ECLI:NL:RBNHO:2026:3063

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
15/341555-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 57 SrArt. 6 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor dodelijk verkeersongeval en verlaten plaats ongeval

Op 27 december 2023 veroorzaakte de verdachte in Zaandam een dodelijk verkeersongeval door met een vuilnisbakwagen onvoorzichtig en met hogere snelheid dan passend achteruit te rijden, waarbij een voetganger werd aangereden en overreden. Na het ongeval verliet de verdachte de plaats zonder hulp te verlenen, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij iemand had geraakt.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelde, niet voldoende om zich heen keek en geen voorrang verleende aan de overstekende voetganger. Het bewijs bestond uit camerabeelden, schouwverslagen en verklaringen. De verdediging voerde aan dat de feiten niet wettig en overtuigend bewezen konden worden, maar dit werd verworpen.

De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW Pro (dodelijk verkeersongeval) en artikel 7 WVW Pro (verlaten plaats ongeval). Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn, legde de rechtbank een taakstraf van 200 uur op, met een subsidiaire hechtenisstraf van 100 dagen, en een rijontzegging van 12 maanden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur taakstraf, 100 dagen hechtenis subsidiair, en 12 maanden rijontzegging voor dodelijk verkeersongeval en verlaten plaats ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/341555-23
Uitspraakdatum: 24 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [woonplaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
(mr. R.H.I. van Dongen) en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. A.M.T. Wezel, advocaat te Zaandam) naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 27 december 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Veldbloemenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door - nadat hij een voor hem links aan de kant van de weg wachtende voetganger gepasseerd was -, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend
  • met hoge snelheid, althans met hogere snelheid dan de snelheid die gezien de manoeuvre passend en veilig was geweest, en/of
  • zijn voertuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg overzienbaar en vrij was, en/of
  • zonder, althans onvoldoende, om zich heen te kijken naar de aanwezigheid van ander verkeer, en/of
  • onverhoeds achteruit te rijden, en/of
  • een achter hem overstekende voetganger tijdens het achteruit rijden geen voorrang te verlenen, en/of
  • vervolgens die voetganger aan te rijden,
waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer] werd gedood;
Subsidiair
hij op of omstreeks 27 december 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Veldbloemenweg, achteruit is gereden terwijl hij niet, althans onvoldoende, om zich heen heeft gekeken naar de aanwezigheid van ander verkeer en/of zonder een overstekende voetganger voorrang te verlenen, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Feit 2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zaandam op/aan de Veldbloemenweg, op of omstreeks 27 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht en/of was gedood.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie gaat bij het onder 1 primair ten laste gelegde uit van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Er is geen sprake van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en de verdachte heeft geen gevaar of hinder veroorzaakt. Tot slot kan er niet worden vastgesteld dat de verdachte wist of moest vermoeden dat een ongeval had plaatsgevonden.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen feit 1
Het beoordelingskader
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat door zijn schuld een ander dodelijk letsel is toegebracht zoals bedoeld in artikel 6 WVW Pro.
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld moet worden of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro. Verder kan ook niet uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in deze bepaling.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 27 december 2023 heeft omstreeks 08:32 uur een verkeersongeval plaatsgevonden in Zaandam op de kruising van de Veldbloemenweg met de Zonnedauwhoek. De Veldbloemenweg bestaat uit één rijbaan bestemd voor verkeer komende uit beide richtingen met aan beide zijden van de rijbaan een fietsstrook en daarnaast een stoep. Aan de Zonnedauwhoek staat een ondergrondse vuilcontainer.
De verdachte reed die ochtend als bestuurder van een (vuilnis)bakwagen op de Veldbloemenweg in de richting van de Paltrokstraat en passeerde daarbij een kruising waarbij hij rechtsaf had kunnen slaan naar de Zonnedauwhoek. Ter hoogte van deze kruising stond het slachtoffer aan de overzijde van de Zonnedauwhoek met zijn hond op de stoep te wachten. Onmiddellijk nadat de verdachte het slachtoffer voorbij was gereden, stak het slachtoffer de Veldbloemenweg over. Kort daarna realiseerde de verdachte zich dat hij de afslag van de Zonnedauwhoek had gemist. De verdachte heeft de bakwagen toen tot stilstand gebracht op de Veldbloemenweg en is vervolgens met een onmiskenbaar hogere snelheid dan stapvoets achteruit gereden om alsnog rechtsaf te kunnen slaan naar de Zonnedauwhoek. De verdachte is bij dit achteruitrijden tegen het overstekende slachtoffer aangereden en heeft hem overreden, waardoor het slachtoffer is overleden.
Nadat de verdachte achteruit was gereden en de aanrijding had plaatsgevonden, is hij rechtsaf de Zonnedauwhoek opgereden. De verdachte is gestopt naast de ondergrondse vuilcontainer en heeft drie vuilniszakken in zijn bakwagen gelegd. Daarna heeft de verdachte de bakwagen gekeerd om weer weg te rijden. De uitrit waar hij vandaan kwam was echter inmiddels geblokkeerd door een andere auto, omdat die bestuurder hulp aan het verlenen was aan het slachtoffer. De verdachte is vervolgens tussen een boom en het flatgebouw over het plantsoen weggereden de Veldbloemenweg op richting de Paltrokstraat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft zich zodanig in het verkeer gedragen dat door zijn schuld een ander dodelijk letsel is toegebracht.
Op grond van artikel 54 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 moet een bestuurder die een bijzondere manoeuvre wil uitvoeren, zoals achteruitrijden, al het overige verkeer, waaronder voetgangers, op de rijbaan voor laten gaan. Toen de verdachte achteruit wilde rijden op de Veldbloemenweg had hij dan ook eerst goed om zich heen moeten kijken om te zien of er ander verkeer aanwezig was. De verdachte had bovendien extra behoedzaam moeten zijn omdat hij geen gebruik kon maken van de binnenspiegel, omdat het zicht werd belemmerd door een rek met gereedschap op de bak van zijn wagen direct achter de bestuurderscabine.
De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Dit betekent dat de verdachte het slachtoffer heeft gemist zowel gedurende enige tijd dat hij vooruit aan kwam rijden over de Veldbloemenweg (voordat hij de afslag miste) als op het moment dat hij – vrij plotseling – besloot te stoppen en achteruit te gaan rijden. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte op die momenten kennelijk onvoldoende oplettend op ander verkeer is geweest. Bovendien reed hij met een onmiskenbaar hogere snelheid achteruit dan dat gelet op de verkeerssituatie waarin hij de bijzondere manoeuvre uitvoerde, passend en veilig was geweest. Het betrof immers een doorgaande weg in een woonwijk met fietspaden en een stoep, waardoor ander verkeer was te verwachten. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet slechts sprake is geweest van een enkel moment van onoplettendheid (los van het feit dat ook een enkel moment van onoplettendheid onder omstandigheden tot schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro kan leiden). De verdachte heeft steeds vrij zicht gehad op de (verlichte) weg en had het slachtoffer zowel bij het heen- als terugrijden kunnen en moeten zien staan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, waardoor het slachtoffer is overleden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Voor zover de raadsvrouw nog heeft aangevoerd dat de verdachte onbewust onbekwaam was om te rijden, merkt de rechtbank op dat de verdachte op de terechtzitting heeft verklaard dat hij vrij recent, namelijk datzelfde jaar, zijn rijbewijs opnieuw heeft gehaald. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte ten tijde van het ongeval bekwaam was om een voertuig te besturen. Dat uit een na het ongeluk afgenomen CBR-rijvaardigheidsonderzoek is gebleken dat hij op dat moment niet meer voldoende rijvaardig was, maakt dit niet anders. Dit kan immers ook (mede) worden verklaard door de omstandigheid dat de verdachte na het ongeval enige tijd niet heeft gereden en het ongeval van invloed is geweest op zijn prestaties tijdens dat rijvaardigheidsonderzoek.
3.3.3
Bewijsoverwegingen feit 2
Nadat de verdachte het ongeluk had veroorzaakt, is hij weggereden.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft gemerkt van het ongeluk. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij door zijn bijzondere rijmanoeuvre iemand had aangereden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat zichtbaar was dat de bakwagen (iets) omhoog kwam toen de verdachte over het slachtoffer reed en dat uit het schouwverslag blijkt dat het letsel van het slachtoffer passend is bij een scenario waarbij het slachtoffer tweemaal is overreden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat de verdachte dit moet hebben opgemerkt. Direct daarna heeft de verdachte op korte afstand van de plek van het ongeval een aantal vuilniszakken in de bakwagen geladen en is daarbij meerdere keren achter zijn bakwagen gelopen met zicht op de plek van het ongeval, waar verschillende personen het slachtoffer op dat moment te hulp schoten en een auto met waarschuwingslichten en een motor stil stonden op de Veldbloemenweg direct voor de afslag naar de Zonnedauwhoek. Hierdoor werd de uitrit geblokkeerd. Vervolgens heeft de verdachte de geblokkeerde uitrit omzeild door de Zonnedauwhoek te verlaten via een plantsoen, waar hij overheen is gereden.
Gelet op deze feiten en omstandigheden had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij een verkeersongeval had veroorzaakt en dat bij dat verkeersongeval een ander (ten minste) letsel was toegebracht. Het ten laste gelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
Primair
hij op 27 december 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Veldbloemenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door – nadat hij een voor hem links aan de kant van de weg wachtende voetganger gepasseerd was –, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend
  • met hogere snelheid dan de snelheid die gezien de manoeuvre passend en veilig was geweest; en
  • onvoldoende, om zich heen te kijken naar de aanwezigheid van ander verkeer, en
  • onverhoeds achteruit te rijden; en
  • een achter hem overstekende voetganger tijdens het achteruit rijden geen voorrang te verlenen; en
  • vervolgens die voetganger aan te rijden,
waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer] , werd gedood;
Feit 2
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Zaandam op de Veldbloemenweg, op 27 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood,
feit 2
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Ook heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al kwijt is geweest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van de strafmaat.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft op 27 december 2023 als bestuurder van een bakwagen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld, waardoor hij een ongeval met een 82-jarige voetganger heeft veroorzaakt. Het slachtoffer is door de aanrijding zwaargewond geraakt en ter plekke overleden. Ook de hond van het slachtoffer is uiteindelijk overleden door de aanrijding. Na het ongeval is de verdachte doorgegaan met zijn werk en heeft hij de plaats van het ongeval (zonder iemand te informeren) verlaten, terwijl hij had moeten vermoeden dat hij iemand letsel had toegebracht. De verdachte heeft hiermee groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden en alle overige betrokkenen veroorzaakt. Uit de slachtofferverklaring van de dochter van het slachtoffer is gebleken hoe groot het verdriet binnen de familie is en hoezeer het slachtoffer wordt gemist. Het leed van de nabestaanden zal ook door het opleggen van een straf aan de verdachte niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 3 februari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.
Verder heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 6 augustus 2025. De reclassering vermoedt de aanwezigheid van een (licht) verstandelijke beperking bij de verdachte. Interventies of toezicht door de reclassering worden niet noodzakelijk geacht omdat hulpverlening al bij het gezin van de verdachte betrokken is. De reclassering heeft oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.
De rechtbank heeft op de terechtzitting geconstateerd dat de verdachte het, meer dan twee jaar later, nog altijd moeilijk heeft met het ongeluk. De verdachte is naar aanleiding van het ongeval zijn rijbewijs en zijn baan kwijtgeraakt en het ongeval heeft tot veel onderlinge spanningen in zijn gezin geleid.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar. Er zijn geen oriëntatiepunten voor het overtreden van artikel 7 WVW Pro. De rechtbank neemt het bovenstaande als vertrekpunt.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat er enigszins in het voordeel van de verdachte afgeweken dient te worden van het hiervoor genoemde vertrekpunt. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank in beginsel een taakstraf van 220 uur passend zou vinden. In dit geval is echter sprake van overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak dient te zijn afgerond. Als uitgangspunt geldt in deze zaak dat de strafzaak moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn start op het moment dat tegenover de verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hij zal worden vervolgd. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn gestart op 27 december 2023 en het vonnis dateert van 24 maart 2026. Daarmee is de redelijke termijn overschreden met bijna drie maanden. De rechtbank houdt met deze overschrijding rekening bij het bepalen van de op te leggen straf en vermindert de taakstraf met 20 uur.
De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 200 uur passend en geboden. Daarbij legt de rechtbank de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van één jaar, met aftrek van de tijd dat de verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 22c, 22d, en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
200 urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Veroordeelt verdachte ter zake van feiten 1 en 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. E. van Kampen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2026.