ECLI:NL:RBNHO:2026:2713

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/5853
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij verzoek voorlopige voorziening tegen voornemen last onder dwangsom

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland waarin een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt aangekondigd wegens het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw en een dierenschuilplaats.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het voornemen geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet gericht is op een rechtsgevolg maar slechts een vooraankondiging betreft. Hierdoor is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om op het verzoek te beslissen.

De voorzieningenrechter wijst erop dat een voorlopige voorziening pas kan worden gevraagd nadat een definitief besluit is genomen en daartegen bezwaar is gemaakt. Daarom wordt het verzoek afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.

De griffier wordt opgedragen het betaalde griffierecht van €194,- aan verzoeker terug te betalen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5853

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland

(gemachtigde: J. Brandao-Yohannes).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker betreffende de brief van het college van 14 november 2025 over het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom. In die brief heeft het college aangegeven voornemens te zijn binnenkort een besluit te nemen over een geconstateerde overtreding van de Omgevingswet bestaande uit het zonder omgevingsvergunning bouwen van een aanbouw en een dierenschuilplaats. Bij die brief zit een concept van het voorgenomen besluit, waarin een last onder dwangsom wordt opgelegd wegens de overtreding. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter is pas bevoegd om het verzoek te behandelen als sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.
4. Het college heeft in reactie op het verzoek aangegeven dat de brief van 14 november 2025 geen definitief besluit betreft, maar een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom. Een dergelijk voornemen is een vooraankondiging en wordt niet aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De voorzieningenrechter is het met het college eens en licht dat hieronder toe.
5. Het voornemen van 14 november 2025 is niet gericht op een rechtsgevolg, en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Er wordt met deze brief immers nog geen last onder dwangsom opgelegd, maar slechts het voornemen kenbaar gemaakt om dat te gaan doen, indien de overtreding niet wordt beëindigd. Het voorgaande betekent dat nu nog geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Dat kan pas als een besluit wordt genomen waarmee een last onder dwangsom definitief wordt opgelegd, en verzoeker daartegen bezwaar maakt.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Omdat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, zal hij bepalen dat de griffier het griffierecht aan verzoeker terugbetaalt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen;
- bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.