De rechtbank Noord-Holland heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne en heroïne in Nederland van 16 februari tot en met 27 maart 2024. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte samen met anderen harddrugs heeft bereid, bewerkt, verkocht en vervoerd.
De bewijsvoering bestond uit een bekentenis van verdachte, vondsten bij een doorzoeking van zijn woning waaronder drugs, versnijdingsmiddelen, verpakkingsmateriaal en een telefoon met berichten over drugshandel. De rechtbank concludeerde dat verdachte een van de gebruikers was van deze dealertelefoon, waarmee tussen 16 februari en 26 maart 2024 communicatie over de verkoop van drugs plaatsvond.
De rechtbank kwalificeerde het bewezenverklaarde als medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten. De officier van justitie eiste een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur. De verdediging stelde een kortere pleegperiode en lagere straf voor.
De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie. Daarnaast werd een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur opgelegd, met aftrek van tijd in verzekering. De rechtbank vond de straf passend gezien de ernst van het feit, de duur van de dealperiode en de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte.