Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2698

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11244288
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagier wegens vluchtvertraging door slotrestricties luchtverkeersleiding

De passagier vorderde compensatie van €400 wegens een vertraging van 3 uur en 46 minuten op een vlucht van Alicante naar Amsterdam. De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slotrestricties opgelegd door de luchtverkeersleiding, die de vertraging veroorzaakten.

De rechtbank stelde vast dat de vertraging inderdaad voortkwam uit opgelegde CTOT's (Calculated Take Off Times) door de luchtverkeersleiding, die buiten de invloedsfeer van de vervoerder lagen. De vervoerder had voldoende bewijs geleverd dat de vertraging niet het gevolg was van eigen handelen, maar van automatische foutmeldingen en aanpassingen door de luchtverkeersleiding.

De passagier betoogde dat de vervoerder zelf de vertrektijden (EOBT's) had aangepast en daarmee de vertraging veroorzaakte, maar dit werd door de rechtbank niet gevolgd. Ook het argument dat de vervoerder niet alle redelijke maatregelen had genomen, werd verworpen omdat het inzetten van een reservetoestel geen effect zou hebben gehad op de vertraging.

De rechtbank concludeerde dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen en dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en de passagier werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen omdat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden door slotrestricties.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11244288 \ CV EXPL 24-5479
Uitspraakdatum: 11 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
verder te noemen: de passagier
gemachtigden: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de commanditaire vennootschap Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. G.I. Niesert en mr. L.C.E. Kleine (LVH advocaten)

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 12 juli 2024 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
1.3.
Op 20 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij gebruikgemaakt van spreekaantekeningen. Daarnaast heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat partijen voor het overige ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder haar op 24 augustus 2023 moest vervoeren van Alicante-Elche Airport (Spanje) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht HV6146.
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagier met een vertraging van 3 uur en 46 minuten is aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
  • € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
  • € 72,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
  • de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 (artikel 7 van Pro de Verordening).
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren.
Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [1]
4.3.
Bij conclusie van antwoord heeft de vervoerder aangevoerd dat de vlucht in kwestie onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Verona–Amsterdam–Pisa-Amsterdam–Alicante–Amsterdam (vluchtnummers HV5462–HV5423–HV5424–HV6145–HV6146). De vervoerder deed bij conclusie van antwoord geen beroep op buitengewone omstandigheden voor vluchten HV5462 en HV5423. Voor de overige vluchten deed hij wel een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slotrestricties van de luchtverkeersleiding. De vervoerder kreeg steeds een latere CTOT (‘Calculated Take Off Time’) opgelegd. Een CTOT is het tijdstip waarop een vliegtuig mag vertrekken.
4.4.
De vervoerder voert bij conclusie van dupliek aan dat ook de eerste vlucht van die dag die door hetzelfde toestel is uitgevoerd bij de beoordeling dient te worden betrokken. Dit is vlucht HV5461 van Amsterdam naar Verona. Deze vlucht en de in de rotatie daarop volgende vlucht HV5462 werden, zo stelt de vervoerder, alsnog vertraagd door buitengewone omstandigheden. Deze buitengewone omstandigheden werkten voor 2 minuten door op vlucht HV5423. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de passagier ingestemd met het standpunt dat deze twee minuten vertraging aangemerkt kan worden als het gevolg van buitengewone omstandigheden, waardoor dit vast is komen te staan.
Ter voorbereiding van de mondelinge behandeling heeft de vervoerder aanvullende producties in het geding gebracht, namelijk producties 20 en 21. Op productie 20 zijn alle slotberichten vermeld van vlucht HV5423. Uit deze slotberichten blijkt, zo heeft de vervoerder op de zitting toegelicht, dat de vlucht oorspronkelijk een EOBT (‘Estimated Off Block Time’) van 10:10 uur UTC had. De EOBT is de gevraagde vertrektijd van de vervoerder. De vervoerder heeft dit op enig moment gewijzigd naar 10:16 uur UTC, omdat de voorgaande vlucht vertraagd aankwam, maar later weer terug gezet naar 10:10 uur UTC. Uit productie 20 blijkt dat dit echter nauwelijks effect heeft gehad op de CTOT. Om 10:28 uur UTC wordt een automatische foutmelding (discrepantiebericht) vermeld. Deze foutmelding is niet gemaakt door de vervoerder, maar door de luchtverkeersleiding. Hierdoor kreeg het toestel een CTOT van 12:13 uur UTC. De CTOT werd vervolgens meerdere keren aangepast totdat het toestel kon vertrekken. De CTOT’s veroorzaakten een extra vertraging van 1 uur en 8 minuten (code DL99). Deze vertraging werkte door op de rest van de vluchten in de rotatie, waaronder de vlucht in kwestie. Daarnaast kregen deze vluchten ook weer te maken met slotrestricties van de luchtverkeersleiding (productie 3 cva). De vervoerder heeft toegelicht dat hij verplicht is om de EOBT ‘up-to-date’ te houden en de benodigde wijzigingen moet doorgeven aan de luchtverkeersleiding (zoals voorgeschreven in de ATFCM users Manual). Dit is waarom er ook wijzigingen hebben voorgedaan van de EOBT op vlucht HV6145 en de vlucht in kwestie. De vluchten voorafgaande deze vluchten waren te laat aangekomen, waardoor de vervoerder de EOBT’s moest aanpassen. Dit laten meebewegen heeft echter geen negatief effect, omdat deze wijzigingen steeds binnen de ‘CTOT window’ zijn gebleven. De vertraging van de vlucht in kwestie is daarom veroorzaakt door (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de vervoerder ligt, aldus de vervoerder.
4.5.
De passagier heeft gesteld dat de vertraging niet het gevolg is van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden omdat de aan de vervoeder opgelegde CTOT’s het gevolg waren van het feit dat de vervoerder de EOBT’s steeds heeft aangepast. Op de mondelinge behandeling stelt de passagier dat de vertraging van 1 uur en 8 minuten op vlucht HV5423 niet veroorzaakt is door CTOT’s. Daarvoor wordt namelijk niet de open code DL99 voor gebruikt, maar code 81. Uit productie 3 van de conclusie van antwoord blijkt dat de vervoerder de EOBT van vlucht HV5424 meermaals heeft gewijzigd naar een latere tijdstip dan de toegekende CTOT, waarna de CTOT is herzien. Daarnaast dient vervoerder EOBT’s in die te laat zijn, waardoor de CTOT wordt aangepast, middels een SRM. Ook moet de vervoerder een accurate EOBT overleggen, maar hieraan heeft hij niet voldaan. Zo heeft hij bij vlucht HV5424 om 14:06 uur een EOBT van 14:00 uur UTC doorgegeven. De CTOT stond op 14:33 uur UTC. Om 14:38 uur UTC wordt de EOBT aangepast naar 14:39 uur UTC, dit is 5 minuten nadat de vorige CTOT (14:33 uur UTC) is verlopen. Dat betekent dat de vervoerder het slot gemist had, omdat hij nog niet klaar stond en hij daarom de EOBT moest aanpassen. Dit gaat in tegen haar standpunt dat de EOBT meebeweegt met de slotwijzigingen. Daarom is de oorzaak van de vertraging het verlaten van de EOBT. Als een nieuwe vluchtplan wordt ingediend, krijgt het toestel ook altijd een nieuwe CTOT. Dit geldt eveneens voor vluchten HV6145 en HV6146 (de vlucht in kwestie). De vlucht in kwestie is daarom niet vertraagd door (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden, maar door de handelingen van de vervoerder, aldus de passagier.
4.6.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De vervoerder heeft voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat bij de vluchten die onderdeel uitmaakten van de rotatie de CTOT’s vaak werden aangepast, waardoor de vluchten vertragingen opliepen. Op de mondelinge behandeling hebben partijen aan de hand van de overgelegde stukken uitgebreid gediscussieerd over EOBT’s en CTOT’s van de bij de rotatie betrokken vluchten. Aan de hand van onder meer productie 20 heeft de vervoerder de stelling van de passagier dat de vervoerder zelf de EOBT’s heeft aangepast, waardoor vertragingen zijn ontstaan voldoende weerlegd. Op de mondelinge behandeling heeft de vervoerder de tijdelijke code DL99 nader toegelicht. Ook hier is sprake van opgelegde CTOT’s. Uit productie 20 bleek voorts dat er een automatische foutmelding (discrepantiebericht) is gemaakt op vlucht HV5423. De oorzaak van dit bericht is bij partijen niet bekend. Aangezien de EOBT vervolgens niet/nauwelijks is aangepast, maar de CTOT wel steeds werd verzet kan niet geconcludeerd worden dat de reden van de vertraging is gelegen in het aanpassen van de EOBT. De kantonrechter volgt daarom het standpunt van de vervoerder dat deze vertraging het gevolg is van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze vertragingen werkten door op de opvolgende vluchten, waaronder de vlucht in kwestie. Uit de slotberichten van vluchten HV5424, HV6145 en HV6146 blijkt eveneens dat deze vluchten steeds nieuwe CTOT’s opgelegd kregen. Hoewel ook de EOBT’s zijn aangepast, blijken deze in overwegende mate te zijn aangepast binnen de ‘CTOT-window’. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond dat er sprake was van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Wanneer een vlucht een CTOT krijgt opgelegd, heeft deze vlucht niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Een CTOT moet immers altijd worden opgevolgd en is niet inherent aan de normale bedrijfsuitvoering van een luchtvaartmaatschappij. Het betoog van de vervoerder slaagt.
4.7.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagier te voorkomen. De vervoerder voert aan dat er de hele dag CTOT’s werden opgelegd, aan veel vluchten, waardoor veel vluchten vertragingen hebben opgelopen. Indien hij een reservetoestel had ingezet zou dit toestel ook te maken hebben gekregen met CTOT’s. De vervoerder heeft geprobeerd om de vertraging zo beperkt mogelijk te houden. Zodra het mogelijk was, heeft de vervoerder de vlucht zo spoedig mogelijk uitgevoerd.
4.8.
De passagier betwist dit. Luchthaven Schiphol is de thuisbasis van de vervoerder. De vervoerder heeft hier dus reservebemanning en reservetoestellen klaar staan om eventuele verstoringen en vertragingen in haar vluchten op te vangen. Een vervangende toestel inzetten om de vertraging van vluchten op te lossen is een redelijke maatregel. De vervoerder had ook een ‘tailswap’ kunnen doen. De vertraging in de rotatie was vrij vroeg bekend. Dat betekent dat de vervoerder een toestel dat eerder gereed stond had kunnen gebruiken en het vertraagde toestel had kunnen inzetten om een andere rotatie, eventueel vertraagd, uit te laten voeren.
4.9.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende heeft aangetoond dat op de dag van de vlucht sprake was van veel slotrestricties van de luchtverkeersleiding, waardoor veel vluchten vertraagd uitgevoerd werden. Het inzetten van een ander toestel zou de opgelopen vertraging van de passagier niet beperken of voorkomen. De vervoerder heeft daarom alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging van de passagier te beperken. Niet valt in te zien wat de vervoerder nog meer had kunnen doen. De vordering van de passagier wordt afgewezen.
4.10.
De proceskosten komt voor rekening van de passagier, omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij wordt de passagier ook veroordeeld tot betaling van nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 261,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
en veroordeelt de passagier tot betaling van € 43,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.