De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam op 3 augustus 2012 veroordeeld tot betaling van een ontnemingsmaatregel van €52.671,79, welke onherroepelijk werd op 28 januari 2014. Op 3 november 2025 diende de veroordeelde een verzoek in tot kwijtschelding of vermindering van deze betalingsverplichting op grond van artikel 6:6:26 SvPro, stellende dat hij vanwege een bijstandsuitkering en gezondheidsklachten onvoldoende draagkracht heeft.
De rechtbank behandelde het verzoek op 17 februari 2026, waarbij het CJIB en het Openbaar Ministerie hun standpunten gaven. Het CJIB erkende de financiële situatie van de veroordeelde en stemde in met een verlaging van het bedrag zodat aflossing binnen een redelijke termijn mogelijk is. Het Openbaar Ministerie wees het primaire verzoek tot kwijtschelding af, maar steunde het subsidiaire verzoek tot vermindering.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde maandelijks €75 kan aflossen en dit naar verwachting kan volhouden, waardoor kwijtschelding niet gerechtvaardigd is. Wel werd het bedrag verminderd tot €4.500,00, zodat de veroordeelde binnen vijf jaar het bedrag kan voldoen. Deze beslissing werd op 3 maart 2026 uitgesproken door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de ontnemingsmaatregel tot €4.500,00 wegens onvoldoende draagkracht van de veroordeelde.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
raadkamernummer : 25-031067
datum : 3 maart 2026
Beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van
artikel 6:6:26 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[naam veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Amsterdam heeft aan de veroordeelde bij arrest van 3 augustus 2012 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 52.671,79. Deze ontnemingsmaatregel is op 28 januari 2014 onherroepelijk geworden.
Procedure
Het verzoekschrift ex artikel 6:6:26 SvPro is op 3 november 2025 op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 10 februari 2026 heeft het CJIB schriftelijk gereageerd op het door de veroordeelde ingediende verzoek.
De rechtbank heeft op 17 februari 2026 het verzoek ter openbare terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie, mr. J.A. Zwinkels, de verzoeker en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, gehoord.
Verzoek
Het verzoek strekt tot kwijtschelding, subsidiair vermindering van het resterend te betalen bedrag van de aan de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat tot een bedrag van € 4.500,00.
In het verzoekschrift en ter zitting heeft de raadsman namens de veroordeelde aangevoerd dat uit de inkomensgegevens van de veroordeelde blijkt dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht heeft om het resterend te betalen bedrag van € 47.415,00 te voldoen. De veroordeelde ontvangt sinds 2007 een zogenoemde bijstandsuitkering en wegens gezondheidsklachten is hij vrijgesteld van de sollicitatieplicht. De veroordeelde betaalt op dit moment € 75,00 per maand en dit is voor hem de maximale afloscapaciteit gelet op zijn vaste lasten en financiële verplichtingen ten opzichte van zijn kinderen. Er is daarmee sprake van een structureel gebrek aan draagkracht om het te betalen bedrag te voldoen. De aflossingscapaciteit zal niet vergroten in de toekomst en het betaaltempo kan daarom niet omhoog. Dit is reden om te verzoeken het openstaande bedrag kwijt te schelden danwel het nog te betalen bedrag te matigen naar 4.500,00, zijnde een bedrag dat de veroordeelde met een aflossing van € 75,00 per maand binnen een redelijke termijn, een periode van vijf jaar, kan voldoen.
Standpunt van het CJIB
Het CJIB heeft in reactie op het ingediende verzoek laten weten dat zij het door de veroordeelde gestelde over zijn financiële situatie steeds heeft erkend middels het toestaan van betalingsregelingen. Bovendien heeft het CJIB de verplichtingen op grond van de betalingsregeling voor een periode van drie jaar opgeschort toen de veroordeelde werd toegelaten tot de Minnelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen. Het CJIB ziet in dat een hoger afbetalingstempo dan het huidige niet realistisch is en kan zich vinden in een dusdanige verlaging van de terugbetaalplicht dat totale aflossing in het huidige betaaltempo van € 75,00 per maand in een passend tijdsbestek plaatsvindt, zoals subsidiair verzocht.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire verzoek om het openstaande bedrag kwijt te schelden moet worden afgewezen. In overeenstemming met de zienswijze van het CJIB stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het subsidiaire verzoek kan worden toegewezen. De veroordeelde heeft in voldoende mate aangetoond dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om nu en in de toekomst de gehele betalingsverplichting te voldoen.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 SvPro kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd – voor zover hier van belang – op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij de veroordeelde geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank is op grond van de stukken en wat ter zitting is besproken, van oordeel dat de veroordeelde tot op zekere hoogte draagkracht heeft. De veroordeelde is immers in staat gebleken maandelijks een bedrag van € 75,00 af te lossen en ook is gebleken dat hij dit naar verwachting in de toekomst maandelijks kan blijven voldoen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om het gehele openstaande bedrag kwijt te schelden. Het primaire verzoek van de raadsman wijst de rechtbank daarom af.
De rechtbank wijst het subsidiare verzoek om het bedrag te verminderen tot een bedrag van € 4.500,00 toe en overweegt daartoe als volgt. Met de officier van justitie, het CJIB en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat bij de veroordeelde nu en in de toekomst onvoldoende draagkracht aanwezig is en zal zijn om het gehele te betalen bedrag (in een redelijke termijn) te voldoen. Het Openbaar Ministerie kan zich op advies van het CJIB vinden in de voorgestelde vermindering van de resterende betalingsverplichting tot een bedrag van € 4.500,00. Onder deze omstandigheden wijst de rechtbank het subsidiair verzochte toe.
Beslissing
De rechtbank vermindert het in de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2012 aan de veroordeelde opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag, tot een bedrag van € 4.500,00.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,