ECLI:NL:RBNHO:2026:318

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/101773-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verkrachting van een minderjarige met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 18-jarige verdachte die is beschuldigd van verkrachting van een 13-jarig meisje. De verdachte heeft op 7 oktober 2024 in Heerhugowaard seksuele handelingen verricht met het slachtoffer, die onder de wettelijke leeftijd van toestemming valt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met uitzondering van enkele specifieke handelingen waarvoor hij is vrijgesproken. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De bijzondere voorwaarden, zoals het vermijden van contact met minderjarigen en meldplicht bij de reclassering, zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard, gezien de risico's op recidive. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij, die schadevergoeding eiste voor materiële en immateriële schade, volledig toegewezen. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om een bedrag van € 5.045,- aan de Staat te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en heeft gijzeling opgelegd bij niet-betaling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/101773-25 (P)
Uitspraakdatum: 13 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 december 2025 en 30 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.P. Peters, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. E. Janse, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Heerhugowaard, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2] 2011, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in haar vagina en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in haar mond en/of
- het brengen/duwen van zijn tong in haar mond en/of
- het betasten en/of aanraken van haar vagina en/of borsten en/of
- het geven van een zuigzoen in haar nek.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de seksuele handeling het brengen/duwen van zijn penis in de mond van het slachtoffer.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden en dat vrijspraak moet volgen voor het onderdeel het brengen/duwen van de penis van verdachte in de mond van het slachtoffer.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De verdachte wordt vrijgesproken van het brengen/duwen van zijn penis in de mond van het slachtoffer en van het betasten/aanraken van haar borsten.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit in een verhoor bij de politie bekend. Hij heeft nadien niet anders verklaard en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:
  • een proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 februari 2025 (dossierpagina’s 86 e.v. (digitaal dossier p. 90 e.v.));
  • een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 26 november 2024 (dossierpagina’s 62 e.v. (digitaal dossier p. 66 e.v.)).
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 7 oktober 2024 te Heerhugowaard met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer], geboren [geboortedatum 2] 2011, seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, vingers en penis in haar vagina en
- het brengen van zijn tong in haar mond en
- het aanraken van haar vagina en
- het geven van een zuigzoen in haar nek.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, aangevuld met de verplichting tot meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek, en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte de bewuste avond anders heeft beleefd en bepaalde signalen van het slachtoffer verkeerd heeft kunnen interpreteren. Gelet op het voorgaande heeft hij verzocht een lagere straf op te leggen dan de eis van de officier van justitie. De raadsman heeft verder aangevoerd zich te kunnen vinden in de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde die ziet op het vermijden van contact met minderjarigen. De verdachte heeft namelijk een paar goede vrienden en sommigen van hen zijn nog minderjarig. Wat betreft de voorwaarde om te verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang heeft hij verzocht daaraan toe te voegen ‘indien de reclassering dat nodig acht’. De verdachte verblijft op dit moment namelijk afwisselend bij zijn broer en vader en dat lijkt goed te verlopen. Tot slot heeft de raadsman zich niet verzet tegen de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds dertienjarig meisje, terwijl hijzelf op dat moment achttien jaar oud was. Hij heeft in een speeltuin op een speeltoestel seks gehad met het slachtoffer, waarbij hij haar heeft gezoend en gevingerd en zijn penis in haar vagina heeft gebracht. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij kennelijk lichtvaardig is overgegaan tot het hebben van seks met een minderjarige op een dergelijke openbare plek.
Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en worden, gezien hun jeugdige leeftijd, geacht niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Daarom moeten zij beschermd worden tegen seksueel misbruik. Daarbij komt dat de verhouding tussen de verdachte en het slachtoffer ongelijkwaardig was, gelet op het relatief grote leeftijdsverschil van vijf jaar en het verschil in levensfase. Hij heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat jonge slachtoffers vaak ernstige psychische gevolgen ondervinden van seksueel misbruik. Dat is ook in deze zaak het geval, zoals blijkt uit het feit dat het slachtoffer ruim een jaar na het gepleegde feit nog steeds therapie nodig heeft om de gevolgen te verwerken.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 11 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 3 december 2025. Hoewel de reclassering de verdachte niet heeft gesproken, heeft zij – gelet op de ernst van de verdenking – op basis van dossierinformatie een rapport opgesteld. De onderhavige verdenking betreft in korte tijd de derde verdenking tegen de verdachte wegens seksueel geweld. In de afgelopen maanden zijn diverse meldingen en zorgelijke signalen over de verdachte binnengekomen. Hij wordt door het wijkteam van de politie continue gezien in de aanwezigheid van vooral kwetsbare minderjarigen (zowel meisjes als jongens) en op vreemde tijdstippen en locaties. Ook zijn er meldingen dat de verdachte zich bezighoudt met ander delictgedrag, zowel heimelijke feiten als confronterende delicten, gecombineerd met betrokkenheid bij drugs, wapens en gedrag wat lijkt op belaging. Nu al deze zaken niet tot een inverzekeringstelling of inbewaringstelling hebben geleid, is dit zorgelijke patroon vooralsnog niet doorbroken. De verdachte lijkt (de gevolgen van) zijn eigen gedrag niet te kunnen overzien en/of inschatten. Voorts zijn er meerdere signalen die wijzen op psychiatrische problematiek en traumaproblematiek. Het huidige beeld van de maatschappelijke situatie van de verdachte is dat hij jongvolwassen is, niet meer (of soms) bij zijn ouder(s) woont en niet meer naar school of werk gaat. Hij heeft geen legale bron van inkomsten en zwerft vermoedelijk in de regio Schiedam. Er zijn geen beschermende factoren en de verdachte heeft zich op geen enkel leefgebied als een volwassene gevestigd, terwijl zijn leefomstandigheden dit wel van hem vragen. Er zijn ook zorgen over zijn seksuele ontwikkeling en (het ontstaan van) afwijkende voorkeuren, omdat hij meerdere keren heeft aangegeven zich fijner te verhouden tot kinderen dan tot volwassenen of leeftijdsgenoten. Bovendien zijn er aanwijzingen dat de verdachte in het bezit is van (zelf vervaardigde) kinderporno. Al met al maakt de reclassering zich grote zorgen over de impulscontrole, verharding en verdere verbreding van het delictgedrag, alsmede over de gedragsremming, norm- en grensvervaging en de verhoogde kans op escalatie. De risico’s op recidive, het ontstaan van letsel en onttrekking aan de voorwaarden worden als hoog ingeschat.
De reclassering is van mening dat zij met de beschikbare informatie geen advies kunnen geven over de haalbaarheid van interventies en/of een toezicht in het kader van een voorwaardelijke veroordeling. Gelet daarop adviseert de reclassering om de verdachte te laten onderzoeken door het Nederlands Instituut Forensische Psychiatrie teneinde een Pro Justitia rapport over hem te laten opstellen. Vanwege het zwervende bestaan van de verdachte is geadviseerd hem in het Pieter Baan Centrum te plaatsen voor een gedegen onderzoek.
Indien dergelijk onderzoek en/of plaatsing in het Pieter Baan Centrum niet mogelijk is, adviseert de reclassering bij een veroordeling de inzet van een groot en duidelijk zorg- en begeleidingskader, met de volgende bijzondere voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname);
  • begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • meewerken aan middelencontrole;
  • een contactverbod met aangeefster;
  • een locatieverbod voor Heerhugowaard (zonder elektronische monitoring);
  • een dagbestedingsverplichting;
  • het meewerken aan schuldhulpverlening;
  • geen andere huisvesting zonder toestemming;
  • het vermijden van contact met minderjarigen.
Conclusie
Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van
achttien maandenmoet worden opgelegd,
waarvan negen maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van drie jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank deelt de zorgen die de reclassering heeft over de verdachte en acht het daarom noodzakelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (waaronder het vermijden van contact met minderjarigen) te verbinden aan een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Omdat er gezien de inhoud van het reclasseringsrapport ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam] heeft als wettelijk vertegenwoordiger van en namens haar minderjarige dochter [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding ingediend van
€ 5.045,- wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit
€ 45,- aan reiskosten van en naar het Centrum Seksueel Geweld in Hoofddorp en het politiebureau in Alkmaar. De immateriële schade wordt gevorderd wegens een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij is in dit geval op deze laatste grondslag gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 7 oktober 2024 (de datum van het ontstaan van de schade, namelijk de datum waarop de verkrachting plaatsvond) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 5.045,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 248 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 (achttien) maanden;
beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (negen) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich meldt op afspraken met Reclassering Nederland, Advies & Toezicht unit 1 Zuid-West, [adres], zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en indien uit dit onderzoek blijkt dat dat noodzakelijk is, zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor de duur van zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, indien de reclassering dat nodig vindt. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het (eventuele) middelengebruik goed in beeld te krijgen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich niet bevindt in Heerhugowaard, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, een opleiding, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;
- op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. De verdachte vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt de verdachte dat ouders of begeleiders van deze personen hierbij aanwezig zijn;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr t toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer], gevorderd door [naam] als haar wettelijk vertegenwoordiger, geheel toe tot een bedrag van
€ 5.045,-;
veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 5.045,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. M.S. Neervoort, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.