ECLI:NL:RBNHO:2026:312

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/254203-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzettelijke invoer van cocaïne door verdachte met een verleden in drugssmokkel

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 27 september 2025 op Schiphol werd aangehouden met bijna 6,9 kilogram cocaïne, verwerkt in koekjes en andere etenswaren. De verdachte, geboren in 1989 en nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol, werd beschuldigd van opzettelijke invoer van cocaïne. De officier van justitie, mr. S. van Driel, vorderde bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. M.H. Aalmoes, betoogde dat de verdachte niet op de hoogte was van de cocaïne in zijn bagage. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel degelijk op de hoogte moest zijn van de inhoud van zijn koffer, gezien zijn eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en de omstandigheden van de zaak. De rechtbank achtte het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, met inachtneming van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht. De rechtbank weigerde het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden voor psychologisch onderzoek, maar erkende de noodzaak van hulp voor de verdachte in een vrijwillig kader. De uitspraak is gedaan in het kader van de nieuwe uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland voor de strafmaat in drugszaken, waarbij de rechtbank een lagere straf voor drugskoeriers overweegt, gezien hun kwetsbare positie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/254203-25 (P)
Uitspraakdatum: 6 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 en 23 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. van Driel en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw (mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam), naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Het kan volgens de officier niet anders dan dat de verdachte wist dat er cocaïne in de etenswaren zat.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte niet wist dat er cocaïne in de etenswaren was verwerkt. Hij had dus geen opzet op het invoeren van cocaïne, ook niet in voorwaardelijke vorm.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis. Uit die bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Op 27 september 2025 is bij een controle op de luchthaven Schiphol cocaïne aangetroffen in de koffer van de verdachte. Deze cocaïne was op professionele wijze verwerkt in koekjes en andere etenswaren met een totaal brutogewicht van bijna 6,9 kilogram. De koekjes waren verpakt in doorzichtige plastic bakjes met een afsluitbare maar te openen deksel. De overige producten waren verpakt in plastic zakjes. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de etenswaren onderzocht en vastgesteld dat er cocaïne in was verwerkt. Het cocaïnegehalte van de etenswaren lag tussen de 74,8% en 93,8%. Het totale gewicht aan cocaïne dat was verwerkt in deze producten is door het NFI geschat op 5,7 kilogram.
Het uitganspunt is dat een passagier weet wat er in zijn bagage zit en dat hij verantwoordelijk is voor de inhoud. Alleen als er sprake is van heel bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. In dat geval zou kunnen worden aangenomen dat de passagier niet weet wat er in zijn bagage zit, waardoor hij ook geen opzet heeft op de invoer van de cocaïne.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er cocaïne in zijn koffer zat. Hij heeft de etenswaren mee naar Nederland genomen op verzoek van een goede vriend die hij al heel lang kent. Deze vriend heeft hem een zak met etenswaren meegegeven toen de verdachte onderweg naar het vliegveld bij hem een tussenstop maakte. Het idee was dat de verdachte na aankomst in Nederland door iemand zou worden gebeld en dan zouden de etenswaren bij hem worden opgehaald. Hij dacht dat het gewoon om koekjes (en ander eten) ging en had geen idee dat er cocaïne in was verwerkt.
De rechtbank vindt het ongeloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten van de cocaïne in de koekjes. De goede vriend van de verdachte zou daarmee immers een enorm groot risico hebben genomen, door aan de verdachte niet te vertellen dat iets wat eruit ziet als een eetbaar (en makkelijk te openen) product bij het eten daarvan onmiskenbaar tot zijn dood zou kunnen leiden. Het is niet goed voorstelbaar dat een goede vriend een dergelijk groot risico zou willen nemen. Ook zou de kostbare lading dan worden ontdekt. De rechtbank vindt het verder ongeloofwaardig dat de verdachte - die in het verleden vaker harddrugs heeft gesmokkeld - zich niet zou hebben gerealiseerd dat er drugs in de etenswaren verstopt waren, waarbij het immers ging om het vervoer van koekjes en kikkererwten van Suriname naar Nederland ten behoeve van een voor de verdachte onbekende persoon, die deze etenswaren dan speciaal zou komen ophalen na aankomst van de verdachte in Nederland.
De rechtbank gaat daarom voorbij aan de onaannemelijke verklaring van de verdachte. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat hij cocaïne in zijn eigen koffer vervoerde. Daarmee had hij opzet op het invoeren van cocaïne.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 27 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Aanhoudingsverzoek
De raadsvrouw heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de verdachte te laten onderzoeken door een psycholoog. Hiertoe wordt aangevoerd dat de verdachte al eerder in Nederland en in het buitenland is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft om te voorkomen dat hij dezelfde fouten blijft maken. De raadvrouw heeft daarbij aangegeven dat hulp binnen het forensisch kader is aangewezen om geen kostbare tijd te verliezen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hulp binnen het forensisch kader niet is aangewezen en dat de verdachte na het uitzitten van zijn straf hulp kan zoeken binnen het vrijwillige kader.
De rechtbank vindt het niet nodig om de zaak hiervoor aan te houden. Het is een bekend gegeven dat organisaties die achter invoer van cocaïne zitten, vaak kwetsbare personen gebruiken als koeriers. Dat lijkt ook het geval bij de verdachte. Het is goed dat de verdachte dit zelf ook inziet en hulp wil om te voorkomen dat hij zich nog een keer laat gebruiken voor drugssmokkel. De rechtbank ziet alleen niet in waarom een nader psychologisch onderzoek van de verdachte nodig is voor de beslissingen die in dit vonnis worden genomen. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak daarom af. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de verdachte de hulp die hij graag zou willen hebben, kan zoeken in een vrijwillig kader, of wellicht in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 december 2025 en zich verzet tegen de daarin geformuleerde nieuwe voorlopige uitgangspunten voor de strafmaat in koerierszaken.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd het niet eens te zijn met de argumenten die de officier van justitie heeft ingebracht tegen de toepassing van de nieuwe voorlopige uitgangspunten in koerierszaken en heeft de rechtbank verzocht daaraan vast te houden.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft gekeken naar de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de persoon van de verdachte.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. De ingevoerde hoeveelheid van 5,7 kilogram was zoveel dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het gebruik van en de handel in cocaïne gaan gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Ook om die reden worden in de regel forse straffen opgelegd voor de invoer van cocaïne.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft op het strafblad van de verdachte van 7 november 2025 gezien dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor de invoer van harddrugs: in 2023 en 2008 heeft hij bij de Politierechter van deze rechtbank een gevangenisstraf gekregen van zes maanden (2023) en negen maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk (2008). Ook heeft de verdachte in 2018 een gevangenisstraf van vier jaar bij de Reading Crown Court in het Verenigd Koninkrijk gekregen. Deze eerdere veroordelingen wegen mee in het nadeel van de verdachte.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf voor drugskoeriers die zijn aangehouden op de luchthaven Schiphol, heeft de rechtbank tot voor kort vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt gehanteerd. Daarin is voor de in-/uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 5 tot 6 kilogram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 38 tot 40 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
In de hiervoor genoemde oriëntatiepunten wordt met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie. De rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers enerzijds, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) het maken, de handel en de in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs anderzijds. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot alleen het vervoer. Desondanks worden deze drugskoeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor de (georganiseerde) smokkel van grote hoeveelheden drugs. Deze disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het openbaar ministerie en de verdediging afgesproken afdoeningsvoorstel dat – als het door de rechter wordt gevolgd – vaak leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank aanleiding om lagere straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden aangehouden op te leggen. Hiervoor hanteert de rechtbank – voorlopige – algemene uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden en die (mede) daarom het misdrijf hebben gepleegd.
Die nieuwe voorlopige uitgangspunten nemen bij een gewicht tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf. Bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram is een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. Voor een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram is als uitgangspunt een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden bepaald.
Bezwaar officier van justitie tegen nieuwe uitgangspunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe voorlopige uitgangspunten geen recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Er wordt daarmee voorbij gegaan aan de opvatting van zowel de samenleving als de wetgever dat drugscriminaliteit zwaarder moet worden gestraft. Daarnaast brengen internationale verplichtingen mee dat Nederland zich moet inspannen de smokkel van drugs tegen te gaan. Het is in dat verband van belang om ervoor te zorgen dat Nederland niet uit de pas loopt met straffen die in andere landen worden opgelegd voor de invoer van verdovende middelen. Ook zorgen volgens de officier van justitie de door de rechtbank Noord-Holland geformuleerde uitgangspunten voor rechtsongelijkheid in de bestraffing van drugszaken binnen de verschillende arrondissementen. Daarnaast is aangevoerd dat van de door de rechtbank benoemde scheefgroei in de hoogte van de bestraffing tussen koeriers en organisatoren geen sprake is, ook niet door de introductie van procesafspraken. Tot slot geeft de officier van justitie aan dat de veelal schrijnende persoonlijke omstandigheden van koeriers al zijn meegenomen in de oriëntatiepunten van het LOVS.
De rechtbank verwerpt de door de officier van justitie aangevoerde argumenten onder verwijzing naar het hiervoor weergegeven nieuwe standpunt van de rechtbank Noord-Holland over de strafmaat in koerierszaken. De aspecten die door de officier van justitie zijn genoemd, zijn, voor zover juist, bij de totstandkoming van dit algemene standpunt meegenomen en leiden niet tot een andere conclusie.
Straf in deze zaak
De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht aan cocaïne in deze zaak 5,7 kilogram is en dat voor het bepalen van de hoogte van de straf de derde categorie (20 tot 36 maanden) tot uitgangspunt wordt genomen. De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor het invoeren van cocaïne. Er is dan ook sprake van recidive. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.
Gelet op het voorgaande, legt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Hendriks, voorzitter,
mr. M.C.J. Lommen en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 januari 2026.