Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2896

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/15/367039 / HA ZA 25-387
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:32 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingen aan derde op grond van aannemingsovereenkomst niet onverschuldigd

Eisers hebben facturen voor bouwwerkzaamheden aan hun woning betaald op de bankrekening van een derde, gedaagde, en vorderden terugbetaling omdat zij dit onverschuldigd achten. Subsidiair vorderden zij schadevergoeding wegens niet uitgevoerde werkzaamheden door de failliete aannemer.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling omdat de aannemingsovereenkomst een rechtsgrond vormt en de betalingen bevrijdend waren. Gedaagde heeft de ontvangen bedragen doorgeleid aan de aannemer, die bevestigde dat de gelden zijn gebruikt voor de werkzaamheden.

De vordering wegens tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst wordt afgewezen omdat gedaagde geen partij is bij die overeenkomst. Eisers moeten hun vorderingen richten tot de curator van de failliete aannemer. Ook de nevenvorderingen, waaronder incassokosten en beslagkosten, worden afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van eisers tot terugbetaling en schadevergoeding worden afgewezen; eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367039 / HA ZA 25-387
Vonnis van 25 februari 2026(bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser 1],2. [eiser 2],

beiden te [plaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J. Evers,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.P. Harten.
De zaak in het kort
[eisers] hebben facturen voor bouwwerkzaamheden in hun woning op de bankrekening van een derde ([gedaagde]) betaald. Zij stellen primair dat deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan en vorderen terugbetaling van [gedaagde]. Als met de betaling aan [gedaagde] wel bevrijdend is betaald voor de werkzaamheden, dan vorderen [eisers] subsidiair schadevergoeding van [gedaagde] omdat het merendeel van de werkzaamheden niet is verricht en zij meer hebben betaald dan dat – door de inmiddels failliete aannemer – aan werk is geleverd.
De rechtbank wijst de vorderingen af. Van onverschuldigde betaling is geen sprake, omdat er een rechtsgrond voor de betalingen bestaat: de aannemingsovereenkomst. [eisers] hebben met de betalingen aan [gedaagde] beoogd om vorderingen van de aannemer te betalen en deze heeft ter zitting bevestigd dat die betalingen bevrijdend zijn geweest.
Een vordering op grond van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst kan niet worden ingesteld tegen [gedaagde], omdat zij geen partij is bij die overeenkomst. Ook de nevenvorderingen worden afgewezen. [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025
- de akte overlegging aanvullende producties met productie 13 en 14 van [eisers]
- de mondelinge behandeling van 12 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de spreekaantekeningen van mr. Evers namens [eisers]
- de spreekaantekeningen van mr. Harten namens [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[eisers] zijn eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning).
2.2.
[gedaagde] exploiteert een eenmanszaak onder de naam [appellanten].
[gedaagde] heeft een affectieve relatie en woont samen met [betrokkene].
2.3.
Op 17 januari 2024 heeft [betrokkene], handelend onder de naam [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) aan [eisers] een offerte uitgebracht voor het volledig renoveren van de woning voor een aanneemsom van € 194.637,06. Deze offerte is door [eisers] geaccepteerd (hierna: de aannemingsovereenkomst).
2.4.
In juni 2024 is [bedrijf 1] met de werkzaamheden gestart. De werkzaamheden zouden in november 2024 gereed zijn.
2.5.
In een WhatsApp bericht van 5 juni 2024 heeft [gedaagde] aan [eisers] laten weten dat de facturatie voor de aannemingsovereenkomst via de bankrekening van [appellanten] zal verlopen. Dat is een eenmanszaak van [gedaagde], gevestigd op het adres waar ook de eenmanszaak van [bedrijf 1] is gevestigd. De logo’s van beide eenmanszaken komen nagenoeg overeen.
(invoegen afbeeldingen)
2.6.
In een e-mail van 13 juni 2024 heeft [bedrijf 1] aan [eisers] bericht dat [appellanten] garant staat voor de verbouwing.
2.7.
In de periode van 5 juni 2024 tot en met december 2024 heeft [bedrijf 1] vijf facturen aan [eisers] gestuurd, voor een totaalbedrag van € 141.847,01. [eisers] hebben de facturen volledig voldaan op het bankrekeningnummer zoals op de factuur staat vermeld. Vier van de vijf facturen, voor een totaalbedrag van € 140.008,02, zijn gedrukt op briefpapier met briefhoofd II en vermelding van een rekeningnummer op naam van [appellanten].
2.8.
In een e-mail van 6 januari 2025 hebben [eisers] aan [bedrijf 1] uiteengezet welke werkzaamheden nog verricht moeten worden. Ook hebben [eisers] bezwaar gemaakt tegen een lijst met meerwerk.
2.9.
Bij vonnis van 14 januari 2025 heeft deze rechtbank [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [curator] als curator (hierna: de curator).
2.10.
In een e-mail van [eisers] aan de curator van 12 februari 2025 hebben [eisers] de aannemingsovereenkomst ontbonden. In reactie hierop heeft de curator nog dezelfde dag bericht dat het vanuit de boedel niet mogelijk is om lopende verplichtingen na te komen en/of werkzaamheden voort te zetten.
2.11.
Op 10 maart 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 649,65 aan [eisers] terugbetaald.
2.12.
[eisers] hebben [bedrijf 2] verzocht een offerte op te stellen voor de nog resterende werkzaamheden in de woning. Op 24 maart 2025 heeft [bedrijf 2] een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 90.078,50.
2.13.
Op 14 mei 2025 hebben [eisers] ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag onder ING Bank N.V. laten leggen.
2.14.
In een brief van 26 mei 2025 hebben [eisers] [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van een bedrag van € 140.008,02, dan wel een bedrag van € 35.449,46 aan schadevergoeding.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen, samengevat:
primair
I. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers] te betalen een bedrag van € 140.008,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verstrijken van de sommatie (10 juni 2025), althans de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
II. [gedaagde] te veroordelen om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 2.175,08 aan buitengerechtelijke incassokosten;
subsidiair
III. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers] te betalen een bedrag van € 35.449, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verstrijken van de sommatie (10 juni 2025), althans de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.129,49 aan buitengerechtelijke incassokosten;
primair, subsidiair en meer subsidiair
V. [gedaagde] te veroordelen aan [eisers] te betalen een bedrag van € 787,01 aan beslagkosten;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis.
3.2.
[eisers] stellen dat zij een bedrag van € 140.008,02 onverschuldigd aan [gedaagde] hebben betaald, omdat een rechtsgrond voor de betaling ontbreekt. [gedaagde] is verplicht dit bedrag terug te betalen. Als vast komt te staan dat met betaling aan [gedaagde] wel bevrijdend is betaald voor de werkzaamheden dan stellen [eisers] dat zij veel meer hebben betaald dan dat is geleverd door [bedrijf 1]. Omdat de curator heeft medegedeeld dat de aannemingsovereenkomst niet meer zal worden nagekomen is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en verkeert [bedrijf 1] in verzuim. [eisers] hebben de aannemingsovereenkomst ontbonden voor het gedeelte dat nog niet is uitgevoerd. [eisers] vorderen terugbetaling van hetgeen niet is geleverd en maken daarnaast aanspraak op aanvullende schadevergoeding.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert aan dat zij de van [eisers] ontvangen bedragen aan [bedrijf 1] ter beschikking heeft gesteld om de aannemingsovereenkomst door [bedrijf 1] te kunnen uitvoeren. [eisers] moeten – gelet op het faillissement van [bedrijf 1] – hun vordering bij de curator van [bedrijf 1] indienen en niet bij [gedaagde]. Van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst is geen sprake, omdat [gedaagde] niet tekort kan schieten in de nakoming van een overeenkomst die [eisers] niet met haar maar met [bedrijf 1] hebben gesloten. Bovendien is het merendeel van de werkzaamheden conform afspraak uitgevoerd en hebben [eisers] geen formele ingebrekestelling uitgebracht zodat geen sprake is van verzuim of van een rechtsgeldige ontbinding. De offerte van [bedrijf 2] ziet op werkzaamheden die niet onder de aannemingsovereenkomst vallen en is veel hoger dan redelijk. De gestelde schade is daarmee ongefundeerd en onvoldoende onderbouwd.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen sprake van onverschuldigde betaling
4.1.
[eisers] vorderen primair terugbetaling van een bedrag van € 140.008,02, omdat zij dit bedrag zonder rechtsgrond, en daarmee onverschuldigd, aan [gedaagde] hebben betaald. Deze vordering zal worden afgewezen. De rechtbank licht dit toe.
4.2.
Het enkele feit dat [eisers] heeft betaald door storting op een ander rekeningnummer dan het rekeningnummer van degene met wie zij hebben gecontracteerd leidt nog niet tot de conclusie dat de betalingen die [eisers] op de bankrekening van [gedaagde] hebben gedaan onverschuldigd zijn verricht. In art. 6:32 van Pro het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat betaling aan een ander dan de schuldeiser, of aan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is de betaling te ontvangen, de schuldenaar bevrijdt, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat. Uit het eigen betoog van [eisers] is duidelijk dat zij beoogden aan [bedrijf 1] te betalen ter nakoming van hun verplichtingen onder de aannemingsovereenkomst. Zij hebben niet weersproken dat zij de sub 2.5. vermelde email hebben ontvangen. Ter zitting is gebleken dat de daarin opgenomen mededeling met [bedrijf 1] was afgestemd (en tot doel had gelden in veiligheid te brengen omdat [bedrijf 1] door schuldeisers op de huid werd gezeten). [gedaagde] heeft verklaard dat de door haar ontvangen betalingen zijn doorgeleid aan [bedrijf 1] en [bedrijf 1] heeft dat ter zitting bevestigd. [bedrijf 1] heeft desgevraagd verklaard dat de betalingen (mede) gebruikt zijn voor het betalen van materiaal en arbeid ten behoeve van de werkzaamheden in de woning, die feitelijk door anderen dan [bedrijf 1] werden uitgevoerd.
In deze uitlatingen ligt bevestiging besloten van de beide voorwaarden die evengenoemde bepaling zijn gesteld. Daarop strandt de vordering.
Geen tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst
4.3.
Subsidiair stellen [eisers] dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, omdat het merendeel van de werkzaamheden door [bedrijf 1] niet is verricht en [eisers] dus meer hebben betaald dan waarvoor is geleverd. Op die grond vorderen [eisers] schadevergoeding voor een bedrag van € 35.449,46 (het verschil tussen de kosten om het werk af te maken volgens de offerte van [bedrijf 2] en het bedrag dat onder de aannemingsovereenkomst nog door [bedrijf 1] gefactureerd had kunnen worden).
4.4.
Ook deze vordering wordt afgewezen. Vast staat dat [gedaagde] geen contractspartij is bij de aannemingsovereenkomst. Als [eisers] menen dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst, dan dienen zij hiervoor [bedrijf 1] als contractspartij aan te spreken. Van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door [gedaagde] kan in deze constellatie geen sprake zijn. Omdat [bedrijf 1] in staat van faillissement verkeert en de aannemingsovereenkomst (gedeeltelijk) is ontbonden, moeten [eisers] zich ter zake wenden tot de curator van [bedrijf 1].
Conclusie
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel de primaire vordering als de subsidiaire vordering niet toewijsbaar zijn. De vorderingen tot terugbetaling dan wel betaling van schadevergoeding en de daarover gevorderde wettelijke rente, zullen daarom worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
Omdat de hoofdvordering wordt afgewezen, wordt de vordering van [eisers] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ook afgewezen.
Beslagkosten
4.7.
[eisers] vorderen [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Het beslag is onrechtmatig, omdat het is gelegd op grond van een niet aan [eisers] toekomende vordering.
Proceskosten
4.8.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [eisers] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.381,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.381,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
1589