ECLI:NL:RBNHO:2026:2918

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
15/022590-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer cocaïne, wapenbezit en witwassen met gevangenisstraf van vijf jaar

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van de invoer van ongeveer 120,6 kilogram cocaïne op 19 mei 2024, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 20 mei 2024, en het witwassen van diverse geldbedragen, een Audi A3 en een Rolex horloge in de periode van 19 mei 2023 tot en met 20 mei 2024.

De verdediging voerde onder meer een beroep op vormverzuim wegens onrechtmatig onderzoek aan de telefoon van verdachte, maar dit werd verworpen omdat het beroep niet voldoende gemotiveerd was volgens artikel 359a Sv. De rechtbank achtte de stemherkenning in OVC-gesprekken betrouwbaar en concludeerde dat verdachte een cruciale rol had bij de invoer van de cocaïne, waarmee medeplegen bewezen werd.

Ten aanzien van het witwassen oordeelde de rechtbank dat de verdachte onvoldoende concrete en verifieerbare verklaringen gaf over de herkomst van het geld, de auto en het horloge, waardoor het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaren op, met aftrek van voorarrest, en schorste de voorlopige hechtenis. Tevens werden geldbedragen, auto en horloge verbeurd verklaard en het vuurwapen en munitie onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen invoer cocaïne, wapenbezit en witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/022590-24 (P)
Uitspraakdatum: 3 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 februari 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 te Rotterdam,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.M. de Leeuw en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.B.M. Nohl, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, op plaatsen in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1 primair:
het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 120,6 kilogram cocaïne op 19 mei 2024;
feit 1 subsidiair:
het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen om 120,6 kilogram cocaïne opzettelijk binnen Nederland te brengen en/of te vervoeren in de periode van 20 maart 2024 tot en met 19 mei 2024;
feit 2:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie (WWM) en munitie van categorie III op 20 mei 2024;
feit 3:
het medeplegen van (een gewoonte maken van) (schuld)witwassen van diverse geldbedragen, een auto en een horloge in de periode van 19 mei 2023 tot en met 20 mei 2024.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Op de verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vormverzuim ex artikel 359a Sv
De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar het Landeck-arrest (HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830) – betoogd dat het onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte onrechtmatig is geweest. Op voorhand was te voorzien dat een min of meer volledig beeld kon worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de verdachte, zodat voorafgaande toestemming nodig was van de rechter-commissaris. Nu dit niet is gebeurd, is inbreuk gemaakt op het recht op privacy van de verdachte en is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidende onderzoek dat moet leiden tot bewijsuitsluiting van de op de telefoon aangetroffen gegevens.
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verweer en overweegt daartoe als volgt.
Van de verdediging mag worden verlangd, als zij een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit moet leiden. De eerste factor is het belang dat het geschonden voorschrift dient. De tweede factor is de ernst van het verzuim. De derde factor is het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).
De raadsvrouw heeft op grond van artikel 359a Sv bewijsuitsluiting bepleit, evenwel zonder zich kennelijk rekenschap te geven van de gevallen waarin dit rechtsgevolg in aanmerking kan komen (HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5322). Ook heeft de raadsvrouw haar beroep op toepassing van artikel 359a Sv niet gemotiveerd aan de hand van alle in artikel 359a Sv bedoelde factoren. In het bijzonder heeft de raadsvrouw niet gemotiveerd onderbouwd wat de ernst van het verzuim is. Omdat het betoog van de raadsvrouw niet voldoet aan de daaraan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad te stellen eisen behoeft het aangevoerde verder geen bespreking.
3.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.3
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair (medeplegen invoer cocaïne)
De OVC-gesprekken
Ten aanzien van de OVC-gesprekken heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de herkenningen van de stemmen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn. Volgens de raadsvrouw kan niet onomstotelijk worden vastgesteld dat de verdachte te horen is op de OVC-gesprekken. Deze OVC-gesprekken kunnen volgens de verdediging daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.
De rechtbank stelt vast dat de OVC-gesprekken hebben plaatsgevonden in de auto van de verdachte. Uit observaties van 20 maart 2024 en 20 mei 2024 blijkt ook dat de verdachte de gebruiker was van de auto. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de stemherkenning van de verdachte door de verbalisanten. De rechtbank betrekt hierin dat de verdachte ook geen verklaring heeft gegeven die dit anders maakt op grond waarvan de rechtbank tot een andere conclusie zou moeten komen.
De rechtbank overweegt verder dat de gestelde onbetrouwbaarheid van de stemherkenning van de medeverdachte als deelnemer aan deze gesprekken, niet relevant is in de zaak van de verdachte. De enkele omstandigheid dat is geverbaliseerd dat ten aanzien van één OVC-gesprek de stem van de verdachte is verwisseld met die van de medeverdachte, doet evenmin af aan de bruikbaarheid van dit gesprek als bewijs, nu alleen is gebleken van een verwisseling van de stemmen en niet dat de verdachte ten onrechte is aangemerkt als deelnemer aan dit gesprek. De rechtbank gebruikt de inhoud van de OVC-gesprekken dan ook voor het bewijs in deze zaak.
Medeplegen
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne omdat de verdachte alleen handelingen heeft verricht nadat de cocaïne al in beslag was genomen. Ook is er geen sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verschillende handelingen heeft verricht die waren gericht op de invoer van de cocaïne. Zijn handelingen lagen (blijkens de OVC-gesprekken en Whatsappberichten) geruime tijd voor de inbeslagname van de cocaïne, maar ook vlak voor en na de inbeslagname van de cocaïne (zijn aanwezigheid op het platform). De verdachte wist ten tijde van zijn aanwezigheid op het platform niet dat de zending cocaïne was onderschept door de douane, zodat zijn handelingen ook op die momenten gericht waren op de invoer van de cocaïne.
Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan de raadsvrouw stelt, ook voldoende bewijs aanwezig dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de invoer van de cocaïne. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verantwoordelijk was voor het regelen van de uithaal van de cocaïne uit het vliegtuig en samen met anderen bezig was om een schipholmedewerker te regelen die de uithaal zou doen. Toen dit niet lukte, werd de verdachte door de medeverdachte naar Schiphol gebracht en ging de verdachte zelf met een bagagekar naar het platform om de koffers met cocaïne proberen te onderscheppen. De verdachte had hiermee een cruciale rol bij de invoer. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hiermee een onmisbare schakel vormde bij de invoer van de cocaïne en acht daarmee het medeplegen van het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen.
3.3.4
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 (witwassen)
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat de in de
tenlastelegging vermelde geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge onmiddellijk of
middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs kon
vermoeden.
Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen
tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan toch bewezen worden geacht dat een
voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de aangedragen feiten en omstandigheden
van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dit het
geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de
herkomst van het voorwerp. Een dergelijke verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet
op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een verklaring geeft die hieraan
voldoet, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te (laten) doen
naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het
voorwerp. Uit de resultaten van dat onderzoek zal ten slotte moeten blijken of met
voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de
verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dus of een criminele herkomst
als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
De verdachte is op 20 mei 2024 aangehouden in de woning van zijn partner. Hierbij is
een sporttas van de verdachte aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van in totaal € 25.000,-. Daarnaast is in de sporttas van de verdachte een autosleutel van een Audi A3, passend bij het voertuig met kenteken [kentekennummer], aangetroffen. Dit voertuig staat op naam van de verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte werd een horloge van het merk Rolex aangetroffen. Verder blijkt uit onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte dat er gedurende de ten laste gelegde periode in totaal een bedrag van € 9.140,- aan contant geld op zijn rekening is gestort. Ook blijkt uit dit onderzoek dat de bekende inkomsten van de verdachte onvoldoende zijn om de vaste lasten te kunnen betalen. Op de bankrekeningen van de verdachte zijn voorts geen transacties zichtbaar die wijzen op een (af)betaling van de Audi A3 of het Rolex horloge.
Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, alsmede de
verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een Opiumwet gerelateerd feit,
is de rechtbank van oordeel dat een vermoeden van witwassen jegens de verdachte
gerechtvaardigd is. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een
concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waaruit
een legale herkomst van de geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge zou kunnen blijken.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft – voor het eerst ter terechtzitting van 17 februari 2026 – een verklaring
afgelegd over de herkomst van het geld, de auto en het horloge.
De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag van € 25.000,- komt er
kort gezegd op neer dat hij een bedrag ter hoogte van € 15.000,- heeft geleend van zijn
moeder, afkomstig uit haar AOW-uitkering, en dat hij het resterende gedeelte heeft
gewonnen met gokken. Deze verklaring is door de raadsvrouw onderbouwd met een
e-mailbericht van de zus van de verdachte van 5 februari 2025. In dit bericht staat dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 15.000,- afkomstig is uit het pensioen van hun
moeder en dat zij dit geld heeft gepind voor haar moeder.
Ten aanzien van de Audi A3 heeft de verdachte verklaard dat hij deze heeft aangeschaft met
geleend geld van zijn familie. Over het Rolex horloge heeft de verdachte verklaard dat hij
deze heeft gekregen van zijn neefje. De contante stortingen van in totaal een bedrag van € 9.140,- waren geldbedragen van zijn vriendin die hij voor haar moest storten op zijn
bankrekening.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en
verifieerbaar is.
Ten aanzien van de herkomst van het contante geldbedrag van € 25.000,- heeft de verdachte weliswaar reeds op de pro forma zitting van 10 februari 2025 gewezen op het e-mailbericht van de zus van de verdachte, maar in dit bericht wordt slechts een mogelijke verklaring gegeven voor de herkomst van een deel (€ 15.000,-) van het totaalbedrag. De rechtbank stelt bovendien vast dat het gestelde in het e-mailbericht verder op geen enkele wijze nader is geconcretiseerd. Zo beschikt de rechtbank bijvoorbeeld niet over een schriftelijke leenovereenkomst, dan wel bankafschriften waaruit blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 15.000,- aan contant geld van de bankrekening van de moeder van de verdachte is opgenomen. Bovendien acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij het geld zou gebruiken om een woning voor zijn moeder in Suriname aan te kopen, dan wel te bouwen, op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Blijkens de verklaring van de verdachte was zijn moeder op het moment van zijn aanhouding namelijk al ernstig ziek en wist zij van niets. Dat geldt temeer nu in het e-mailbericht van de zus van de verdachte deze bestemming van het geld niet is vermeld.
De stelling van de verdachte dat hij het resterende bedrag dat in de tas is aangetroffen (€ 10.000,-) door gokken heeft gewonnen, heeft hij op geen enkele wijze geconcretiseerd.
Ook ten aanzien van de herkomst van de Audi A3 en het Rolex horloge heeft de verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven. Het blijft bij de enkele opmerking dat het geld aan hem is geleend door familie, afkomstig is van zijn vriendin en hij het horloge heeft gekregen van een neefje.
Onder deze omstandigheden is het Openbaar Ministerie niet gehouden nader onderzoek te
verrichten naar de verklaring van de verdachte.
De rechtbank concludeert dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging vermelde geldbedragen, Audi A3 en Rolex horloge (onmiddellijk of
middellijk) afkomstig waren uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft
schuldig gemaakt aan opzetwitwassen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
Primair
hij op 19 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 120,6 kilogram cocaïne;
2.
hij op 20 mei 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock (kaliber 9 mm) zijnde een
vuurwapen in de vorm van een pistool en 50 stuks scherpe munitie (kaliber 9 mm) van categorie III voorhanden heeft gehad;
3.
hij in de periode van 19 mei 2023 tot en met 20 mei 2024 in Nederland zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij voorwerpen en geldbedragen, te weten
- geldbedragen van totaal € 25.000,- en
- geldbedragen van totaal € 9.140,- en
- een Audi A3 ([kentekennummer]) en
- een horloge (Rolex Oyster Perpetual Date)
voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist deze - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3:
witwassen, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft hij geen strafbare feiten gepleegd en er zijn inmiddels bijna twee jaar verstreken. Ook is naar voren gebracht dat de eis, in vergelijking tot soortgelijke zaken, buitenproportioneel is. Gelet daarop heeft de raadsvrouw verzocht om de strafeis te matigen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 120,6 kilogram cocaïne vanuit Gambia. De cocaïne zat verstopt in vier koffers en is per passagiersvlucht naar Nederland vervoerd.
De verdachte heeft hiermee een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. De verspreiding van en de georganiseerde handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van zware criminaliteit en dit heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo is een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten te relateren aan de behoefte aan verdovende middelen van gebruikers en gaat de handel in drugs de laatste jaren steeds vaker gepaard met zeer ernstige geweldsdelicten.
De verdachte was werkzaam bij een bedrijf dat op Schiphol is gevestigd en vervulde een cruciale rol bij de invoer van de cocaïne. Hij kon zich door het gebruik van zijn Schipholpas over het beveiligde terrein van Schiphol bewegen. Hij zou een schipholmedewerker regelen die de uithaal zou doen. Toen bleek dat de verdachte niemand kon regelen om de koffers met cocaïne uit het vliegtuig te halen, is hij zelf naar het platform gegaan om de koffers proberen te onderscheppen. De verdachte heeft daarmee op ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn positie. Voor de bestrijding van de internationale handel in harddrugs is het van groot belang dat vooral ook medewerkers van een (lucht)haven weerstand bieden tegen de verleiding zich in te laten met de invoer van harddrugs. De verdachte deed dit niet, had voor de hiervoor genoemde gevolgen geen oog en heeft zich bij het plegen van het feit enkel laten leiden door het oogmerk van snel en eenvoudig financieel gewin. De verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd, maar ook de luchthaven Schiphol en de op het luchthaventerrein gevestigde bedrijven in diskrediet gebracht.
Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en (bijbehorende) munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en is daarom bij wet verboden.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van diverse geldbedragen, een Audi A3 en een Rolex horloge. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de overheid worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.
In het bijzonder de combinatie van de bewezen verklaarde feiten vindt de rechtbank zeer zorgelijk.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 5 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De op te leggen straf
De rechtbank komt tot de conclusie dat de aard, ernst en de negatieve maatschappelijke
gevolgen van de bewezen verklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. Voor het bepalen van de hoogte van de
gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank een aanzienlijk kortere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, aangewezen.
Alles afwegend zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.

7.Voorlopige hechtenis

7.1
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht het tot aan de dag van de uitspraak geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de gronden die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid, niet meer aanwezig zijn. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen met ingang van de dag van de uitspraak.
7.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen een opheffing van het tot aan de dag van de uitspraak geschorste bevel tot voorlopige hechtenis en heeft hiertoe aangevoerd dat de ernstige bezwaren en gronden nog steeds aan de orde zijn. Zij heeft zich ook verzet tegen een schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van de dag van de uitspraak.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst af het verzoek van de verdediging tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Uit de in dit vonnis opgenomen bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur blijkt dat de ernstige bezwaren zoals ten grondslag gelegd aan het bevel nog steeds aanwezig zijn. Ook de twaalfjaarsgrond en de recidivegrond die aan het bevel ten grondslag liggen, zijn nog steeds aanwezig.
De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van de rechtbank van 10 februari 2025 met ingang van 12 februari 2025 geschorst tot aan het moment van de einduitspraak. De rechtbank was ten tijde van die beslissing van oordeel dat de doelen, die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd, ook konden worden bereikt door het stellen van een aantal voorwaarden aan een schorsing en heeft de persoonlijke belangen van de verdachte bij invrijheidstelling in die beoordeling betrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke belangen van de verdachte, bestaande uit de zorg voor zijn gezin en het kunnen behouden van zijn woning, om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in vrijheid af te wachten zolang het vonnis niet onherroepelijk is geworden, zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis van de verdachte (opnieuw) schorsen.

8.In beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onder de verdachte zijn – samengevat – de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
  • diverse geldbedragen (items 1 tot en met 7 op de beslaglijst);
  • een personenauto van het merk Audi (item 8 op de beslaglijst);
  • een horloge van het merk Rolex (item 9 op de beslaglijst); en
  • een pistool en munitie (items 12 tot en met 17 op de beslaglijst).
8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verbeurdverklaring gevorderd van de geldbedragen (items 1 tot en met 7), de personenauto (item 8) en het horloge (item 9). Ten aanzien van het pistool en de munitie (items 12 tot en met 17) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
8.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de geldbedragen (items 1 tot en met 7), de personenauto (item 8) en het horloge (item 9) terug te geven aan de verdachte. Ten aanzien van de overige voorwerpen vermeld op de beslaglijst heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
8.3.1
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een aantal van de genoemde geldbedragen (items 2 tot en met 7), de personenauto (item 8) en het horloge (item 9) verbeurd moeten worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.
8.3.2
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten het pistool en de munitie (items 12 tot en met 17), moeten worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren aan de verdachte toe en zijn aangetroffen bij het onderzoek naar de bewezen verklaarde feiten. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang.
8.3.3
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten het geldbedrag van € 2.250,- (item 1), moet worden teruggegeven aan de verdachte. Het onder 3 bewezen verklaarde feit is niet met betrekking tot dat voorwerp begaan. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat dit handelsgeld betreft, zoals door de officier van justitie gesteld.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
  • 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2 en 10 van de Opiumwet; en
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 [vijf] jaren;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;
beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel ook apart is
geminuteerd;
verklaart verbeurd:
2. 5 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-11 IBG 20-05-2024);
3. 20 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-13 IBG 20-05-2024);
4. 20 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-14 IBG 20-05-2024);
5. 24.250 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-17 IBG 20-05-2024);
6. 400 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-18 IBG 20-05-2024);
7. 400 EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-20 IBG 20-05-2024);
8. 1 STK Personenauto [kentekennummer] (Omschrijving: PL2700-24-045458-25, Zwart, merk: Audi,
chassisnr: Wauzzzgy6maoo79l7);
9. 1 STK Horloge (Omschrijving: PL2700-27BAD230002_17263, Rosegoud, merk: Rolex);
onttrekt aan het verkeer:
12. 1 STK Pistool (Omschrijving: PL2700-24-045458-2);
13. 1 STK Patroonhouder (Omschrijving: PL2700-24-045458-3);
14. 1 STK Patroonhouder (Omschrijving: PL2700-24-045458-4);
15. 1 DS Doos (Omschrijving: PL2700-24-045458-7);
16. 1 STK Patroon (Omschrijving: PL2700-24-045458-12);
17. 1 STK Patroon (Omschrijving: PL2700-24-045458-16); en
gelast de teruggave aan de verdachte van:
1. EUR (Omschrijving: PL2700-24-045458-10 IBG 20-05-2024).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. H.H.E. Boomgaart en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2026.
Bijlage I
Tekst van de tenlastelegging

1.

Zaaksdossier B1 invoer in vereniging van 120,6 kg cocaïne op 19 mei 2024
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 120,6 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
Zaaksdossier B1 Voorbereidingshandelingen invoer/vervoer van cocaïne in vereniging
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 20 maart 2024 tot en met 19 mei 2024, te
Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende ongeveer 120,6 kilogram cocaïne, in elk geval een grote handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen, te doen plegen,
mede te plegen uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
die/dat feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of
- één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en),
immers, heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, toen en daar opzettelijk:
- ( meermalen) (via telecommunicatie en/of persoonlijk) contact gehad en/of overleg gevoerd en/of informatie uitgewisseld (over het beschikbaar zijn op de luchthaven Schiphol van
luchthavenpersoneel voor het uithalen en/of verder vervoeren van voornoemde verdovende
middelen uit het betreffende vliegtuig en/of de aankomsttijd van de betreffende vlucht en/of over de loslocatie van vrachtplaten en/of over het geplaatst zijn van voornoemde verdovende middelen op de betreffende vlucht en/of over de controle van de douane van de betreffende vlucht, althans gesprekken gevoerd in versluierd taalgebruik met betrekking tot het invoeren en vervoeren van (een) grote (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of
- zich gereed gehouden te assisteren bij het uithalen en/of verder vervoeren van voornoemde
verdovende middelen uit het betreffende vliegtuig van de luchthaven Schiphol en/of
- naar het beveiligd gebied op de luchthaven Schiphol is gereisd en/of met een bagagekar naar het betreffende vliegtuig is gereden;

2.

Zaaksdossier B2 voorhanden hebben vuurwapen en munitie
hij op of omstreeks 20 mei 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock (kaliber 9 mm) zijnde een
vuurwapen in de vorm van een revolver en/of pistool en/of een hoeveelheid (50 stuks) (scherpe) munitie (kaliber 9 mm) van categorie III voorhanden heeft gehad;

3.

Zaaksdossier B3 witwassen
hij in of omstreeks de periode van 19 mei 2023 tot en met 20 mei 2024 te Amsterdam en/of
elders in Nederland alleen, althans tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) (telkens) één of meer voorwerp(en) en/of een of meer geldbedrag(en), te weten
- één of meer geldbedrag(en) van totaal (ongeveer) € 25.000,= (in een woning in het Nieuwersluishof) en/of
- één of meer geldbedrag(en) van totaal (ongeveer) € 9.140,= (contante stortingen op eigen rekening(en) in de periode van 06 september 2023 tot en met 19 februari 2024) en/of
- een Audi A3 ([kentekennummer]) en/of
- een horloge (Rolex Oyster Perpetual Date)
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die
voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of
heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en)
voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
(…)