ECLI:NL:RBNHO:2026:2644

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/15/352111 HA ZA 24-252
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 6:119 BWArt. 6:136 BWAuteurswetArtikel 486 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tegenspraak en verdeling executieopbrengst kunstcollectie na ontruiming pand

De zaak betreft een jarenlange juridische strijd tussen de gemeente Den Helder en twee gedaagden over het gebruik en de ontruiming van een voormalig postkantoor, waarin een kunstcollectie van een van de gedaagden was opgeslagen. Na beëindiging van gebruiksovereenkomsten en ontruiming van het pand, werd de kunstcollectie openbaar geveild. De rechter-commissaris stelde een voorlopige staat van verdeling van de executieopbrengst op, waartegen de gedaagden verweer voerden.

De rechtbank beoordeelde de tegenspraak en de tegenvorderingen van de gedaagden. De vorderingen van Friedberg & Mahn tot betaling van een bedrag op basis van notariële schulderkenningen werden erkend, terwijl het verweer van de gedaagden tegen deze vordering werd verworpen. De gemeente's vorderingen inzake executiekosten en openstaande bedragen werden eveneens bevestigd.

De gedaagden stelden aanspraken op mede-eigendom van de kunstwerken, auteursrecht en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de gemeente, maar deze werden door de rechtbank afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onjuiste interpretatie van eerdere uitspraken. Ook de vorderingen van schadevergoeding wegens de veiling en onrechtmatig handelen werden verworpen. De rechtbank veroordeelde de gedaagden hoofdelijk tot betaling van proceskosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verweer van de gedaagden af en bevestigt de aanspraken van de gemeente en Friedberg & Mahn op de executieopbrengst, met hoofdelijk veroordeling van de gedaagden in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/352111 / HA ZA 24-252
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE DEN HELDER,
gevestigd in Den Helder,
hierna te noemen: de gemeente,
eiseres tot verificatie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. E.C.W. van der Poel,
en
de naamloze vennootschap
FRIEDBERG & MAHN ADVOCATEN N.V.,
gevestigd in Amstelveen,
hierna te noemen: Friedberg & Mahn,
eiseres tot verificatie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. B.S. Friedberg,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

die woont in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
verweerder tot verificatie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M.V. Vermeij,
2.
[gedaagde sub 2],
die woont in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
verweerster tot verificatie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. W. Vermeer,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk als [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] .
De zaak in het kort
De gemeente en [gedaagde sub 1] zijn met elkaar tot op heden in een jarenlange juridische strijd verwikkeld waarbij meerdere kortgeding- en bodemprocedures zijn gevoerd. Onderdeel van deze strijd is de in opdracht van de gemeente geveilde kunstcollectie van [gedaagde sub 1] . De rechter-commissaris heeft een voorlopige staat van verdeling van de executie-opbrengst opgesteld. [gedaagden] hebben verweer gevoerd tegen de daarin opgenomen aanspraken van de gemeente en Friedberg & Mahn. Daarom heeft de rechter-commissaris de zaak naar de rechtbank verwezen ter beoordeling van het verweer. De rechtbank komt tot de slotsom dat het verweer van [gedaagden] niet slaagt en dat [gedaagden] geen aanspraak hebben op de executieopbrengst. De tegenvorderingen van [gedaagden] worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 18 december 2024 waarbij [gedaagden] niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen in reconventie jegens Friedberg & Mahn;
- het tussenvonnis van 26 februari 2025;
- de akte overlegging producties van de gemeente;
- de akte overlegging producties, toelichting producties en eiswijziging van [gedaagde sub 1] ;
- de akte vermeerdering eis, tevens overlegging aanvullende producties van [gedaagde sub 2] ;
- de rolbeslissingen van de rechtbank naar aanleiding van de bezwaren van de gemeente tegen de wijzigingen van eis van [gedaagden]
- de mondelinge behandeling van 12 december 2025. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten van de gemeente, Friedberg & Mahn, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn met elkaar op huwelijksvoorwaarden gehuwd. Daarin is
- samengevat - iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en een finaal verrekenbeding bij overlijden opgenomen.
2.2.
Op grond van een tweetal door [gedaagde sub 1] met de gemeente gesloten overeenkomsten uit 2008 en 2012, heeft [gedaagde sub 1] het aan de gemeente in eigendom toebehorende voormalig postkantoor aan de [adres] te Den Helder (hierna: het pand) in gebruik gehad. Het pand werd gedeeltelijk door [gedaagde sub 1] met zijn gezin bewoond, deels door hem gebruikt als atelier en deels als museum voor de expositie van kunst.
2.3.
Na opzegging van de overeenkomsten per 30 juni 2017, heeft de gemeente in rechte ontruiming gevorderd van [gedaagde sub 1] en zijn [gedaagde sub 1] en de gemeente
in een jarenlange juridische strijd beland.
2.4.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in oktober 2017 de door de gemeente gevorderde ontruiming afgewezen.
2.5.
In het kader van de openbare verkoopprocedure van het pand heeft de gemeente bij besluit van 29 november 2017 het pand gegund aan een derde partij (hierna: [naam] ). Op diezelfde datum heeft [gedaagde sub 1] beslag gelegd op het pand op grond van zijn stelling dat tussen hem en de gemeente een koopovereenkomst met betrekking tot het pand tot stand was gekomen.
2.6.
Bij kort geding vonnis van 1 februari 2018 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, is de vordering van de gemeente tot opheffing van het door [gedaagde sub 1] gelegde beslag op het pand toegewezen.
2.7.
Op 6 februari 2018 is tussen de gemeente en [naam] een koopovereenkomst met betrekking tot het pand tot stand gekomen.
2.8.
Bij arrest in kort geding van 13 maart 2018 heeft het hof Amsterdam het kort geding vonnis van 16 oktober 2017 (zie 2.4) vernietigd en de vordering van de gemeente tot ontruiming van het pand alsnog toegewezen met een ontruimingstermijn van een maand na betekening van het arrest.
2.9.
Bij verzoekschrift van 16 april 2018 heeft de gemeente aan de voorzieningenrechter verlof gevraagd om conservatoir beslag te mogen leggen op alle roerende zaken in het pand in verband met een vordering ter zake van door [gedaagde sub 1] veroorzaakte schade van € 171.692,73. Dat verlof is verleend onder de voorwaarde dat de gemeente die vordering zou indienen in de lopende procedure bij de kantonrechter en de in beslag genomen zaken ter bewaring in handen zouden worden gesteld van een bewaarder.
2.10.
De gemeente heeft vergoeding van deze schade in een bodemprocedure van [gedaagde sub 1] gevorderd. [gedaagde sub 1] heeft het pand niet vrijwillig ontruimd. De gemeente heeft het pand op 17 april 2018 door de deurwaarder laten ontruimen. Daarbij is tevens conservatoir beslag gelegd op alle roerende zaken van [gedaagde sub 1] : zijn huisraad, zijn werktuigen en alle in het pand aanwezige kunstvoorwerpen. Deze inboedel is door de deurwaarder opgeslagen bij de bewaarder. De ontruiming en de beslaglegging hebben acht dagen geduurd. De kosten hiervan worden door de gemeente berekend op € 361.340,00.
2.11.
Bij arrest van 18 december 2018 heeft het hof Amsterdam het hiervoor onder 2.6 genoemde vonnis (waarbij de vordering van de gemeente tot opheffing van het door [gedaagde sub 1] gelegde beslag op het pand was toegewezen) bekrachtigd.
2.12.
Bij vonnis van 23 januari 2019 heeft deze rechtbank op vorderingen van [gedaagde sub 1] geoordeeld dat tussen [gedaagde sub 1] en de gemeente geen koopovereenkomst van het pand tot stand is gekomen, maar wel voor recht verklaard dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen met [gedaagde sub 1] over een koopovereenkomst af te breken.
2.13.
Op 26 juni 2019 heeft het toenmalige advocatenkantoor van [gedaagde sub 1] (Friedberg & Mahn) executoriaal derdenbeslag laten leggen op alle door de gemeente eerder in conservatoir beslag genomen roerende zaken, die zich toen bij de bewaarder bevonden. De grondslag voor dat beslag was een notariële akte van 9 mei 2019, waarin [gedaagde sub 1] erkent een bedrag van € 160.441,32,- aan zijn advocaten verschuldigd te zijn wegens door Friedberg & Mahn verrichte rechtsbijstand. [gedaagde sub 1] heeft op verzoek van Friedberg & Mahn ook bij notariële akte van 1 september 2020 erkend aan Friedberg & Mahn een bedrag schuldig te zijn van € 262.167,04. [gedaagde sub 1] heeft in de akten een bedrag van in totaal € 422.608,36 schuldig erkend.
2.14.
Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 september 2019 (zaaknummer 7260971/CV EXPL 18-6825) heeft de kantonrechter - kort gezegd - beslist dat de overeenkomsten met [gedaagde sub 1] tot gebruik van het pand door opzegging zijn beëindigd en [gedaagde sub 1] veroordeeld tot betaling aan de gemeente van een bedrag € 361.340,00 aan ontruimingskosten.
2.15.
Bij arrest van 15 maart 2022 heeft het hof Amsterdam het onder 2.12 genoemde vonnis bekrachtigd en de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de schade die [gedaagde sub 1] lijdt en in de toekomst zal lijden als gevolg van het onrechtmatig afbreken door de gemeente van de onderhandelingen met [gedaagde sub 1] over de aankoop van het pand.
2.16.
Bij arrest van 6 december 2022 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter (2.14) (deels) vernietigd en [gedaagde sub 1] - voor zover hier van belang - veroordeeld tot betaling van € 316.972,56 aan ontruimingskosten en de opslagkosten van € 123.440,88.
2.17.
Als uitkomst van meerdere kortgedingprocedures over de door gemeente voorgenomen verkoop van de kunstcollectie, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer de door [gedaagde sub 1] gevorderde opheffing van het beslag daarop afgewezen, de executieverkoop meerdere malen geschorst en, uiteindelijk, bepaald dat de gemeente de openbare verkoop van de roerende zaken van [gedaagde sub 1] vanaf 9 april 2021 mag voortzetten.
2.18.
In de periode 1 november 2022 en 20 maart 2023 hebben 8 veilingen bij BVA plaatsgevonden, waarbij een opbrengst is gerealiseerd van in totaal € 652.675,50.
2.19.
Bij beschikking van 27 november 2023 (zaaknummer/rekestnummer C/15/342059/ KG RK 25-513) heeft de rechter-commissaris van deze rechtbank op verzoek van de gemeente een voorlopige staat van verdeling opgemaakt (hierna: de beschikking) van de executieopbrengst. De in de beschikking opgenomen staat van verdeling luidt - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - als volgt:
“ Ten aanzien van de executieopbrengst:
-
te verdelen bedrag: € 652.675,50
-
overeenkomstig de afspraken gemaakt tussen de gemeente en Friedberg & Mahn wordt dit bedrag als volgt verdeeld:

aan de gemeente komt toe een bedrag € 366.354,94 ter zake van de executiekosten;

aan de gemeente komt voorts toe een bedrag van € 117.105,11 ter zake van haar vordering op [gedaagde sub 1] ;

aan Friedberg & Mahn komt toe een bedrag van € 169.215,45
Ten aanzien van de mogelijk verschuldigde omzetbelasting over de executieopbrengst:
-
gereserveerd een bedrag van € 77.543,78
-
overeenkomstig de afspraken tussen de gemeente en Friedberg & Mahn komt van dit bedrag een bedrag van € 45.828,37 aan Friedberg & Mahn ter zake van haar vordering op [gedaagde sub 1] , (...)”

3.Het geschil

in conventie de eis van de gemeente
3.1.
De gemeente vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
conform de beschikking de dato 27 november 2023 overgaat tot verdeling met inachtneming van hetgeen in het proces-verbaal staat opgenomen, althans subsidiair overgaat tot een zodanige verdeling als de rechtbank bepaalt;
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de (na)kosten vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in conventie de eis van Friedberg & Mahn
3.4.
Friedberg & Mahn vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
A. de deurwaarder beveelt aan Friedberg & Mahn uit te betalen al hetgeen [gedaagde sub 1] aan Friedberg & Mahn verschuldigd is, zijnde een bedrag van € 453.178,76, vermeerderd met de door de deurwaarder over dit bedrag ontvangen rente;
subsidiair
de deurwaarder beveelt aan Friedberg & Mahn uit te betalen conform de verdelingsafspraken met de gemeente, zijnde een bedrag van € 215.043,82 vermeerderd met de door de deurwaarder over dit bedrag ontvangen rente;
primair en subsidiair
[gedaagde sub 1] veroordeelt in de kosten van het geding.
3.5.
[gedaagden] voeren verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie de vordering van [gedaagde sub 1]
3.7.
[gedaagde sub 1] is bij vonnis in het incident van deze rechtbank van 18 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard in de door hem tegen Friedberg & Mahn ingestelde vorderingen in reconventie. Dit heeft tot gevolg dat - samengevat en na vermeerdering van eis - ter beoordeling de volgende vorderingen van [gedaagde sub 1] tegen de gemeente resteren, namelijk dat de rechtbank:
een bevel aan de deurwaarder geeft om aan [gedaagde sub 1] de volledige executie-opbrengst te betalen (€ 652.675,50, vermeerderd met € 77.543,89 aan BTW en de door de deurwaarder ontvangen rente);
de gemeente veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 1] van € 18.883.433,11, te vermeerderen met wettelijke rente;
bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de gemeente, voor recht verklaart dat de vorderingen van de gemeente op [gedaagde sub 1] zijn verrekend met de (reconventionele) vorderingen van [gedaagde sub 1] op de gemeente en bepaalt welk bedrag de gemeente na verrekening nog aan [gedaagde sub 1] moet betalen;
in voorwaardelijke reconventie voor het geval de schade die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geleden voor meer dan 75% wordt afgewezen:
1. de gemeente veroordeelt tot betaling van een voorschot aan [gedaagde sub 1] van
€ 2.500.000,= dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag;
2. een deskundigenbericht gelast, de door [gedaagde sub 1] geleden (immateriële) schade vaststelt, bepaalt dat de kosten van het deskundigenbericht (voorlopig) ten laste van de gemeente dan wel de executieopbrengst komen, met veroordeling van de deurwaarder om hieraan zijn medewerking te verlenen;
de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van het geding vermeerderd met wettelijke rente.
3.8.
De gemeente voert verweer.
3.9.
Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie de vordering van [gedaagde sub 2]
3.10.
[gedaagde sub 2] is bij eerdergenoemd vonnis in het incident van deze rechtbank van 18 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard in de door haar tegen Friedberg & Mahn ingestelde vorderingen in reconventie. Daarnaast heeft de rechtbank op 5 december 2025 een deel van de door [gedaagde sub 2] in aanloop naar de mondelinge behandeling ingediende eisvermeerderingen en wijzigingen afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Dit heeft tot gevolg dat - samengevat en na vermeerdering van eis (voor zover toegelaten) - ter beoordeling de volgende vorderingen van [gedaagde sub 2] tegen de gemeente resteren, namelijk dat de rechtbank:
primair, de deurwaarder beveelt om aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ieder de helft uit te betalen van de executieopbrengst en de BTW, te weten aan ieder een bedrag van respectievelijk € 326.337,75 en (naar de rechtbank begrijpt) € 38.771,95, vermeerderd met de door de deurwaarder over dit bedrag ontvangen rente;
subsidiair, de deurwaarder beveelt om aan [gedaagde sub 2] de volledige executieopbrengst te betalen, vermeerderd met € 77.543,89 aan BTW en de door de deurwaarder ontvangen rente;
de gemeente veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] van € 9.441.716,55 vermeerderd met de wettelijke rente;
bij (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de gemeente, voor recht verklaart dat de vorderingen van de gemeente op [gedaagde sub 2] zijn verrekend met de (reconventionele) vorderingen van [gedaagde sub 2] op de gemeente en bepaalt welk bedrag de gemeente na verrekening nog aan [gedaagde sub 2] moet betalen;
de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.11.
[gedaagde sub 2] heeft verder dezelfde voorwaardelijke incidentele vordering ingesteld als [gedaagde sub 1] (zie 3.7 sub D van dit vonnis).
3.12.
De gemeente voert verweer.
3.13.
Op de stellingen van partijen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
inleidende overwegingen
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
Deze zaak is het vervolg op het verweer van [gedaagden] tegen de door de rechter-commissaris opgestelde voorlopige staat van verdeling (2.19). In deze renvooiprocedure beoordeelt de rechtbank zowel het verweer (hierna ook “tegenspraak” genoemd) van [gedaagden] , als de door hen ingestelde tegenvorderingen.
4.3.
Anders dan in de stellingen van de gemeente en Friedberg & Mahn besloten ligt, is de rechtsstrijd in deze renvooiprocedure in die zin begrensd dat bij de beoordeling van de tegenspraak alleen beslist wordt op de vorderingen zoals die door de gemeente en Friedberg & Mahn bij de rechter-commissaris zijn aangemeld. Voor zover de in deze procedure gepresenteerde vorderingen de aangemelde vorderingen in omvang overstijgen, kunnen deze voor het meerdere niet worden beoordeeld. Ook vorderingen die gericht zijn op de verdeling van de executieopbrengst gaan het bestek van deze renvooiprocedure te buiten. Het is aan de rechter-commissaris voorbehouden daarover te beslissen met het door hem uit te geven bevelschrift. Dit alles betekent dat de rechtbank in deze procedure slechts kan beoordelen of de tegenspraak van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] slaagt, en dat de rechtbank slechts kan vaststellen of de bij de rechter-commissaris aangemelde vorderingen al dan niet geheel overeind blijven. De rechtbank zal de vorderingen in conventie daarom overeenkomstig deze beperkte reikwijdte van deze procedure verstaan.
4.4.
Dan enkele algemene overwegingen over de door partijen gevolgde wijze van procederen. Voorop staat dat voor zover partijen zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stellingen, het op de weg van de betreffende partij ligt om de gestelde juridische grondslagen van voldoende gemotiveerde feitelijke en met stukken onderbouwde stellingen te voorzien. Pas als daaraan is voldaan, is het aan de wederpartijen om deze stellingen gemotiveerd en specifiek te weerleggen. Voor zover een partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, kan aan bewijslevering niet worden toegekomen.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat partijen ter invulling van de stelplicht en bij wijze van feitelijke onderbouwing van hun standpunten een fors aantal producties in het geding hebben gebracht, in het bijzonder in aanloop naar de mondelinge behandeling. Als uitgangspunt in een procedure als deze geldt echter dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet (laten) verwoorden, in dit geval door haar advocaat (zie o.a. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628). Dit brengt met zich dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de door haar in het geding gebrachte stukken, maar dat zij concreet moet maken welke stellingen zij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden. Dit op een zodanige wijze dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren. Voor alle partijen in de onderhavige zaak geldt echter dat zij veelvuldig verwijzen naar in het geding gebrachte stukken (producties), terwijl in de processtukken zelf niet wordt toegelicht wat daaruit valt af te leiden, laat staan welke relevantie die stukken hebben voor de betrokken stellingen.
4.6.
Tegen deze achtergrond zullen de stellingen en weren van partijen in de beoordeling worden betrokken.
de vordering van Friedberg & Mahn
4.7.
Volgens Friedberg & Mahn heeft [gedaagde sub 1] een aantal notarieel vastgelegde schulderkenningen ten behoeve van haar ondertekend. Dit in verband met de werkzaamheden die Friedberg & Mahn als advocaat van [gedaagde sub 1] voor hem heeft verricht. Op grond daarvan heeft Friedberg & Mahn € 453.178,76, te vermeerderen met rente, van [gedaagde sub 1] te vorderen. Friedberg & Mahn heeft executoriaal beslag ten laste van [gedaagde sub 1] gelegd. Met de gemeente heeft Friedberg & Mahn afspraken gemaakt over de wijze waarop de executieopbrengst wordt verdeeld (zie ook 2.19).
4.8.
Het verweer van [gedaagden] tegen de door Friedberg & Mahn ingediende vordering strekt er in essentie toe dat zowel de overeenkomst die aan de door Friedberg & Mahn gefactureerde werkzaamheden ten grondslag ligt, als de daarop voortbordurende notariële schulderkenningen zijn komen te vervallen. Ten onrechte is in de opdrachtbevestigingen van Friedberg & Mahn alleen het uurtarief opgenomen en voor het overige is verzuimd om [gedaagde sub 1] te informeren over de (hoge) kosten die hij kon verwachten. Daarmee is de handelwijze van Friedberg & Mahn in strijd met de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) en komt mede gelet op de redelijkheid en billijkheid Friedberg & Mahn geen vorderingsrecht toe, aldus [gedaagden] Bovendien heeft Friedberg & Mahn haar werkzaamheden slecht uitgevoerd, zo stellen [gedaagden]
4.9.
De rechtbank volgt [gedaagden] niet in hun verweer en legt dit hierna uit.
4.9.1.
In het midden kan blijven of de richtlijn van toepassing is op de rechtsverhouding op grond waarvan Friedberg & Mahn haar werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] heeft verricht. Het gaat hier niet om de vraag of Friedberg & Mahn aan [gedaagde sub 1] mag factureren en, zo ja, welk bedrag, maar om de vraag of zij een vordering op [gedaagde sub 1] heeft uit hoofde van de door [gedaagde sub 1] ondertekende notariële schulderkenningen. Waar [gedaagde sub 1] bedoelt te stellen dat hij de notariële schulderkenningen heeft ondertekend in een onjuiste veronderstelling, kan hij daarin niet worden gevolgd omdat [gedaagde sub 1] niets heeft aangevoerd waaruit het bestaan van die onjuiste veronderstelling kan worden afgeleid. De akten laten geen onduidelijkheid bestaan over de aan Friedberg & Mahn verschuldigde bedragen, waarbij de tussenkomst van een notaris bovendien een extra waarborg biedt voor het juist en onpartijdig informeren van [gedaagde sub 1] over de (rechts-)gevolgen van de akten. Daar komt bij dat ook als de richtlijn van toepassing is, [gedaagde sub 1] een vergoeding voor de door Friedberg & Mahn verrichte werkzaamheden verschuldigd is.
4.9.2.
Voor zover [gedaagden] hebben aangevoerd dat sprake is van wanprestatie, onrechtmatig handelen en excessief declareren door Friedberg & Mahn en dat de daaruit geleden schade verrekend moet worden met de vordering van Friedberg & Mahn, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] in zijn visie met de rechtsbijstand van Friedberg & Mahn in de vele procedures weinig resultaat heeft behaald, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie dat Friedberg & Mahn als advocaat ondeugdelijk werk heeft verricht. Omdat de gegrondheid van dit verweer voor het overige niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zal de rechtbank het verrekenverweer van [gedaagde sub 1] op grond van artikel 6:136 BW Pro passeren. Aan [gedaagde sub 2] komt helemaal geen verrekenverweer toe, omdat Friedberg & Mahn niets van haar te vorderen heeft en er dus niets te verrekenen valt.
4.9.3.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de vordering van Friedberg & Mahn vastgesteld kan worden op het door de rechter-commissaris toegelaten bedrag van - naar de rechtbank begrijpt - € 262.167,04, waarbij opmerking verdient dat deze voor een bedrag van € 169.215,45 batig is gerangschikt. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 1.6 van de beschikking.
de vordering van de gemeente
4.10.
De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagde sub 1] de omvang van de door de gemeente bij de rechter-commissaris aangemelde vordering niet heeft bestreden. [gedaagde sub 1] heeft meerdere verrekeningsverweren gevoerd, waarbij het partijdebat gelijk is aan de door [gedaagde sub 1] ingestelde vorderingen in reconventie. Hierna zal blijken dat [gedaagden] geen vordering op de gemeente hebben, zodat er niets te verrekenen valt. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering van de gemeente vastgesteld kan worden op het door de rechter-commissaris toegelaten bedrag van - naar de rechtbank begrijpt - in totaal € 483.460,05 (366.354,94 + 117.105,11). De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 1.5 van de beschikking.
de vorderingen van [gedaagde sub 2] tegen de gemeente
4.11.
Naar aanleiding van het door de gemeente opgeworpen incident heeft de rechtbank bij vonnis van 18 december 2024 de vraag of [gedaagde sub 2] kan worden ontvangen in haar vorderingen jegens de gemeente bevestigend beantwoord. Desondanks heeft de gemeente in haar daaropvolgende processtukken de ontvankelijkheid van [gedaagde sub 2] opnieuw ter discussie gesteld. De rechtbank gaat daaraan voorbij en verwijst naar wat in het vonnis van 18 december 2024 is overwogen en beslist.
4.12.
Sterk samengevat heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat zij aanspraak heeft op (de helft van) de executieopbrengst. [gedaagde sub 2] heeft haar vorderingen van meerdere juridische grondslagen voorzien, namelijk (i) een (mede) auteursrecht op de kunstwerken dan wel (ii) aanspraken uit hoofde van de met [gedaagde sub 1] overeengekomen huwelijksvoorwaarden en (iii) een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de gemeente jegens haar. Deze grondslagen kunnen niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
4.13.
Allereerst het door [gedaagde sub 2] gestelde (mede) auteursrecht. Kort gezegd, stelt [gedaagde sub 2] dat de kunstwerken van [gedaagde sub 1] tot stand zijn gekomen in gelijkwaardige samenspraak en volgens het ontwerp van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tezamen. Ter onderbouwing van dit recht heeft [gedaagde sub 2] verwezen naar de door haar als productie 2 in het geding gebrachte verklaring van [gedaagde sub 1] . De rechtbank volgt [gedaagde sub 2] hier niet in. In genoemde verklaring verklaart [gedaagde sub 1] weliswaar dat hij vanaf het moment dat [gedaagde sub 2] in zijn leven is alle kunst met haar maakt en niet zonder haar. Ook verklaart [gedaagde sub 1] daarin dat de kunst die [gedaagde sub 1] vanaf 1999 heeft gemaakt er niet zou zijn geweest zonder [gedaagde sub 2] . Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat [gedaagde sub 2] mede-rechthebbende in de zin van de Auteurswet is geworden. Meer in het bijzonder is [gedaagde sub 2] eigen (creatieve) bijdragen aan de (individuele) werken daarmee niet vast komen te staan. Omdat [gedaagde sub 2] het gestelde auteursrecht verder niet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.
4.14.
Evenmin valt in te zien dat de geveilde kunst [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] gezamenlijk toebehoort. De door [gedaagde sub 2] gestelde mede-eigendom in de zin van artikel 3:166 BW Pro borduurt voort op de onjuiste veronderstelling dat haar een auteursrecht toekomt zoals hiervoor overwogen. Voor zover [gedaagde sub 2] de mede-eigendom heeft gebaseerd op de huwelijksvoorwaarden tussen haar en [gedaagde sub 1] , is dat ook onjuist. In die huwelijksvoorwaarden is namelijk iedere gemeenschap van goederen tussen beide echtgenoten uitgesloten. Weliswaar bevatten de huwelijksvoorwaarden ook een verrekenbeding waarbij partijen afrekenen alsof er een gemeenschap van goederen is, maar de redactie van de huwelijksvoorwaarden en het daarin opgenomen verrekenbeding laten geen andere conclusie toe dan dat het slechts werking heeft tussen de beide echtgenoten (en niet naar derden) en alleen in werking treedt bij overlijden van een van hen. Dat de (eigendom van de) kunst desondanks gemeenschappelijk is geworden, blijkt nergens uit.
4.15.
Tot slot het door [gedaagde sub 2] gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente. Ter onderbouwing heeft [gedaagde sub 2] verwezen naar het arrest van het hof Amsterdam van 15 maart 2022 (2.15). Anders dan [gedaagde sub 2] heeft gesteld, geeft het arrest onvoldoende houvast voor de conclusie dat de gemeente door het afbreken van de onderhandelingen niet alleen jegens [gedaagde sub 1] maar ook jegens [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Dit standpunt van [gedaagde sub 2] berust op een onbegrijpelijke lezing van het arrest. [gedaagde sub 2] was geen partij in die procedure. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de positie van [gedaagde sub 2] daarin uitdrukkelijk aan de orde is geweest of dat een van de vorderingen in die zaak betrekking had op beweerdelijk onrechtmatig handelen tegenover [gedaagde sub 2] . Kortom, het arrest geeft geen grondslag voor toewijzing van het gevorderde. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat het handelen van de gemeente tegenover [gedaagde sub 1] ook gevolgen heeft (gehad) voor [gedaagde sub 2] en de kinderen, maakt dat niet zonder meer dat dit handelen onrechtmatig was jegens hen. Uit wat [gedaagde sub 2] heeft aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden dat de gemeente onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. De rechtbank komt aan bewijslevering niet toe. Voor zover [gedaagde sub 2] heeft verwezen naar wat [gedaagde sub 1] hierover heeft aangevoerd - bijvoorbeeld over het afbreken van de onderhandelingen en over de verkoop van de kunst - verliest [gedaagde sub 2] uit het oog dat eventueel onrechtmatig handelen tegenover [gedaagde sub 1] niet automatisch meebrengt dat daarmee ook onrechtmatig tegenover [gedaagde sub 2] is gehandeld.
4.16.
Dit alles leidt tot de slotsom dat [gedaagde sub 2] niets van de gemeente te vorderen heeft en de vorderingen van [gedaagde sub 2] worden afgewezen. Hierna onder 4.27 zal de rechtbank uitleggen waarom ook de voorwaardelijke vordering van [gedaagde sub 2] wordt afgewezen. De overige stellingen en weren, waaronder het beroep op verjaring van de gemeente, behoeven daarom geen verdere bespreking.
de vorderingen van [gedaagde sub 1] tegen de gemeente
Afgebroken onderhandelingen, aankoop pand
4.17.
Allereerst het geschilpunt over de afgebroken onderhandelingen. Sterk samengevat heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de gemeente jegens [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door het afbreken van de onderhandelingen over de aankoop van het pand. Daardoor is de gemeente gehouden om, primair, het positief contractsbelang en, subsidiair, het negatief contractsbelang aan [gedaagde sub 1] te vergoeden, dan wel de kosten die op [gedaagde sub 1] worden verhaald ten gevolge van de ontruiming en executie van de kunst. Het totaal van het onder 3.7 sub B gevorderde bedrag bestaat volgens [gedaagde sub 1] uit de volgende posten:
4.18.
De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding af en legt hierna uit waarom. In essentie heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat de beslissingen van zowel de rechtbank als het hof (2.12 en 2.15) betekenen dat de gemeente de hiervoor begrote schade aan [gedaagde sub 1] moet voldoen. Deze stelling berust op een onjuiste/onvolledige lezing van deze uitspraken. Het oordeel van de rechtbank dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld is weliswaar door het hof bekrachtigd, maar het hof heeft niet meer overwogen dan dat de mogelijkheid van daaruit voortvloeiende schade voldoende aannemelijk voorkomt. Anders dan [gedaagde sub 1] stelt, heeft het hof zich niet uitgelaten over de omvang van de schade en dus ook niet over vergoeding van het positief dan wel het negatief contractsbelang. Evenmin heeft het hof zich uitgelaten over enig causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging van de gemeente en enige door [gedaagde sub 1] geleden schade. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] daarom niet in zijn betoog dat reeds in de overwegingen van het hof een keuze voor vergoeding van het positief contractsbelang besloten ligt.
4.19.
Los van het vorenstaande, is onvoldoende gebleken dat tussen [gedaagde sub 1] en de gemeente een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen over de aankoop van het pand, althans dat daartoe een gerechtvaardigd vertrouwen was ontstaan (zie HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, r.o. 3.6). Vast staat dat partijen langdurig met elkaar in gesprek zijn geweest over de aankoop van het pand door [gedaagde sub 1] . Deze onderhandelingen hebben uiteindelijk geleid tot een (niet onderhandelbaar) aanbod van de gemeente gedateerd 21 november 2017 (productie 44 van [gedaagde sub 1] ) dat de betrokken partijen op 24 november 2017 met elkaar hebben besproken. Het hof heeft in zijn arrest daarover - voor zover hier van belang - het navolgende overwogen:
“Nadat de advocaten van partijen vervolgens nog met elkaar hadden gemaild over de vraag wanneer de deadline van het ‘finaal eindbod’ zou verstrijken, heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] op 28 november 2017 (om 08:55 uur) op het finale bod van de gemeente gereageerd. Weliswaar was die reactie niet aan te merken als een aanvaarding van het finale bod van de gemeente, maar sprak daaruit duidelijk een serieuze intentie om het pand te kopen en ook de bereidheid om te betalen voor een sanering.”
4.20.
De gemeente heeft onweersproken en onder verwijzing naar door haar in het geding gebrachte correspondentie gesteld dat het aanbod kwam te vervallen op 28 november 2017 00:00 uur. Daargelaten dat ten tijde van de reactie van [gedaagde sub 1] het aanbod reeds was vervallen, heeft [gedaagde sub 1] het aanbod niet (geheel) aanvaard. De toenmalige advocaat van [gedaagde sub 1] heeft immers per e-mail van 28 november 2017 (8:55 uur) aan de gemeente bericht - voor zover van belang - als volgt:
“Dat geldt echter niet voor de bijkomende voorwaarden waarbij enerzijds geen financieringsvoorbehoud wordt geaccepteerd en anderzijds als eis wordt opgelegd dat [gedaagde sub 1] afstand doet van zijn rechten. Van belang daarbij is daarbij tevens de wetenschap dat [gedaagde sub 1] € 245.000,- direct voor handen heeft en niet de gevraagde € 6 ton. Dit verschil dient dan ook gefinancierd te worden en dat kan niet binnen de door uw cliënte gestelde termijn van 7 dagen.”
Aan het verzoek van [gedaagde sub 1] om door te onderhandelen heeft de gemeente geen gehoor gegeven. Integendeel, daags daarna heeft de gemeente het pand gegund aan een derde partij (2.5).
4.21.
Dat [gedaagde sub 1] tegen deze achtergrond er desondanks gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat voortzetting van de onderhandelingen tot enigerlei overeenstemming zou leiden, is onaannemelijk. Het ligt op de weg van [gedaagde sub 1] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaraan het door hem gestelde vertrouwen ontleend kan worden. Dat heeft [gedaagde sub 1] tegenover de betwisting van de gemeente onvoldoende gedaan. Daarbij weegt mee dat uit de opstelling van de gemeente destijds blijkt dat zij een finale regeling wilde en dat er “
straks een opgeknapt pand - met een hoogwaardige invulling - staat in het stationsgebied” (productie R 8 van de gemeente). Verder blijkt uit het finale aanbod dat de gemeente deed in het hiervoor genoemde e-mailbericht van 21 november 2017 dat de gemeente harde afspraken wilde zonder voorbehouden, zoals een voorbehoud van financiering. Dat was voor [gedaagde sub 1] onacceptabel en [gedaagde sub 1] heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit destijds wel acceptabel voor hem was.
Dat [gedaagde sub 1] destijds voldoende financiers had, zoals hij nu stelt, is verder niet vast komen te staan. Niet alleen zijn de overgelegde verklaringen van de vermeende financiers onvoldoende concreet, maar tevens blijkt uit de hiervoor onder 4.20 aangehaalde reactie van [gedaagde sub 1] op het finale aanbod van de gemeente dat dit aanbod juist voor [gedaagde sub 1] onacceptabel was. Daarmee is de grondslag aan het gevorderde positief contractsbelang komen te ontvallen en ligt het gevorderde in zoverre voor afwijzing gereed. De rechtbank komt daarom aan bewijslevering niet toe.
4.22.
De vraag of de gemeente dan tenminste gehouden is het negatief contractsbelang aan [gedaagde sub 1] te vergoeden, zoals door [gedaagde sub 1] subsidiair gesteld, behoeft geen beantwoording. [gedaagde sub 1] heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt waaruit dit negatieve contractsbelang bestaat. Partijen zijn al vele jaren verwikkeld in een juridische strijd waarin meerdere procedures zijn gevoerd. De onderhandelingen tussen partijen over de aankoop van het pand hebben gedurende een deel van deze periode plaatsgevonden. Dit gegeven brengt met zich dat het op de weg van [gedaagde sub 1] ligt om duidelijk te maken welke (juridische) kosten betrekking hebben op de onderhandelingen en mogelijk voor vergoeding in aanmerking komen en welke kosten op de gevoerde procedures betrekking hebben en die niet voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde sub 1] kan ter invulling van de op hem rustende stelplicht niet volstaan met het in het geding brengen van een stapel facturen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank (de advocaat van) [gedaagde sub 1] op dit punt bevraagd, maar deze heeft hierover geen duidelijkheid kunnen of willen geven. De rechtbank verwijst voor het overige naar hetgeen zij hiervoor onder 4.5 heeft overwogen. Dit alles brengt met zich dat het gevorderde negatief contractsbelang voor afwijzing gereed ligt.
Geschilpunten over de veiling van de kunst
4.23.
Dan vordert [gedaagde sub 1] nog schade die hij geleden zou hebben als gevolg van de veiling zelf. Aan de gevorderde schade “ten gevolge executieveiling kunststukken” (4.17) heeft [gedaagde sub 1] - samengevat - ten grondslag gelegd dat de kunst door het veilen en in het bijzonder door de wijze van veiling voor een fractie van de marktwaarde door de gemeente is verkocht en dat diverse werken zijn beschadigd. Bovendien zijn onnodig hoge veilingkosten gemaakt door de keuze voor BVA, aldus [gedaagde sub 1] .
4.24.
De rechtbank overweegt als volgt. In het midden kan blijven of de veiling fysieke schade aan meerdere kunstwerken heeft veroorzaakt. Het partijdebat op dit punt laat de rechtbank buiten beschouwing. Ook als vast komt te staan dat daarvan sprake is, is daarmee niet reeds gegeven dat de gemeente haar zorgplicht als executant heeft geschonden en daarom gehouden is de schade te vergoeden.
4.25.
Dan de veilingopbrengst. [gedaagde sub 1] heeft uitvoerig toegelicht dat en waarom de gerealiseerde opbrengst volgens hem een fractie van de werkelijke waarde is. Wat daar ook van zij, daaruit volgt niet zonder meer dat de veiling op een wijze is verlopen die onrechtmatig is jegens [gedaagde sub 1] , laat staan dat [gedaagde sub 1] heeft toegelicht waarom het handelen van BVA toegerekend moet worden aan de gemeente. De rechtbank gaat daarom ook voorbij aan de kritiek van [gedaagde sub 1] op de volgens hem te hoge kosten die met de inschakeling van BVA gemoeid zijn geweest. Bij dit alles verdient opmerking dat de veiling mede door de opstelling van [gedaagde sub 1] noodzakelijk is geworden. Een deel van de gevoerde procedures heeft immers betrekking op de weigerachtigheid van [gedaagde sub 1] om het pand te ontruimen, zelfs in de periode nadat de door de gemeente gevorderde ontruiming in rechte was toegewezen. [gedaagde sub 1] heeft bovendien niet weersproken dat hij de gelegenheid heeft gekregen om de kunst alsnog zelf onderhands te verkopen, althans dat hij de gelegenheid heeft gekregen input te leveren op de executie. Ook die mogelijkheden heeft [gedaagde sub 1] echter onbenut gelaten, zodat de daaruit voortvloeiende risico’s in beginsel voor zijn rekening komen.
[gedaagde sub 1] meent tot slot schade te hebben geleden vanwege het niet erkennen van diens volgrecht bij de veiling. De schade is in het geheel niet onderbouwd zodat deze vordering reeds daarom voor afwijzing gereed ligt, nog los van de vraag of [gedaagde sub 1] voldoende rechtsfeiten heeft gesteld voor zijn beweerdelijke aanspraak op deze volgrechten.
4.26.
Dit alles leidt tot de tussentijdse slotsom dat de vorderingen van [gedaagde sub 1] voor afwijzing gereed liggen.
De voorwaardelijke vorderingen van [gedaagden] tegen de gemeente
4.27.
De uitkomst in reconventie tot zover, brengt met zich dat de voorwaarde van de onder 3.7 en 3.11 ingestelde voorwaardelijke vorderingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is vervuld. Deze zullen hierna worden beoordeeld.
4.28.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen allebei een voorschot op de schadevergoeding. Omdat de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat van onrechtmatig handelen van de gemeente niet is gebleken, ligt de gevorderde schadevergoeding geheel voor afwijzing gereed. Daarom ondergaat het door [gedaagden] gevorderde voorschot hetzelfde lot.
4.29.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen ook dat de rechtbank een deskundigenbericht beveelt ter vaststelling van de door hen gelden (immateriële) schade. De rechtbank wijst dat ook af. Hiervoor is gebleken dat er geen grond is waarom de gemeente schade aan [gedaagden] zou moeten vergoeden. [gedaagden] hebben daarom geen belang bij een (gerechtelijk) deskundigenonderzoek naar geleden schade. Daar komt bij dat een deskundigenbericht naar zijn aard niet bedoeld is om gebreken in de stelplicht van procespartijen in dit stadium van het geding alsnog te helen.
Slotsom/proceskosten
4.30.
[gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, zowel voor de gemeente als Friedberg & Mahn.
4.31.
De proceskosten van de gemeente worden in conventie begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
9.307,50
(2,5 punten × € 3.723,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
10.291,50
4.32.
De proceskosten van Friedberg & Mahn worden in conventie begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.323,00
4.33.
[gedaagden] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen van de gemeente, begroot op een
bedrag van € 9.262,00 aan salaris advocaat (2 punten x € 4.631,00).

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie aan de zijde van de gemeente
5.1.
erkent de vordering van de gemeente overeenkomstig de beschikking van de rechter-commissaris van 27 november 2023, namelijk tot een bedrag van € 366.354,94 aan gemaakte executiekosten en € 117.105,11 wegens haar vordering op [gedaagde sub 1] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente, tot op heden begroot op € 10.291,50;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in conventie aan de zijde van Friedberg & Mahn
5.5.
erkent de vordering van Friedberg & Mahn overeenkomstig de beschikking van de rechter-commissaris van 27 november 2023, namelijk tot een bedrag van € 262.167,04;
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van Friedberg & Mahn, tot op heden begroot op 8.323,00;
5.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
5.8.
wijst het gevorderde af;
5.9.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente, tot op heden begroot op € 9.262,00;
5.10.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
5.12.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.13.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, mr. B. de Metz en mr. J. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.