De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekster een voorlopige voorziening vroeg tegen de ongeldigverklaring van haar rijbewijs per 5 maart 2026. De burgemeester van Haarlemmermeer had het rijbewijs ongeldig verklaard omdat verzoekster nog in afwachting was van een verblijfsvergunning en daarmee niet voldeed aan de vereisten voor het verkrijgen van een rijbewijs.
Verzoekster ontleent haar verblijfsrecht aan een W-document dat rechtmatig verblijf aantoont in afwachting van een beslissing op haar asielaanvraag, maar dit valt niet onder de categorieën rechtmatig verblijf die volgens de Wegenverkeerswet 1994 vereist zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat het rijbewijs abusievelijk was afgegeven in strijd met artikel 111, derde lid, Wvw, en dat de ongeldigverklaring op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder b, Wvw terecht is.
Het beroep op het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de wet geen ruimte biedt om de ongeldigverklaring te voorkomen, ondanks de mogelijke nadelige gevolgen voor verzoekster. De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wees het af zonder zitting. De uitspraak is bindend voor het voorlopige geding en er staat geen hoger beroep open.