Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2705

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
12048710
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij geschil over samenlevingscontract en woningverblijf

Partijen hebben sinds 2006 samengewoond en in 2012 een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin zakelijke aspecten van hun relatie zijn geregeld. De affectieve relatie eindigde in 2014 en het samenlevingscontract werd in 2019 schriftelijk opgezegd.

De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 10 lid 3 van Pro het samenlevingscontract, dat regelt dat de niet-eigenaar van de woning na beëindiging van het samenzijn nog drie maanden in de woning mag verblijven om vervangende woonruimte te vinden. Partijen hebben deze termijn verlengd, maar er bestaat onenigheid over de verdere uitleg.

Gedaagde stelde dat de kantonrechter onbevoegd was omdat het geschil niet over de uitleg van het samenlevingscontract zou gaan, maar over de afwikkeling van het samenzijn. De kantonrechter oordeelde echter dat de vordering onder de reikwijdte van het samenlevingscontract valt en dat op grond van artikel 11 van Pro het contract de kantonrechter bevoegd is.

De vordering tot onbevoegdheid werd afgewezen en gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting op 22 april 2026.

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich bevoegd en wijst de vordering tot onbevoegdheid af, gedaagde wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12048710 \ CV EXPL 26-160
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres],
wonende te [plaats 1],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
verder te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde].
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde, eiser in het incident,
verder te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. J. 't Hart.

1.Het procesverloop

1.1.
[eiseres] heeft bij dagvaarding van 30 december 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft een incidentele conclusie genomen waarin wordt gesteld dat de kantonrechter onbevoegd is. [eiseres] heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.De beoordeling van de bevoegdheid van de kantonrechter

2.1.
Partijen hebben vanaf 2006 samengewoond en (in verband daarmee) op 29 november 2012 een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin zij de zakelijke aspecten van hun samenleving hebben geregeld. De affectieve relatie is in 2014 geëindigd en in 2019 heeft [eiseres] het samenlevingscontract schriftelijk opgezegd.
2.2.
In artikel 11 van Pro het samenlevingscontract is bepaald:
“Alle geschillen welke tussen de partijen mochten opkomen betreffende de uitleg van de bepalingen van deze overeenkomsten, zullen worden voorgelegd aan een onpartijdig persoon. Deze zal worden benoemd door partijen in onderling overleg. Partijen zijn verplicht zich te onderwerpen aan het oordeel van de genoemde onpartijdige persoon. Zijn oordeel wordt beschouwd als een bindend advies. Indien partijen het over de benoeming van een onpartijdig persoon niet eens kunnen worden zullen de geschillen worden voorgelegd aan de kantonrechter binnen wiens ressort de laatste gemeenschappelijke woonplaats van partijen is gelegen, die tevens bevoegd is een onpartijdig persoon aan te wijzen. Ieder van partijen is bevoegd zich tot deze kantonrechter te wenden.”
2.3.
[gedaagde] stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, omdat het in deze zaak gaat om een vordering in het kader van de afwikkeling van het samenzijn van partijen (en niet om een geschil over de uitleg van de bepalingen uit de samenlevingsovereenkomst). Hij vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de afdeling handelszaken van de rechtbank.
2.4.
[eiseres] voert daartegen aan dat het partijen niet lukt om het eens te worden over de uitleg van artikel 10 lid 3 van Pro het samenlevingscontract.
2.5.
De kantonrechter acht zich bevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. Het gaat in de hoofdzaak om de vraag of [gedaagde] de aan [eiseres] in eigendom toebehorende woning moet verlaten, zodat [eiseres] de woning kan verkopen. In artikel 10 lid 3 van Pro het samenlevingscontract is bepaald dat degene die niet de eigenaar is van de woning ([gedaagde]), na verbreking van het samenzijn, het recht heeft om nog drie maanden in de woning te blijven wonen teneinde vervangende woonruimte te vinden. Het feit dat partijen deze termijn hebben verlengd, neemt niet weg dat de vordering in de hoofdzaak onder de reikwijdte van het samenlevingscontract valt. Dat betekent dat de kantonrechter op grond van artikel 11 van Pro het samenlevingscontract bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. De vordering in het incident wordt daarom afgewezen.
2.7.
De proceskosten in het incident komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident die de kantonrechter tot en met vandaag vaststelt op € 144,00 aan salaris van de gemachtigde van [eiseres];
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 april 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter