Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3138

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/15/367630 / HA ZA 25-422
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • C. Sijm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 3:105 lid 1 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:112 BWArt. 3:113 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente blijft eigenaar betwiste strook grond; beroep op bevrijdende verjaring verworpen

De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Velsen en [eiser 1] en [eiser 2] over eigendom van een betwiste strook grond naast hun perceel. De ouders van [eiser 1] hadden in 1994 een gebruiksovereenkomst met de gemeente gesloten voor een tussengelegen strook grond, maar namen ook een aangrenzende strook in gebruik zonder eigendomsrecht.

De gemeente vordert een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de betwiste strook grond, ontruiming door [eiser 1] en [eiser 2], en betaling van proceskosten. [Eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich op bevrijdende verjaring en vorderen eigendom van de betwiste strook.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van bezit in juridische zin, omdat de gebruiksovereenkomst impliceert dat de ouders van [eiser 1] houder waren en geen eigenaar. Het gebruik van de betwiste strook wordt gezien als uitbreiding van houderschap, niet als bezit met eigendomspretentie. Het beroep op bevrijdende verjaring wordt daarom verworpen.

De gemeente blijft eigenaar en [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld tot ontruiming binnen drie maanden, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten worden hen eveneens opgelegd. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt het eigendomsrecht van de gemeente en veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] tot ontruiming en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367630 / HA ZA 25-422
Vonnis van 18 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
GEMEENTE VELSEN,
te IJmuiden (gemeente Velsen),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. M.W. Langhout,
tegen

1.[eiser 1],

te [plaats] (gemeente [gemeente]),
2.
[eiser 2],
te [plaats] (gemeente [gemeente]),
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. J.P. Leeflang.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2025
- het bericht van 20 februari 2026 met producties van de gemeente
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn sinds 3 juli 2017 eigenaar van de woning met tuin aan de [adres] te [plaats]. Zij hebben de woning gekocht en geleverd gekregen van de ouders van [eiser 1].
2.2.
De ouders van [eiser 1] zijn op 28 maart 1994 met de gemeente overeengekomen dat zij een aan hun perceel grenzende strook gemeentegrond van ongeveer 80 m2 voor een periode van 30 jaar in gebruik mochten nemen. Als erkenning van het eigendomsrecht van de gemeente op deze strook grond is een recognitie van ƒ 5.796,00 overeengekomen. Uit de overeenkomst volgt dat de strook grond niet mag worden afgescheiden van het bij de gemeente verblijvende gedeelte van de ter plaatse aanwezige groenvoorziening.
2.3.
De ouders van [eiser 1] hebben niet alleen de hierboven bedoelde strook grond in gebruik genomen, maar ook een aangrenzende strook grond. De strook grond waar de op 28 maart 1994 gesloten gebruiksovereenkomst op ziet (hierna: de tussengelegen strook grond) is op onderstaande afbeelding 1 rood gearceerd. De aangrenzende strook grond, waar deze procedure over gaat (hierna: de betwiste strook grond), is met zwart blokmotief aangeduid.

{FBEELDING 1}

2.4.
De gemeente heeft geconstateerd dat de ouders van [eiser 1] direct naast de weg een erfafscheiding hadden geplaatst. De gemeente heeft de ouders van [eiser 1] vervolgens op 19 mei 1995 verzocht om de erfafscheiding voor 1 juli 1995 te verplaatsen. Dit verzoek is op 13 juni 1995 herhaald. De erfafscheiding is niet verplaatst.
2.5.
De gemeente heeft [eiser 1] en [eiser 2] in 2023 gewezen op de aflopende gebruiksovereenkomst. Na overleg hebben partijen overeenstemming bereikt over de verkoop van de tussengelegen strook grond. De gemeente heeft aangegeven dat zij de betwiste strook grond opnieuw wil inrichten om de laanstructuur en de symmetrie te herstellen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben vervolgens ten aanzien van de betwiste strook grond een beroep gedaan op bevrijdende verjaring.
Tekst

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De gemeente vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
- een verklaring voor recht dat de gemeente eigenaresse is van de betwiste strook grond
- veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] om binnen twee weken na betekening van het vonnis de betwiste grond te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00
- hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten
subsidiair (voor het geval het beroep op verjaring slaagt)
- een verklaring voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld door de betwiste strook grond wederrechtelijk in gebruik te nemen en te houden
- primair veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] om bij wijze van schadevergoeding mee te werken aan de (terug)levering van de betwiste strook grond, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00, subsidiair hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] tot betaling van een schadevergoeding van € 15.568,00
- hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer. [eiser 1] en [eiser 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- een verklaring voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] eigenaar zijn van de betwiste strook grond
- een gebod dat de gemeente binnen veertien dagen na betekening van het vonnis meewerkt aan inschrijving van het vonnis en de verjaring in de openbare registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00
- veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
3.5.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Voldoende belang
4.1.
De gemeente heeft, anders dan [eiser 1] en [eiser 2] betogen, voldoende belang bij haar vorderingen. [1] In het algemeen heeft de gemeente namelijk belang bij het optreden tegen (vermeende) inbreuken op haar eigendomsrecht. [eiser 1] en [eiser 2] hebben twijfels over de inhoud en het nut van de plannen van de gemeente ten aanzien van de betwiste strook grond, maar de gemeente hoeft in deze procedure geen verantwoording af te leggen over deze plannen.
Geen inbezitneming, geen verjaring
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich op bevrijdende verjaring. Volgens hen hebben de ouders van [eiser 1] de betwiste strook grond in 1994/1995 in bezit genomen door de strook grond volledig te omheinen met een schutting/hekwerk en een beukenhaag. De betwiste strook grond is volgens [eiser 1] en [eiser 2] ook altijd omheind gebleven. De verjaring is daarom voltooid in 2014/2015, zodat de ouders van [eiser 1] (en later [eiser 1] en [eiser 2]) eigenaar zijn geworden van de betwiste strook grond, aldus [eiser 1] en [eiser 2].
4.3.
Voor eigendomsverkrijging op grond van bevrijdende verjaring moet sprake zijn van bezit. [2] Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. [3] Dat betekent dat een bezitter uitstraalt dat hij zich beschouwt als eigenaar (eigendomspretentie). Bezit kan worden verkregen door inbezitneming. [4] Van inbezitneming is sprake als iemand zich de feitelijke macht over een goed verschaft. [5] Of sprake is van inbezitneming/bezit wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. [6] Bezit moet ondubbelzinnig zijn. Dat is het geval als iemand zich zodanig gedraagt dat de eigenaar van het betreffende perceel daaruit niet anders kan afleiden dan dat diegene pretendeert eigenaar te zijn. [7]
4.4.
De gemeente voert terecht aan dat de gebruiksovereenkomst ten aanzien van de tussengelegen strook grond meebrengt dat geen sprake is van inbezitneming van de betwiste strook grond. Uit de gebruiksovereenkomst volgt dat de ouders van [eiser 1] erkenden dat de gemeente eigenaresse is van de tussengelegen strook grond. Zij waren daarom houder en geen bezitter van deze strook grond. Uit het feit dat zij ook de betwiste strook grond in gebruik hebben genomen, hoefde de gemeente niet af te leiden dat zij pretendeerden daarvan eigenaar te zijn. Omdat de ouders van [eiser 1] erkenden dat de gemeente eigenaresse is van de tussengelegen strook grond, mocht de gemeente ervan uitgaan dat de ouders van [eiser 1] ook het eigendomsrecht van de gemeente ten aanzien van de betwiste strook grond erkenden. Het gebruik van de betwiste strook grond moet, mede gelet op het feit dat deze strook alleen grenst aan de tussengelegen strook grond en niet aan het perceel van (destijds) de ouders van [eiser 1], worden beschouwd als een aanvulling op het houderschap van de tussengelegen strook grond en niet als een uitbreiding van (het bezit van) dat perceel.
4.5.
Dat de ouders van [eiser 1] de gebruiksovereenkomst hebben geschonden door ook de betwiste strook grond in gebruik te nemen en door de tussengelegen strook grond af te scheiden van de gemeentegrond, maakt het voorgaande niet anders. Uit een schending van de gebruiksovereenkomst vloeit namelijk geen eigendomspretentie voort.
4.6.
Omdat geen sprake is van inbezitneming, is ook geen sprake van bevrijdende verjaring. De overige stellingen van partijen ten aanzien van het beroep op bevrijdende verjaring hoeven niet te worden besproken. De gemeente is eigenaresse gebleven van de betwiste strook grond. De gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen.
Ontruiming
4.7.
Het gebruik van de betwiste strook grond door [eiser 1] en [eiser 2] levert een inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente op. Ook de gevorderde veroordeling tot ontruiming wordt daarom toegewezen. Aan de ontruiming wordt een langere termijn gekoppeld dan gevorderd. In plaats van twee weken, krijgen [eiser 1] en [eiser 2] drie maanden de tijd (na betekening van dit vonnis) om de betwiste strook grond te ontruimen. De rechtbank acht deze termijn redelijk, omdat bij ontruiming een hekwerk en een heg zullen moeten worden verwijderd. Aannemelijk is dat dit bewerkelijk zal zijn. De gemeente heeft bovendien aangegeven dat zij de plannen met de grond niet al op korte termijn wil uitvoeren.
Dwangsom
4.8.
De rechtbank ziet aanleiding om, zoals gevorderd, aan de veroordeling tot ontruiming een dwangsom te verbinden. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd zoals hierna in de beslissing is vermeld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.9.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben bezwaar gemaakt tegen een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, wat zou inhouden dat de gemeente meteen over kan gaan tot tenuitvoerlegging van dit vonnis, zelfs als [eiser 1] en [eiser 2] hoger beroep instellen. De gemeente heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De belangen van [eiser 1] en [eiser 2] wegen op dit punt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de belangen van de gemeente, omdat de ontruiming moeilijk ongedaan te maken is en de gemeente de grond niet op korte termijn nodig heeft. De rechtbank zal het vonnis daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Proceskosten
4.10.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.595,43
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
4.13.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen.
4.14.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
801,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de gemeente eigenaresse is (gebleven) van de betwiste strook grond (de met zwart blokmotief aangeduide grond op afbeelding 1, het kadastrale perceel grond, gemeente [plaats], [kadaster nummer] (gedeeltelijk)),
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de betwiste strook grond (de met zwart blokmotief aangeduide grond op afbeelding 1, het kadastrale perceel grond, gemeente [plaats], [kadaster nummer] (gedeeltelijk)) te ontruimen, ontruimd te houden en (ontruimd) aan de gemeente ter beschikking te stellen,
5.3.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.595,43,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
5.6.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 801,00,
in conventie en in reconventie
5.7.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend nadat het in kracht van gewijsde is gegaan,
5.8.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:303 BW Pro.
2.Artikel 3:105 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 3:107 lid 1 BW Pro.
4.Artikel 3:112 BW Pro.
5.Artikel 3:113 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 3:108 BW Pro.
7.HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.