Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in de woning aan de [adres 3], te duchten was.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in de woning aan de [adres 3], te duchten was.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
condicio sine qua non-verband (oftewel: was de schade niet ontstaan indien het handelen van de verdachte niet had plaatsgevonden?) en (ii) of de schade in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend.
condicio sine qua nonverband). De rechtbank is verder van oordeel dat de gevorderde schade voor een deel in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. De benadeelde partij heeft deze kosten gemaakt ter vermindering van gevoelens van onveiligheid ten gevolge van de door de verdachte teweeggebrachte ontploffingen, die ook specifiek op de benadeelde partij gericht waren en vlak naast zijn woning plaatsvonden. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het begrijpelijk en redelijk dat de benadeelde partij enige tijd een ander onderkomen in hotels heeft gezocht. De vraag is echter voor welke duur de gevorderde hotelkosten nog in redelijkheid aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank staan de gemaakte hotelkosten – mede gelet op de daarover gegeven toelichting in de vordering benadeelde partij – voor de duur van één maand (dus tot 5 mei 2025) in voldoende rechtstreeks verband met de ontploffingen. Daarna kunnen deze kosten niet meer in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend. Ook de – door de verdediging betwiste – gemaakte kosten voor genuttigde etenswaren en dranken in de hotels kunnen niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank niet in voldoende verband met de ontploffingen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
447 (vierhonderdzevenenveertig) dagen.
270 (tweehonderdzeventig) dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
twee jaren.
dadelijk uitvoerbaarzijn.
200 (tweehonderd) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
[benadeelde 1]geleden schade tot een bedrag van
€ 26.577,03 (zesentwintigduizend vijfhonderdzevenenzeventig euro en drie eurocent), bestaande uit € 24.577,03 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
[benadeelde 2]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.946,08 (tweeduizend negenhonderdzesenveertig euro en acht eurocent), bestaande uit € 946,08 als vergoeding voor de materiële en € 2.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.