ECLI:NL:RBNHO:2026:3069

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
15-183949-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling en medeplegen met jeugddetentie en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die wordt verdacht van een steekincident in Alkmaar. De verdachte heeft tussen 12 en 13 april 2025 een ander meerdere malen met een mes in het been gestoken en samen met een mededader het slachtoffer geslagen en getrapt. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en medeplegen van poging tot zware mishandeling.

De verdediging voerde aan dat het onderzoek aan de telefoon van de verdachte onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een rechterlijke machtiging, maar de rechtbank oordeelde dat er wel toestemming was gegeven en verwierp het verweer. Het bewijs bestond uit verklaringen, videobeelden, locatiegegevens en telefoononderzoek.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 150 dagen op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en stelde bijzondere voorwaarden vast. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd die de verdachte verbiedt contact te hebben met bepaalde personen, met een vervangende jeugddetentie bij overtreding.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen voor materiële en immateriële schade, met een totaalbedrag van €2.601,50 plus wettelijke rente. De rechtbank achtte de straf passend gezien de ernst van het delict, het recidiverisico en de maatschappelijke onrust door rivaliserende jeugdgroepen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie, waarvan 60 voorwaardelijk, met vrijheidsbeperkende maatregel en gedeeltelijke schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15-183949-25 (P)
Uitspraakdatum: 5 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 22 januari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd in Forensisch Centrum [Forensisch Centrum] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] en van wat namens hem door mr. J.G. Burgers, waarnemend voor mr. L. Jense, naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meerdere malen met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
hij op of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een of meerdere malen op/tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft/hebben geslagen en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar op de [openbare weg] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [de benadeelde partij] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of trappen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten omdat het onderzoek aan de Apple Iphone 13 Pro Max-telefoon van de verdachte onrechtmatig is geweest. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman gewezen op het zogenaamde Landeck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025. Uit deze arresten volgt dat onderzoek aan opgeslagen gegevens in mobiele telefoons een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens) opleveren. Gelet daarop is toestemming door een rechter of onafhankelijke autoriteit vereist voordat een telefoon wordt doorzocht. In de onderhavige zaak ontbreekt echter een machtiging van de rechter-commissaris. De raadsman stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de met dit onderzoek verkregen gegevens. Hieruit volgt dat er volgens de raadsman onvoldoende wettig bewijs resteert voor een veroordeling.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmotivering feit 1 en feit 2 primair
Geen vormverzuim
Gezien het Landeck-arrest kan worden gesteld dat in alle gevallen, ongeacht de aard en ernst van de inbreuk, voorafgaand aan het veiligstellen van op een telefoon aanwezige gegevens en aan het rechtstreeks raadplegen daarvan, toestemming van een rechter of een onafhankelijke autoriteit is vereist, nu de uit een telefoon verkregen gegevens een min of meer compleet beeld van het privéleven van een verdachte kunnen geven en de inbreuk dus zeer ingrijpend kan zijn.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier ten aanzien van de Apple Iphone 13 Pro Max-telefoon van de verdachte de machtiging tot toestemming van de rechter-commissaris op een vordering strekkende tot het verkrijgen van een machtiging voor onderzoek van gegevens in een elektronische gegevensdrager en/of geautomatiseerd werk ontbreekt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 19 juni 2025 blijkt dat deze telefoon in een ander onderzoek, te weten [onderzoek] , in beslag is genomen en de inhoud van het toestel is opgeslagen. Door de rechter-commissaris [rechter-commissaris] is op 25 april 2025 een machtiging afgegeven om gegevens afkomstig uit deze elektronische gegevensdrager binnen het onderzoek te gebruiken, zo blijkt uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 19 juni 2025. Dit proces-verbaal betreft een onder ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen en de rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Hoewel dus weliswaar de machtiging als zodanig ontbreekt stelt de rechtbank vast dat er wel sprake is van de benodigde toestemming. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en concludeert dat er geen sprake is van een vormverzuim.
Bewezenverklaring
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de in de bijlage bij dit vonnis weergegeven bewijsmiddelen. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Tussen zaterdag 12 april 2025 om 23:58 uur en zondag 13 april 2025 om 00:00 uur is aangever [de benadeelde partij] op straat in Alkmaar klemgereden door twee personen en door een van beide personen meerdere keren met een mes gestoken. Ook is de aangever door deze twee personen meerdere malen geslagen en geschopt, waaronder tegen zijn hoofd.
In het dossier zitten foto’s van de steekwonden op het bovenbeen van de aangever en een letselverklaring. Uit deze letselverklaring blijkt dat de aangever als gevolg van het geweld een bult op zijn hoofd heeft opgelopen en twee steekwonden op zijn been. Door het steken is een spier geraakt, die moest worden gehecht. Naar het oordeel van de rechtbank kan zowel het meerdere malen steken met het mes in het been als het schoppen tegen het hoofd van de aangever worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van feit 2 sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat gesproken kan worden van medeplegen. Uit zowel de verklaring van de aangever, de getuige, als de beelden van video 7 in de telefoon van de verdachte, blijkt immers dat beide daders fysiek geweld hebben gebruikt tegen de aangever en zij hem allebei tegen het hoofd hebben getrapt.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte een van de daders is en voorts of verdachte de dader is die heeft gestoken. Voor het beantwoorden van deze vraag is het volgende van belang.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van de verdachte en de telefoon van het slachtoffer. Uit het onderzoek naar de telefoon van het slachtoffer blijkt dat hij na het steekincident bij een filmpje van zijn bebloede been direct aangeeft dat ‘
die [naam] en die [naam] ’erachter zitten. Er is een meld misdaad anoniem-melding gedaan op 17 april 2025 en daarin staat dat [naam] zou wonen op de [straat] in Alkmaar en [naam] op dinsdag 15 april 2025 zelf slachtoffer is geweest van een steekpartij. De verdachte woonde op dat moment op de [straat] in Alkmaar en is op 15 april 2025 in zijn rug gestoken. Verder blijkt uit onderzoek naar de telefoon van de aangever dat hij op de ochtend voorafgaand aan het steekincident van ‘ [naam] ’ een filmpje heeft gekregen waarop een vuurwapen is te zien waarmee richting een boom wordt geschoten, met de tekst
‘Deze ga je soon eten kk bledder’.Dit filmpje is ook teruggevonden in de telefoon van de verdachte, maar dan zonder begeleidende tekst. Verder is er in de telefoon van de verdachte een filmpje gevonden waarop hij messen staat te wassen vrij kort na het steekincident op 14 april 2025 en blijkt uit zijn zoekgeschiedenis dat hij op 11 april 2025 heeft gezocht naar het adres van de aangever. Ook is er in de telefoon van de verdachte een filmpje (video 7) aangetroffen, waarop is te zien dat de aangever in elkaar wordt geslagen. Door de verbalisant die dit filmpje heeft bekeken wordt omschreven dat de schoenen die NN1 draagt overeenkomen met de schoenen die in beslag zijn genomen onder de verdachte. Ook komt de rest van de omschrijving van NN1 overeen met hoe de verdachte er op de dag van het steekincident uit zag, zoals is gebleken uit andere filmpjes die de verdachte die dag van zichzelf heeft gemaakt en die zijn aangetroffen in de telefoon van verdachte. NN1, de bestuurder volgens de aangever en de getuige, is degene die heeft gestoken. Tot slot blijkt uit de locatiegegevens van de telefoon van de verdachte dat zijn telefoon om 23:54:55 uur op de plaats van het steekincident was, terwijl de getuige omstreeks 00:00 uur 112 heeft gebeld.
De verdachte heeft op tal van vragen van de rechtbank over deze hem belastende feiten en omstandigheden geen antwoord willen geven. De verdachte heeft dus geen mogelijk ontlastende verklaring gegeven voor de uit de onderzoeksbevindingen naar voren gekomen belastende informatie, waardoor deze informatie onweersproken is gebleven.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd tot geen andere conclusie leiden dan dat de verdachte een van de daders is geweest en bovendien degene is die heeft gestoken. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de poging tot zware mishandeling (feit 1) en het medeplegen van poging tot zware mishandeling (feit 2 primair) sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaarde gedragingen leveren immers in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende bepalingen slechts enigszins uiteenloopt.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij in de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen met een mes, in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2 (primair):
hij in de periode van 12 april 2025 tot en met 13 april 2025 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen tegen zijn hoofd en lichaam heeft geslagen en getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en 2:
de eendaadse samenloop van:
poging tot zware mishandeling
en
medeplegen van een poging tot zware mishandeling
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de straf en maatregel

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat aan de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden, zoals geadviseerd in het rapport van de Raad van 17 januari 2025. Verder is gevorderd om de contactverboden ook op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel, en om de bijzondere voorwaarden, alsmede de vrijheidsbeperkende maatregel, direct te laten ingaan.
6.2.
Standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten en dat de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden al zeer beperkend, intensief en streng zijn.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
6.3.1.
De straf
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten
Tussen zaterdag 12 april 2025 omstreeks 23:58 uur en zondag 13 april 2025 omstreeks 00:00 uur vond er een (steek)incident plaats in Alkmaar, waarbij het slachtoffer [de benadeelde partij] door de verdachte in zijn been is gestoken. De verdachte en de medeverdachte hebben het slachtoffer daarbij ook geslagen en getrapt, waaronder tegen zijn hoofd, toen hij op de grond lag en hebben daarvan een filmpje gemaakt. Eén van de steekwonden op het been van het slachtoffer was zodanig diep dat de bovenste en de onderste huidlaag, het vlies van de onderliggende spier en de spier zelf waren beschadigd. Dat het voor het slachtoffer een zeer angstige en bedreigende ervaring is geweest waarvan hij nog steeds last heeft, blijkt mede uit de vordering van de benadeelde partij. Hij voelt zich sinds het (steek)incident minder veilig op straat en ervaart spanningsklachten. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat het bewezenverklaarde -dat plaatsvond op straat- zorgt voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit geldt des te meer nu dit (steek)incident onderdeel is van een reeks aan geweldsdelicten tussen twee rivaliserende jeugdgroepen. Deze groepen vormden eerst samen de problematische jeugdgroep [jeugdgroep] , die sinds begin 2024 is opgesplitst in twee kampen, (vermoedelijk) nadat bij een gezamenlijke scooterdiefstal de buit is zoekgeraakt. Naast dit (steek)incident hebben er nog meer steekincidenten en brandstichtingen tussen deze groepen plaatsgevonden. Ook zijn er vermoedens dat deze groepen in het bezit zijn van wapens en dealen in verdovende middelen. Dit baart de rechtbank veel zorgen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder nog gelet op het volgende.
Uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 december 2025, blijkt dat de verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Anderzijds is ook gebleken dat de eerdere schorsing van de verdachte is opgeheven vanwege verdenking van betrokkenheid bij nieuwe strafbare feiten en hij als gevolg daarvan momenteel (opnieuw) in voorlopige hechtenis zit voor de onderhavige feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte (advies)rapportage, gedateerd 17 januari 2026, van [raadsonderzoeker] , raadsonderzoeker bij de Raad, en van wat door de Raad op de zitting naar voren is gebracht. De Raad maakt zich grote zorgen over de verdachte en acht het recidiverisico hoog. De verdachte heeft een ontkennende houding en geeft geen inzicht in zijn gedachten, beweegredenen en motieven. De Raad heeft het idee, mede door de verdenkingen na het bewezenverklaarde, dat de verdachte mogelijk aan het verharden is. Het verleden van de verdachte, waarin hij veel ziek is geweest, en zijn levensverwachting zouden daarbij ook een rol spelen, doordat hij denkt niets meer te verliezen te hebben. Verder is zorgelijk dat de ouders weinig zicht op hem hebben en de verdachte zich zelfbepalend opstelt. De Raad is er ook niet gerust op dat de conflicten tussen de twee rivaliserende groepen opgelost zijn. Er zijn zorgen over de veiligheid van de maatschappij en van de verdachte zelf. De Raad is van mening dat een strak strafrechtelijk kader nodig is om het recidiverisico terug te dringen. Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde adviseert de Raad om de verdachte tot een, deels voorwaardelijke, jeugddetentie te veroordelen. Ook is de Raad van mening dat een ITB Harde Kern passend is voor de verdachte. Diagnostiek is daarbij volgens de Raad noodzakelijk om te onderzoeken hoe de verdachte handelt in risicovolle situaties en in hoeverre er sprake is van een ontwikkelingsachterstand. Ondanks het negatieve deeladvies acht de Raad elektronische controle passend. Het negatieve deeladvies ziet immers op een andere verdenking, waardoor elektronische controle in deze zaak wel mogelijk is.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportage ten behoeve van het haalbaarheidsonderzoek naar de Harde Kern Aanpak van de jeugdreclassering van 20 januari 2026. Dit onderzoek is positief afgesloten.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Voor zware mishandeling met zwaar lichamelijk letsel waarvan volledig herstel valt te verwachten binnen zes maanden na de gebeurtenis geldt in het jeugdstrafrecht als uitgangspunt een onvoorwaardelijke jeugddetentie vanaf drie maanden. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat ook niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Overeenkomstig het advies van de Raad zal de rechtbank een deel daarvan in voorwaardelijke vorm opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (89 dagen) en met een proeftijd van twee jaren, passend is. De rechtbank heeft geconstateerd dat er op diverse leefgebieden zorgen zijn over de verdachte. Om de verdachte te ondersteunen zich in positieve zin te ontwikkelen zal de rechtbank aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de Raad. De rechtbank hoopt dat de verdachte de kans en de hulpverlening die hij krijgt aangrijpt om een positieve wending te geven aan zijn leven.
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op de over de verdachte uitgebrachte rapportage en de door de Raad als hoog ingeschatte kans op herhaling zonder begeleiding en behandeling, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
6.3.2.
De vrijheidsbeperkende maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten is de rechtbank verder van oordeel dat de maatregel dient te worden opgelegd dat de verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met de hieronder genoemde personen, tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt:
- [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [naam] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
De rechtbank acht een contactverbod met bovengenoemde jongeren noodzakelijk, omdat uit de stukken blijkt dat zij alle drie deel uitmaken van (rivaliserende) jeugdgroepen in Alkmaar. [medeverdachte] is de medeverdachte ten aanzien van feit 2. Uit het dossier blijkt verder dat er sprake is geweest van ongewenst (indirect) contact met [naam] . De verdachte heeft immers de dag voorafgaand aan het steekincident niet alleen het adres van het slachtoffer [de benadeelde partij] opgezocht, maar ook dat van [naam] .
Bij overtreding van het contactverbod zal aan de verdachte een vervangende jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van zeven dagen per overtreding, met een maximumduur van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het hoge recidiverisico in combinatie met de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] (feit 1 en feit 2)
De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. L. Jense, heeft namens de benadeelde partij
[de benadeelde partij] een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 4.001,50 tegen de verdachte
wegens materiële schade (€ 501,50) en immateriële schade (€ 3.500,00), die hij als gevolg
van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over
dit bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële
schade bestaat uit kosten voor de pet (€ 25,00) die hij tijdens het steekincident is
kwijtgeraakt en de onherstelbaar beschadigde jas (€ 400,00) en broek (€ 76,50). De
benadeelde partij heeft de jas nog niet terug, maar deze is onherstelbaar beschadigd omdat er
bloedvlekken op zitten die er na negen maanden niet uit zullen gaan. Bovendien wil de
benadeelde partij de jas niet meer aan, omdat deze jas hem herinnert aan het (steek)incident.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is namens de benadeelde partij gesteld
dat hij als gevolg van het (steek)incident zowel lichamelijke klachten heeft, waaronder een
ontsierend litteken en gevoelloosheid rondom het litteken, en psychische klachten, namelijk
spanningsklachten.
7.1.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de
benadeelde partij [de benadeelde partij] volledig kan worden toegewezen.
7.1.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding voor de verloren pet en de beschadigde broek kan worden
toegewezen, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat de jas onherstelbaar beschadigd is. Daarbij kan aan de verdachte niet worden toegerekend dat de benadeelde partij de jas niet meer wil dragen.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld
dat een vergoeding van maximaal € 2.500,00 passend zou zijn.
7.1.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade voor de verloren pet (€ 25,00) en de
onherstelbaar beschadigde broek (€ 76,50) rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde
feiten. Vergoeding van deze schade komt de rechtbank ook billijk voor, gelet op de
onderbouwing. Daarentegen zal de rechtbank de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien
van de gevorderde schade voor de jas (€ 400,00) niet-ontvankelijk verklaren. Onduidelijk is
immers wat de staat van de jas is en nader onderzoek hiernaar, levert naar het oordeel van de
rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op. De benadeelde partij kan dat
deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is gezien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde onmiskenbaar sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, in de zin van artikel 6:106 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Dit betekent dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden en met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 2.500,00 billijk.
Totale schade
De vordering zal dus worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.601,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag van 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: pogingen tot zware mishandelingen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
150 (honderdvijftig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als
algemene voorwaardedat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • zich meldt bij de gecertificeerde instelling de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, afdeling jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering), en zich daarna gedurende de proeftijd op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;
  • zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en (behoudens verlenging) zes maanden meewerkt aan en intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern;
  • meewerkt aan de weekschema’s, de doelen, de afspraken en het contract van het traject ITB Harde Kern;
  • zich houdt aan een locatiegebod, inhoudende dat hij gedurende een avondklok (van 19:00 uur tot 07:00 uur) bij zijn moeder verblijft op het adres [adres] , gedurende de periode van de ITB Harde Kern;
  • vijf dagen per week dagbesteding volgt bij de zorgsportschool, of een soortgelijke organisatie, en meewerkt aan de begeleiding van deze organisatie;
  • zich ter controle van het locatiegebod, dagbesteding en ITB Harde Kern onder elektronische monitoring zal stellen van jeugdreclassering, gedurende de periode van de ITB Harde Kern;
  • meewerkt aan coaching van de Hoofdtrainer, of een soortgelijke organisatie, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk;
  • meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling van FamilySupporters, of een soortgelijke organisatie;
  • op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
o [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
o [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
o [naam] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
zolang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk vindt.
De politie ziet toe op handhaving van deze contactverboden.
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de
maatregeldat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op
geen enkele wijze -direct of indirect- contactzal opnemen, zoeken of hebben met:
- [de benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
- [naam] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
tenzij het contact met toestemming van het Openbaar Ministerie plaatsvindt.
Beveelt dat
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximumduur van zes maanden.
Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de maatregel, gelet op artikel 77we, tweed lid, J° 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,
dadelijk uitvoerbaaris.
Beslissing over de vordering van de benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van € 2.601,50 (
tweeduizend zeshonderdéén euro en vijftig cent), bestaande uit € 101,50 voor de materiële en € 2.500,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.601,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagenjeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Cuvelier, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker en mr. G.D. de Jong, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Kuip,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.