Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3056

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25-032735 en 26-004595
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave van inbeslaggenomen geld wegens onwaarschijnlijkheid verbeurdverklaring bij witwasverdenking

Op 5 november 2025 werd bij een controle bij klagers een totaalbedrag van €54.380,- in contanten aangetroffen en in beslag genomen op verdenking van witwassen. De klagers hebben met bankafschriften, inkomensgegevens en andere bewijsstukken aangetoond dat het geld afkomstig is van eigen bankopnames en legitieme bronnen zoals erfenissen en verkoop van onroerend goed.

De rechtbank heeft het beklag van de klagers tegen de inbeslagname behandeld en geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzet tegen teruggave van het geld. De rechtbank overweegt dat het onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het geld zal verbeurdverklaren, mede omdat de klagers een concrete en verifieerbare verklaring hebben gegeven over de herkomst van het geld.

De rechtbank benadrukt dat onduidelijkheid over de herkomst van giraal geld op zichzelf geen reden is voor een witwasverdenking. Het beslag wordt daarom opgeheven en het geld wordt teruggegeven aan de klagers. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: De rechtbank beveelt teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van €54.380,- aan de klagers wegens onwaarschijnlijkheid van verbeurdverklaring.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Haarlem
raadkamernummer : 25-032735 en 26-004595
uitspraakdatum : 3 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L. Ibisevic, advocaat te Haarlem (Wilsonsplein 15, 2011 VG Haarlem),
en

[klager 2] ,

Geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L. Ibisevic, advocaat te Haarlem (Wilsonsplein 15, 2011 VG Haarlem),
hierna te noemen: de klagers.

Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv Pro, blijkt dat op 5 november 2025 onder klager [klager 1] (verder: beslagene) een geldbedrag van in totaal € 54.380,- in beslag is genomen.

Procedure

Het klaagschrift is op 10 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 3 februari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klagers, de advocaat mr. L. Ibisevic en de officier van justitie op zitting gehoord.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Namens de klagers is aangevoerd dat beslagene in zijn verhoor bij de politie direct een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het inbeslaggenomen geld heeft gegeven, namelijk dat het spaargeld van de klagers betreft dat zij zelf hebben opgenomen van hun bankrekeningen. Beslagene heeft daartoe een week na de inbeslagname uit eigen beweging bewijsstukken aangeleverd. Door de raadsman zijn recent aanvullende stukken toegestuurd, namelijk bankafschriften waarop de contante opnames staan vermeld, een arbeidsovereenkomst, loonspecificaties en inkomstenbelastingdocumenten van klaagster [klager 2] . Klaagster [klager 2] heeft verder aangevoerd dat zij een huis heeft gekocht en verkocht en dat zij twee erfenissen heeft gekregen, waarvan zij er een ongeveer 8-9 jaar geleden van haar broer heeft ontvangen. Dit betroffen twee appartementen en een garage. Daarnaast heeft zij 22 jaar geleden een geldbedrag geërfd en zij heeft altijd hard voor haar geld gewerkt. Een deel van het inbeslaggenomen geld werd in de garagebox bewaard, omdat er enige tijd geleden in de woning van de klagers is ingebroken en zij het risico wilden spreiden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de klagers en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het vooralsnog niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later inhoudelijk oordelende rechter het geldbedrag zal verbeurd verklaren. Daarbij is van belang dat nog steeds onvoldoende duidelijk is wat de herkomst is van het geld op de bankrekeningen. Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klagers zijn daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan de klagers als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van dat voorwerp zal bevelen. Verbeurdverklaring zou in deze zaak in beeld kunnen komen als de beslagene werd veroordeeld voor het witwassen van de geldbedragen.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Op 5 november 2025 werd bij een integrale controle een grote hoeveelheid contant geld bij de klagers aangetroffen, te weten € 54.380,-. Een deel van het geld bevond zich in de garagebox van de klagers (€ 15.480,-), een ander deel bevond zich in een kluis in hun woning (€ 39.000,-). Onder meer omdat het ongebruikelijk is dat privépersonen dergelijke contante geldbedragen voorhanden hebben, is het aangetroffen geldbedrag in beslag genomen en is beslagene aangehouden op verdenking van witwassen.
Beslagene heeft bij de politie direct een verklaring afgelegd over de herkomst van het geld en beide klagers hebben informatie aangeleverd die de herkomst van dat geld verklaren, zoals informatie over hun inkomens en bankafschriften. Het door beslagene opgenomen geldbedrag komt ongeveer overeen met het door de politie inbeslaggenomen geldbedrag. Beslagene heeft aldus een verklaring gegeven voor de herkomst van het contante geld en die verklaring met stukken onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet (langer) verzet tegen opheffing van het beslag, nu het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later inhoudelijk oordelende strafrechter het geld zal verbeurdverklaren. Daarbij overweegt de rechtbank dat eventueel resterende onduidelijkheid over de herkomst van een giraal geldbedrag, wat daar verder van zij, op zichzelf geen onderbouwing kan vormen voor een witwasvermoeden. Het beslag dient dan ook te worden opgeheven.
Hoofdregel is dat hetgeen in beslag is genomen wordt teruggegeven aan de beslagene.
De rechtbank zal het beklag gegrond verklaren en de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de beslagene bevelen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan de beslagene van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 54.380,-.
Deze beslissing is gegeven door
mr. H. Bakker, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.R. Nederstigt-Uijtdewilligen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.