ECLI:NL:RBNHO:2026:2717

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11985041 \ CV EXPL 25-7934
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 lid 1 BWArt. 7:266 lid 1 BWArt. 7:266 lid 2 BWArt. 150 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 159 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand van meer dan 20 maanden

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen verhuurder en huurder, waarbij de huurder en zijn echtgenote, die medehuurder is, sinds augustus 2023 de huur niet hebben betaald. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, betaling van de huurachterstand en ontruiming van de woning.

De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is voortgezet omdat de verhuurder niet tijdig heeft opgezegd. De echtgenote is van rechtswege medehuurder en hoofdelijk aansprakelijk voor de huurbetaling. De huurder heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de huur is voldaan, ondanks het overleggen van kwitanties die niet als bewijs worden erkend.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand van meer dan 20 maanden ernstig tekortschiet en ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens gebrek aan aanmaning. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €12.499, ontruiming binnen veertien dagen en betaling van proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, huurders worden veroordeeld tot betaling van €12.499 en ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11985041 \ CV EXPL 25-7934
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [plaats],
2.
[eiser 2],
te [plaats],
eisende partijen,
hierna samen ook te noemen: [eisers],
gemachtigde: R.A.H. Timmer,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde 1] huurt van [eisers] een woning. [gedaagde 2] is getrouwd met [gedaagde 1] en heeft haar hoofdverblijf in het gehuurde. Zij is van rechtswege medehuurder. [eisers] stelt dat [gedaagden] sinds augustus 2023 de huur niet heeft betaald. [gedaagden] heeft onvoldoende bewijs geleverd van zijn stelling dat hij de huur al heeft betaald. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagden] de huurachterstand moet betalen en dat hij de woning moet verlaten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 12 november 2025, met 20 producties;
- mondeling antwoord van 26 november 2025, met één productie;
- de akte van [eisers] met producties;
- vonnis van 17 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- bericht van de bewindvoerder van 30 januari 2026 dat hij instemt met de procedure;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- pleitaantekeningen van [eisers].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] verhuurt met ingang van 1 juli 2023 aan [gedaagden] de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 1.250,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Bij beschikkingen van 7 november 2025 is over de goederen die (zullen) toebehoren aan beide eisende partijen een beschermingsbewind ingesteld.
2.2.
[gedaagde 2] is getrouwd met [gedaagde 1] en heeft haar hoofdverblijf in het gehuurde.
2.3.
[eisers] heeft een ongedateerd schrijven verzonden aan [gedaagde 1] waarin wordt verzocht de betalingsachterstand van € 11.250,00 te voldoen.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 14 juli 2025 [1] is onder meer geoordeeld:
“Vooralsnog niet zonder recht of titel
4.5.
[eisers] heeft geen aparte huurovereenkomst gesloten met [gedaagde 2]. Zij is door haar huwelijk met [gedaagde 1] echter medehuurder geworden en verblijft daarom niet zonder recht of titel in het gehuurde. (…)
4.6.
De huurovereenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is niet rechtsgeldig opgezegd. De opzeggingsbrief had met inachtneming van het voorgaande tussen april en juni 2024 verzonden moeten worden en de in het geding gebracht brieven dateren van juli 2024 en december 2024. Daarnaast bevatten de brieven geen opzegging maar slechts een verwijzing naar een eerdere brief van mei 2024 die verder niet in het geding is gebracht. Nader onderzoek in een bodemprocedure zou hierover meer duidelijkheid kunnen geven. (…)
4.9.
Omdat er vooralsnog van uit wordt gegaan dat de huurovereenkomsten niet rechtsgeldig zijn opgezegd, zijn deze voor onbepaalde duur verlengd en verblijven [gedaagde 1], [gedaagde 2], [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet zonder recht of titel in het gehuurde. (…)
Hoogte huurachterstand vooralsnog onduidelijk
4.11.
[eisers] heeft de huurachterstanden niet met objectieve gegevens onderbouwd. Huurders hebben de huurachterstanden betwist. Zij verklaren in het bezit te zijn van kwitanties waaruit deels blijkt dat vanaf eind 2024 de huur contant werd betaald. De kwitanties zijn vanwege het bezwaar van [eisers] niet toegevoegd aan het procesdossier. Dat neemt niet weg dat Huurders met die verklaringen de huurachterstanden voldoende gemotiveerd hebben betwist. (…) De hoogte van de huurachterstand is derhalve niet voldoende vast komen te staan.(…)”

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert bij vonnis, samengevat, en, naar de kantonrechter begrijpt, voor zover als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te verklaren voor recht dat de overeenkomst met [gedaagde 1] op 1 juli 2024 is beëindigd, dan wel of alsmede deze overeenkomst te beëindigen vanwege de huurachterstand;
- te verklaren voor recht dat de overeenkomst van [gedaagde 2] niet rechtsgeldig is gesloten en dat zij contractueel valt onder [gedaagde 1], dan wel voor recht te verklaren dat deze is beëindigd op 1 juni 2024, dan wel of alsmede deze te beëindigen op grond van de huurachterstand;
- te verklaren voor recht dat de huurachterstand aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] toe te rekenen is;
- veroordeling van [gedaagden] tot ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 12.499,00 aan huurachterstand;
- veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering – kort samengevat – het volgende ten grondslag. [gedaagden] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door (onder meer) sinds augustus 2023 niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De door [gedaagden] overgelegde kwitanties volstaan niet. [eisers] heeft die kwitanties niet verstrekt. Bovendien is afgesproken dat de huur per bankoverschrijving wordt voldaan. Slechts één of twee keer is hierop een uitzondering gemaakt. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eisers] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagden] betwist de vordering en voert daartoe aan dat hij de huur steeds contant heeft betaald. Ter onderbouwing verwijst hij naar kwitanties. Verder voert [gedaagden] aan dat [eisers] (ten onrechte) de elektra heeft laten afsluiten.

4.De beoordeling

[eisers] is ontvankelijk in haar vordering
4.1.
Niet ter discussie staat dat het beschermingsbewind meebrengt dat de bewindvoerder [eisers] in en buiten rechte vertegenwoordigt [2] . De bewindvoerder heeft per e-mail van 30 januari 2026 laten weten dat hij akkoord is met de onderhavige procedure. [eisers] is daarom ontvankelijk in haar vordering.
Geen ambtshalve toetsing
4.2.
[eisers] is geen handelaar in de zin van het Europees en Nederlands consumentenrecht (in het bijzonder Richtlijn 93/13 EG), zodat ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden niet hoeft plaats te vinden.
Huurovereenkomst is voor onbepaalde tijd voortgezet
4.3.
Vast staat dat [eisers] en [gedaagde 1] op 1 juli 2023 een tijdelijke huurovereenkomst zijn aangegaan voor de duur van twee jaar. Een huurovereenkomst van woonruimte die korter dan vijf jaar duurt hoeft niet te worden opgezegd, maar eindigt wanneer de termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan, is verstreken. Hiervoor is wel vereist dat de verhuurder voor afloop van de huurovereenkomst schriftelijk informeert dat de huurovereenkomst op de afgesproken datum eindigt. De schriftelijke kennisgeving moet niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk één maand voordat die bepaalde tijd is verstreken zijn gedaan.
4.4.
Bij vonnis in kort geding (zie nr. 2.4) is geoordeeld dat de hiervoor bedoelde kennisgeving niet tijdig heeft plaatsgevonden, zodat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is voorgezet. In deze bodemprocedure heeft [eisers] de gelegenheid gehad haar standpunt dat wel tijdig is opgezegd nader te onderbouwen. Zij heeft echter geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het einde van de huur door [eisers] wel tijdig is aangezegd en dus dat de tussen [eisers] en [gedaagde 1] gesloten huurovereenkomst per 1 juli 2024 is beëindigd. Verwijzing naar een brief waaruit afgeleid zou kunnen worden dat een kennisgeving is gedaan volstaat in dit verband niet, ook niet in combinatie met een beroep op de redelijkheid en de billijkheid. De huurovereenkomst is aldus voor onbepaalde tijd verlengd.
[gedaagde 2] is van rechtswege medehuurder
4.5.
Niet in geschil is dat [eisers] geen overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde 2]. Verder staat vast dat [gedaagde 2] getrouwd is met [gedaagde 1] en in het gehuurde haar hoofdverblijf heeft. [gedaagde 2] is van rechtswege medehuurder en voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst hoofdelijk verbonden. [3] Dit betekent zij (mede) verantwoordelijk is voor de (tijdige en volledige) betaling van de huur.
[gedaagden] moet de huurachterstand betalen
4.6.
[eisers] heeft gesteld dat [gedaagden] sinds augustus 2023 de huur niet heeft betaald. [gedaagden] heeft onvoldoende bewijs geleverd van zijn stelling dat hij de huur al heeft betaald, zodat hij de gevorderde huurachterstand moet betalen. Daartoe is het volgende redengevend.
4.7.
[gedaagde 1] heeft betoogd dat hij de huur (steeds) contant heeft betaald, en heeft ter onderbouwing 10 kwitanties overgelegd. Aangezien [eisers] stellig ontkent dat [eiser 1] deze kwitanties heeft opgemaakt en ondertekend, en niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is, noch enig aanbod tot bewijslevering ter zake is gedaan, kunnen deze kwitanties geen bewijs opleveren. [4] Ten overvloede merkt de kantonrechter hierbij op dat bewezen moet worden dat de huur sinds augustus 2023 is betaald, waarvoor het overleggen van 10 kwitanties die betrekking hebben op het jaar 2025 niet kan volstaan.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] nog betoogd dat hij ook nog over kwitanties beschikt van de voorliggende periode, maar dat hij deze nog moet zoeken. De kantonrechter acht dit betoog ongeloofwaardig. Onduidelijk is waarom [gedaagde 1] de kwitanties niet eerder heeft overgelegd, temeer daar deze discussie in het kort geding in juli 2025 ook al aan de orde is geweest. Voor zover in het betoog van [gedaagden] een aanbod tot het alsnog overleggen van kwitanties ligt besloten, gaat de kantonrechter daar daarom aan voorbij.
4.9.
[gedaagden] heeft nog betoogd dat [eisers] – in strijd met het bepaalde in de huurovereenkomst – de elektriciteit heeft afgesloten. [eisers] heeft dit betoog gemotiveerd betwist. Daarbij geldt dat voor zover [gedaagden] heeft willen betogen dat dit opschorting van de huurprijs rechtvaardigt, dit ook niet opgaat. De opschorting moet evenredig zijn met de vermeende tekortkoming. Volledige opschorting van de huurprijs is dat zonder nadere toelichting en onderbouwing niet.
4.10.
Aangezien niet is komen vast te staan dat [gedaagden] de huur sinds augustus 2023 heeft betaald, wordt de gevorderde huurachterstand die [eisers] heeft beperkt tot
€ 12.499,00 toegewezen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling (zie nr. 4.5). De kantonrechter begrijpt de gevorderde verklaring voor recht dat de huurachterstand zowel aan [gedaagde 1] als aan [gedaagde 2] toe te rekenen is aldus, dat de veroordeling tot betaling hoofdelijk wordt uitgesproken. Die vordering is toewijsbaar.
[gedaagden] moet het gehuurde ontruimen
4.11.
Het (op tijd) betalen van huur, dat wil zeggen maandelijks en bij vooruitbetaling, is één van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. [gedaagden] is hierin ernstig tekortgeschoten. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand namelijk meer dan 20 maanden. De achterstand is zo hoog dat ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is. [gedaagden] heeft geen, althans onvoldoende, omstandigheden aangevoerd waardoor de aanzienlijke huurachterstand niet tot ontbinding en ontruiming zouden mogen leiden. De kantonrechter begrijpt dat dit verstrekkende gevolgen voor [gedaagden] heeft, maar daar staat tegenover het belang van [eisers], namelijk een huurder die de huur op tijd en volledig betaalt.
4.12.
Nu de huurachterstand op zichzelf al een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, behoeven de overige stellingen van [eisers] geen bespreking meer. Omdat [eisers] bij haar overige vorderingen bij deze stand van zaken geen belang meer heeft, zullen deze worden afgewezen.
4.13.
[gedaagden] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar
4.14.
[eisers] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat aan [gedaagde 1] een aanmaning is gestuurd die voldoet aan de wettelijke eisen. [5]
Proceskosten
4.15.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,81
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.412,81
Uitvoerbaar bij voorraad
4.16.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen [eisers] en [gedaagde 1] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats],
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisers],
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eisers] € 12.499,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.412,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Holland 14 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7841.
2.Artikel 1:441 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
3.Artikel 7:266 lid 1 en Pro lid 2 BW.
4.Artikel 150 en Pro artikel 159 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.Artikel 6:96 BW Pro.