ECLI:NL:RBNHO:2026:2643

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 26 _ 1221
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
JeugdwetWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging jeugdhulp na 18e verjaardag

Verzoekster ontving jeugdhulp tot na haar 18e verjaardag, waarna het college van burgemeester en wethouders van Wormerland besloot deze hulp per 31 oktober 2025 te beëindigen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening omdat zij meende dat zij zonder de hulp in een acute noodsituatie zou verkeren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, aangezien verzoekster inmiddels een nieuwe woonplek had gevonden en geen acute noodsituatie bestond die het wachten op de bezwaarprocedure onmogelijk maakte. Daarnaast werd het besluit niet als evident onrechtmatig beoordeeld, mede omdat het college aannemelijk maakte dat passende ondersteuning via de Wmo kan worden geboden.

De voorzieningenrechter constateerde dat de communicatie tussen partijen stroef verliep, maar dat er bereidheid was tot overleg om tot een passende oplossing te komen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het beëindigen van jeugdhulp wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1221

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland

(gemachtigde: mr. A.H.T. van Gijssel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de jeugdhulp op grond van de Jeugdwet aan verzoekster te beëindigen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 heeft het college de indicatie voor (verlengde) jeugdhulp met een maand verlengd, waardoor de einddatum 31 oktober 2025 wordt. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 20 februari 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [psycholoog] (psycholoog), de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en [naam] (werkzaam bij het college).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster ontving vanaf 2023 jeugdhulp (verblijf zonder behandeling begeleid wonen / kamertraining). De begeleiding werd uitgevoerd door BG Wonen. Op 22 april 2024 is verzoekster 18 jaar geworden. De jeugdhulp is door het college voortgezet tot 1 juli 2025, en verder verlengd tot 1 oktober 2025. In het eerstgenoemde besluit staat dat de Wmo als voorliggende voorziening wordt beschouwd, in het tweede besluit staan voorwaarden die verbonden zijn aan de verlenging. Het doel is uitstroom uit de Jeugdwet.
4. Het college heeft de jeugdhulp per 31 oktober 2025 definitief beëindigd. Het college noemt daarvoor twee gronden:
- er bestaat geen grondslag voor een Jeugdwet-indicatie; er is een zorgbehoefte, maar deze hulp valt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en er is sprake van zelfredzaamheid.
- er zijn twee beschikbare voorzieningen vanuit de Wmo aangeboden.

Is er een spoedeisend belang?

5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In een geval als dat van verzoekster kan dat zo zijn wanneer sprake is van een acute noodsituatie of als een onomkeerbare situatie dreigt waardoor zij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten.
6. Verzoekster stelt dat sprake is van spoedeisend belang, omdat zij niet de noodzakelijke begeleiding ontvangt en haar onderdak dreigt kwijt te raken.
7. Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster inmiddels (weer) een nieuwe woonplek in een andere gemeente heeft gevonden, waar zij enige tijd kan verblijven. Zij kan zich op dat adres, wat niet nader is genoemd, niet laten inschrijven, ook al omdat zij te maken heeft met stalking door familieleden. Het ontbreken van een inschrijfadres heeft onder meer als gevolg dat het niet goed mogelijk is weer de juiste zorg te ontvangen.
8. Niet in geschil is dat verzoekster kwetsbaar is. De huidige woon- en leefomstandigheden van verzoekster zijn, voor zover de voorzieningenrechter dat op basis van hetgeen ter zitting is verklaard kan beoordelen, zeker niet ideaal. Het ontbreken van de juiste begeleiding is weliswaar zorgelijk, maar niet gebleken is dat verzoekster zich op dit moment in een zodanige acute noodsituatie bevindt, of dat een onomkeerbare situatie dreigt, op grond waarvan zij de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten.
9. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het spoedeisend belang ontbreekt.
Is het besluit evident onrechtmatig?
10. Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van het college niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
11. De voorzieningenrechter constateert dat deze zaak verband houdt met problematiek die voortkomt uit de verschillen tussen de Jeugdwet en de Wmo 2015, die de overgang van een jeugdige, zoals verzoekster, naar de Wmo 2015 na het bereiken van de leeftijd van18 jaar, kunnen bemoeilijken. Tussen verzoekster en het college is onder meer in geschil of de hulp aan verzoekster na het 18e levensjaar vanuit de Wmo 2015 kan worden geboden of dat die hulp valt onder de Jeugdwet in het kader van verlengde jeugdhulp. Zoals namens het college ter zitting is bevestigd, wordt niet betwist dat verzoekster kwetsbaar is en ondersteuning nodig heeft. Het college stelt zich echter op het standpunt dat verzoekster niet langer is aangewezen op jeugdhulp, omdat de Wmo de voor haar passende ondersteuning kan bieden. Dat standpunt is niet overduidelijk verkeerd. In wat door verzoekster is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van een evident onrechtmatig besluit. De stelling van verzoekster dat in aanloop naar de uitstroom uit de Jeugdwet geen sprake is geweest van een zogenoemde warme overdracht – nog afgezien van de juistheid van die stelling –, is daarvoor onvoldoende.
12. De voorzieningenrechter merkt ten slotte nog op dat ter zitting naar voren is gekomen dat beide partijen over en weer op enig moment de andere partij niet (meer) konden bereiken, per telefoon of mail, en dat daarom het contact is verloren. Daaruit is de indruk ontstaan dat de communicatie tussen partijen – ondanks de goede intenties van beide kanten – stroef verliep. Naar verwachting heeft de zitting ertoe bijgedragen dat partijen elkaar weer weten te vinden. Van belang om te vermelden is verder dat het college de bereidheid heeft uitgesproken opnieuw met verzoekster in gesprek te gaan om te bezien of het college behulpzaam zou kunnen zijn om verzoekster weer ‘in de juiste zorg te krijgen’. Verzoekster heeft daarop laten weten daar graag gebruik van te maken. Mogelijk zou daarmee, buiten de nog lopende bezwaarprocedure om, tot (de aanzet tot) een oplossing voor verzoekster gekomen kunnen worden.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Van een evident onrechtmatig besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.