3.3.3Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair (medeplegen invoer cocaïne)
De OVC-gesprekken
Ten aanzien van de OVC-gesprekken heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de herkenningen van de stemmen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn. Volgens de raadsvrouw kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de verdachte te horen is op de OVC-gesprekken. Deze OVC-gesprekken kunnen volgens de verdediging daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.
De rechtbank stelt vast dat de OVC-gesprekken hebben plaatsgevonden in de auto van de verdachte. Uit observaties van 20 maart 2024 en 20 mei 2024 blijkt ook dat de verdachte de gebruiker was van de auto. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de stemherkenning van de verdachte door de verbalisanten. De rechtbank betrekt hierin dat de verdachte ook geen verklaring heeft gegeven die dit anders maakt op grond waarvan de rechtbank tot een andere conclusie zou moeten komen.
De rechtbank overweegt verder dat de gestelde onbetrouwbaarheid van de stemherkenning van de medeverdachte als deelnemer aan deze gesprekken, niet relevant is in de zaak van de verdachte. De enkele omstandigheid dat is geverbaliseerd dat ten aanzien van één OVC-gesprek de stem van de verdachte is verwisseld met die van de medeverdachte, doet evenmin af aan de bruikbaarheid van dit gesprek als bewijs, nu alleen is gebleken van een verwisseling van de stemmen en niet dat de verdachte ten onrechte is aangemerkt als deelnemer aan dit gesprek. De rechtbank gebruikt de inhoud van de OVC-gesprekken dan ook voor het bewijs in deze zaak.
Medeplegen
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne omdat de verdachte alleen handelingen heeft verricht nadat de cocaïne al in beslag was genomen. Ook is er geen sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verschillende handelingen heeft verricht die waren gericht op de invoer van de cocaïne. Zijn handelingen lagen (blijkens de OVC-gesprekken en Whatsappberichten) geruime tijd voor de inbeslagname van de cocaïne, maar ook vlak voor en na de inbeslagname van de cocaïne (zijn aanwezigheid op het platform). De verdachte wist ten tijde van zijn aanwezigheid op het platform niet dat de zending cocaïne was onderschept door de douane, zodat zijn handelingen ook op die momenten gericht waren op de invoer van de cocaïne.
Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan de raadsvrouw stelt, ook voldoende bewijs aanwezig dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de cocaïne. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verantwoordelijk was voor het regelen van de uithaal van de cocaïne uit het vliegtuig en samen met anderen bezig was om een schipholmedewerker te regelen die de uithaal zou doen. Toen dit niet lukte, werd de verdachte door de medeverdachte naar Schiphol gebracht en ging de verdachte zelf met een bagagekar naar het platform om de koffers met cocaïne proberen te onderscheppen. De verdachte had hiermee een cruciale rol bij de invoer. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hiermee een onmisbare schakel vormde bij de invoer van de cocaïne en acht daarmee het medeplegen van het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.
3.3.4Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 (witwassen)
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat de in de
tenlastelegging vermelde geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge onmiddellijk of
middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs kon
vermoeden.
Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen
tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan toch bewezen worden geacht dat een
voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de aangedragen feiten en omstandigheden
van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dit het
geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de
herkomst van het voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet
op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een verklaring geeft die hieraan
voldoet, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te (laten) doen
naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het
voorwerp. Uit de resultaten van dat onderzoek zal ten slotte moeten blijken of met
voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de
verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dus of een criminele herkomst
als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
De verdachte is op 20 mei 2024 aangehouden in de woning van zijn partner. Hierbij is
een sporttas van de verdachte aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van in totaal € 25.000,-. Daarnaast is in de sporttas van de verdachte een autosleutel van een Audi A3, passend bij het voertuig met kenteken [kentekennummer], aangetroffen. Dit voertuig staat op naam van de verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte werd een horloge van het merk Rolex aangetroffen. Verder blijkt uit onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte dat er gedurende de ten laste gelegde periode in totaal een bedrag van € 9.140,- aan contant geld op zijn rekening is gestort. Ook blijkt uit dit onderzoek dat de bekende inkomsten van de verdachte onvoldoende zijn om de vaste lasten te kunnen betalen. Op de bankrekeningen van de verdachte zijn voorts geen transacties zichtbaar die wijzen op een (af)betaling van de Audi A3 of het Rolex horloge.
Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, alsmede de
verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een Opiumwet gerelateerd feit,
is de rechtbank van oordeel dat een vermoeden van witwassen jegens de verdachte
gerechtvaardigd is. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een
concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit
een legale herkomst van de geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge zou kunnen blijken.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft – voor het eerst ter terechtzitting van 17 februari 2026 – een verklaring
afgelegd over de herkomst van het geld, de auto en het horloge.
De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag van € 25.000,- komt er
kort gezegd op neer dat hij een bedrag ter hoogte van € 15.000,- heeft geleend van zijn
moeder, afkomstig uit haar AOW-uitkering, en dat hij het resterende gedeelte heeft
gewonnen met gokken. Deze verklaring is door de raadsvrouw onderbouwd met een
e-mailbericht van de zus van de verdachte van 5 februari 2025. In dit bericht staat dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 15.000,- afkomstig is uit het pensioen van hun
moeder en dat zij dit geld heeft gepind voor haar moeder.
Ten aanzien van de Audi A3 heeft de verdachte verklaard dat hij deze heeft aangeschaft met
geleend geld van zijn familie. Over het Rolex horloge heeft de verdachte verklaard dat hij
deze heeft gekregen van zijn neefje. De contante stortingen van in totaal een bedrag van € 9.140,- waren geldbedragen van zijn vriendin die hij voor haar moest storten op zijn
bankrekening.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en
verifieerbaar is.
Ten aanzien van de herkomst van het contante geldbedrag van € 25.000,- heeft de verdachte weliswaar reeds op de pro forma zitting van 10 februari 2025 gewezen op het e-mailbericht van de zus van de verdachte, maar in dit bericht wordt slechts een mogelijke verklaring gegeven voor de herkomst van een deel (€ 15.000,-) van het totaalbedrag. De rechtbank stelt bovendien vast dat het gestelde in het e-mailbericht verder op geen enkele wijze nader is geconcretiseerd. Zo beschikt de rechtbank bijvoorbeeld niet over een schriftelijke leenovereenkomst, dan wel bankafschriften waaruit blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 15.000,- aan contant geld van de bankrekening van de moeder van de verdachte is opgenomen. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij het geld zou gebruiken om een woning voor zijn moeder in Suriname aan te kopen, dan wel te bouwen, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Blijkens de verklaring van de verdachte was zijn moeder op het moment van zijn aanhouding namelijk al ernstig ziek en wist zij van niets. Dat geldt temeer nu in het e-mailbericht van de zus van de verdachte deze bestemming van het geld niet is vermeld.
De stelling van de verdachte dat hij het resterende bedrag dat in de tas is aangetroffen (€ 10.000,-) door gokken heeft gewonnen, heeft hij op geen enkele wijze geconcretiseerd.
Ook ten aanzien van de herkomst van de Audi A3 en het Rolex horloge heeft de verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven. Het blijft bij de enkele opmerking dat het geld aan hem is geleend door familie, afkomstig is van zijn vriendin en hij het horloge heeft gekregen van een neefje.
Onder deze omstandigheden is het Openbaar Ministerie niet gehouden nader onderzoek te
verrichten naar de verklaring van de verdachte.
De rechtbank concludeert dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge (onmiddellijk of
middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft
schuldig gemaakt aan opzetwitwassen.