Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
verweerster in het incident,
1.Het procesverloop
2.De beoordeling van de bevoegdheid van de kantonrechter
3.De beslissing
22 april 2026voor conclusie van antwoord.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
Partijen hebben sinds 2006 samengewoond en in 2012 een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin zakelijke aspecten van hun relatie zijn geregeld. De affectieve relatie eindigde in 2014 en het samenlevingscontract werd in 2019 schriftelijk opgezegd.
De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 10 lid 3 van Pro het samenlevingscontract, dat regelt dat de niet-eigenaar van de woning na beëindiging van het samenzijn nog drie maanden in de woning mag verblijven om vervangende woonruimte te vinden. Partijen hebben deze termijn verlengd, maar er bestaat onenigheid over de verdere uitleg.
Gedaagde stelde dat de kantonrechter onbevoegd was omdat het geschil niet over de uitleg van het samenlevingscontract zou gaan, maar over de afwikkeling van het samenzijn. De kantonrechter oordeelde echter dat de vordering onder de reikwijdte van het samenlevingscontract valt en dat op grond van artikel 11 van Pro het contract de kantonrechter bevoegd is.
De vordering tot onbevoegdheid werd afgewezen en gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting op 22 april 2026.
Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdheid af, gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten.