een derde zal kunnen verhuren. Bovendien heeft Urbi Investment niet onderbouwd spoedeisend belang te hebben bij deze vordering.
De buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar tot € 40,00
4.10.
Urbi Investment vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 25.000, uitgaand van het maximale bedrag dat [gedaagde] op grond van de algemene voorwaarden als percentage van de hoofdsom verschuldigd is. [4] Urbi Investment heeft ter onderbouwing van deze vordering alleen de tekst in de algemene voorwaarden geciteerd, waarmee zij de vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is [gedaagde] in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW Pro toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. Gelet op de samenhang met de huurachterstand zal dit bedrag eveneens worden toegewezen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Urbi Investment worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,16
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
990,16
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te ([postcode]) Haarlem te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Urbi Investment zijn, en de sleutels af te geven aan Urbi Investment,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Urbi Investment te betalen een bedrag van € 37.337,13 aan huurachterstand en aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Urbi Investment te betalen € 9.389,01 per maand aan huur voor zover het gehuurde na 28 februari 2026 niet is ontruimd tot en met de dag van de ontruiming,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan Urbi Investment te betalen € 1.200,00 aan contractuele boeterente over de maanden november 2025 tot en met februari 2026,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan Urbi Investment te betalen € 300,00 aan contractuele boeterente voor zover de huur na 28 februari 2026 niet tijdig is voldaan tot en met de dag van de ontruiming,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 990,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.

Voetnoten

1.Algemene Bepalingen Huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (versie 30 januari 2025).
2.Artikel 23.2 van de algemene voorwaarden.
3.Artikel 6:94 BW Pro.
4.Artikel 28.1 van de algemene voorwaarden.