Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018 (Parapluplan). Op het voorste gedeelte van het perceel, waar het hoofdgebouw is gevestigd, rust (voor zover van belang) de bestemming ‘Gemengd-2’. Op grond van artikel 5.1 bestemmingsplan is dit gedeelte bestemd voor wonen, kantoor, detailhandel of horeca. Op het achterste gedeelte van het perceel rust de bestemming ‘Tuin-3’. De voor Tuin-3 aangewezen gronden zijn op grond van artikel 12.1 sub b bestemmingsplan bestemd voor bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw. Op grond van artikel 12.2.1 sub a bestemmingsplan mogen de gronden met de bestemming Tuin-3 volledig worden bebouwd.
ondergeschiktmoeten zijn aan het hoofdgebouw. Het bestemmingsplan gebruikt op dit punt de term ‘
ten dienste van’ maar geeft geen definitie van dit begrip. Voor de invulling van dit begrip sluit de rechtbank aan bij de systematiek van de planvoorschriften en de toelichting daarop. De rechtbank komt dan tot het oordeel dat de uitleg van het college tot een onjuiste toepassing van artikel 12.1 leidt. Bij een bijbehorend bouwwerk gaat het krachtens de in artikel 1.26 opgenomen definitie om een uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel een functioneel met het hoofdgebouw verbonden bouwwerk. Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat een bijbehorend bouwwerk
ondergeschiktdient te zijn aan het hoofdgebouw dan wel geen primaire woonfunctie mag hebben. De bebouwing van de als Tuin-3 bestemde gronden wil eiser gebruiken voor het realiseren van slaapkamers. Dit gebruik kan worden gezien als een uitbreiding van het hoofdgebouw en een gebruik dat ten dienste staat van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw betreft een woning en een slaapkamer staat ten dienste van de woning. Deze uitleg wordt volgens de rechtbank ook ondersteund door de definitie van een bijbehorend bouwwerk te vergelijken met de definitie van een bijgebouw (artikel 1.27 bestemmingsplan). Een bijgebouw is volgens de definitie ‘een gebouw dat in bouwkundige en functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw’. Voor zover de planmaker heeft bedoeld om de bestemming Tuin-3 aan te wijzen voor aan het hoofdgebouw ondergeschikte bebouwing, had het in de rede gelegen om in sub b van artikel 12.1 te verwijzen naar bijgebouwen in plaats van naar bijbehorende bouwwerken. Met andere woorden: lezing van de definitie van bijbehorend bouwwerk uit artikel 1.26 in samenhang met de gebruiksregel van artikel 12.1 sub b leidt tot de conclusie dat het bouwplan van eiser niet in strijd is met de bestemming ‘Tuin-3’ van het bestemmingsplan Koninginnebuurt.
énde activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan er voldoende parkeergelegenheid dient te worden gecreëerd. Het parapluplan is dus niet van toepassing, althans moet buiten toepassing worden gelaten. Een andere uitleg zou maken dat met de vaststelling van het Parapluplan bestaande rechten van eiser op basis van het bestemmingsplan Koninginnebuurt worden ontnomen.
énvoor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken, sluit niet aan bij de tekst van de planregel waarin expliciet wordt gesproken over een “en/of”-situatie.
De vastgestelde parkeerbehoefte moet in beginsel op eigen terrein worden opgelost. Indien dit niet volledig mogelijk blijkt te zijn, kan de initiatiefnemer onderzoeken of het mogelijk is om gebruik te maken van bestaande openbare parkeerplaatsen. Haarlem biedt deze mogelijkheid alleen voor het oplossen van de parkeerbehoefte van sociale woningbouw (zie paragraaf 3.2.7). Als het volledige stappenplan is doorlopen, wordt de parkeereis vastgesteld.”
“6.5 Wat als de parkeerbehoefte niet kan worden opgelost?
De situatie kan zich voordoen dat de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling niet volledig kan voorzien in de vastgestelde parkeerbehoefte. Dit kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van een gebrek aan fysieke ruimte om parkeerplaatsen te realiseren of een gebrek aan financiële middelen om de aanleg van fiets- en autoparkeerplaatsen te kunnen bekostigen. Dit vormt in beginsel een weigeringsgrond voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
De initiatiefnemer moet een verklaring afgeven kennis te hebben genomen van het beleidsuitgangspunt dat alle adressen binnen de ruimtelijke ontwikkeling zijn uitgesloten van openbare parkeerrechten (tenzij op basis van het stappenplan in paragraaf 6.1 anders is besloten);
De initiatiefnemer moet, indien van toepassing, de adressen (of bouwnummers als adressen nog niet bekend zijn) aanwijzen die op basis van het stappenplan in paragraaf 6.1 wel in aanmerking komen voor openbare parkeerrechten;
De adressen die worden uitgesloten van openbare parkeerrechten worden vastgelegd in de omgevingsvergunning en in koop- of huurovereenkomsten. De adressen worden op de gemeentelijke GROP-lijst opgenomen (geen recht op parkeervergunning, zie paragraaf 7.2).”