ECLI:NL:RBNHO:2026:319

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/232255-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, met bijzondere voorwaarden

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. De verdachte, geboren in 1958, werd beschuldigd van het stelen van portemonnees van oudere vrouwen in de periode van 27 oktober 2022 tot en met 26 maart 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een mededader meerdere diefstallen heeft gepleegd, waarbij de slachtoffers kwetsbare ouderen waren. De verdachte heeft tijdens de zitting van 18 december 2025 bekend en de rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen, waaronder aangiftes en de bekennende verklaring, tot een bewezenverklaring van de feiten besloten. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachte en ambulante begeleiding. De rechtbank heeft ook vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de schadevergoeding aan de slachtoffers. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen, die materiële schade hebben geleden, gedeeltelijk toegewezen en de verdachte verplicht om deze schade te vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente. De uitspraak is gedaan in het kader van de openbare terechtzitting en is gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/232255-24 (P)
Uitspraakdatum: 13 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 december 2025 en 30 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [datum 1] 1958 te [plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R.P. Peters, en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks 27 oktober 2022 tot en met 26 maart 2024 te Alkmaar en/of Beverwijk en/of Purmerend en/of Castricum, althans (telkens) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere portemonnees met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) aan
- (dossier pdf p.9) [slachtoffer 1] en/of
- (dossier pdf p.59 [slachtoffer 2] en/of
- (dossier pdf p.83) [slachtoffer 3] en/of
- (dossier pdf p.96) [slachtoffer 4] en/of
- (dossier pdf p.108) [slachtoffer 5] en/of een meer andere personen (dossier pdf p.36, p.51, p.69)
heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit bekend tijdens de zitting van 18 december 2025. Door of namens haar is geen vrijspraak bepleit. Gelet op artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal daarom worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:
  • de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 18 december 2025 heeft afgelegd;
  • een proces-verbaal van aangifte van 29 oktober 2022 (dossierpagina's 9 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 30 december 2022 (dossierpagina's 36 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 21 februari 2023 (dossierpagina's 51 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 5 februari 2023 (dossierpagina's 59 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 22 april 2023 (dossierpagina's 69 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 28 juli 2023 (dossierpagina's 83 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 4 april 2024 (dossierpagina's 96 e.v.);
  • een proces-verbaal van aangifte van 4 maart 2024 (dossierpagina's 108 e.v.).
3.3
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
zij in de periode van 27 oktober 2022 tot en met 26 maart 2024 te Alkmaar en Beverwijk en Purmerend en Castricum, althans telkens in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meerdere portemonnees met inhoud, die toebehoorden aan
- (dossier pdf p.9) [slachtoffer 1] en
- (dossier pdf p.59) [slachtoffer 2] en
- (dossier pdf p.83) [slachtoffer 3] en
- (dossier pdf p.96) [slachtoffer 4] en
- (dossier pdf p.108) [slachtoffer 5] en andere personen (dossier pdf p.36, p.51, p.69)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en haar proceshouding. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte over zelfstandige huisvesting beschikt en een inkomen heeft. Ook krijgt zij hulpverlening en is zij inmiddels abstinent van middelen. Wat de verdachte op dit moment heeft opgebouwd, moet volgens de raadsman niet worden afgebroken door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat een deel van ten laste gelegde diefstallen geruime tijd geleden is gepleegd. Mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en vergelijkbare zaken, heeft de raadsman verzocht te volstaan met een taakstraf van 180 uren, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. De raadsman heeft gevraagd geen contactverbod met de medeverdachte op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in een periode van bijna anderhalf jaar samen met een mededader schuldig gemaakt aan in totaal acht diefstallen van portemonnees, telkens van vrouwen met een hoge leeftijd (tussen 76 en 88 jaar). In (of nabij) een supermarkt namen zij de portemonnees weg uit de tas, de jas of rollator van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat zij en haar mededader het doelbewust hadden gemunt op een kwetsbare groep slachtoffers. Met dit handelen hebben zij geen enkel respect getoond voor de eigendommen van de slachtoffers, hen financiële schade en hinder toegebracht, en hen een gevoel van onveiligheid en kwetsbaarheid gegeven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij en haar mededader kennelijk enkel hebben gedacht aan hun eigen financiële gewin en niet aan de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 4 november 2025, waaruit blijkt dat zij in de afgelopen vijf jaren niet voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 31 oktober 2024. Daarin schrijft de reclassering dat zij het destijds overmatige alcoholgebruik van de verdachte, haar delictverleden en psychosociaal functioneren als risicofactoren ziet. Zij gebruikte alcohol als copingmechanisme voor haar negatieve gevoelens, wat mogelijk de drempel tot het plegen van delicten heeft verlaagd. Het contact met de medeverdachte wordt eveneens als risicovol gezien, omdat zij in het verleden vaker samen delicten hebben gepleegd. Ook lijkt zij moeilijk weerstand te kunnen bieden aan zijn verzoeken. De reclassering beschouwt de behulpzaamheid van de dochter van de verdachte en het stoppen met alcoholgebruik als beschermende factoren. Hoewel de verdachte tijdens een eerder reclasseringstoezicht gedragsverandering heeft laten zien, heeft dit niet kunnen voorkomen dat zij opnieuw wordt verdacht van strafbare feiten. De reclassering komt – mede gelet op de instabiliteit op verschillende leefgebieden – dan ook tot een gemiddeld recidiverisico. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag, omdat zij eerdere afspraken met de reclassering altijd goed is nagekomen. Verder heeft de verdachte aangegeven open te staan voor mogelijke interventies. Gelet op het voorgaande wordt geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling;
  • een contactverbod met de medeverdachte;
  • ambulante begeleiding.
Conclusie
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Volgens deze oriëntatiepunten geldt voor het eenmaal plegen van zakkenrollerij een taakstraf van 120 uren als uitgangspunt. In geval van recidive geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie, niet passend. De verdachte heeft op dit moment een stabiel leven, wat het risico op recidive beperkt, en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat ernstig verstoren. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat een deel van de diefstallen langere tijd geleden is gepleegd. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren passend en geboden. Gezien de hoeveelheid gepleegde diefstallen zal daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden worden opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het feit dat de verdachte en de medeverdachte meerdere keren samen strafbare feiten hebben gepleegd, zal de rechtbank ook een contactverbod met de medeverdachte opleggen.

7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1
Vordering van [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.134,87 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit het met de gestolen bankpas gepinde bedrag van € 1.000,-, alsmede de kosten voor een museumjaarkaart (€ 75,-), een betaalpas (€ 3,95), een persoonsbewijs (€ 40,92) en nieuwe pasfoto’s voor een identiteitskaart (€ 15,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 134,87 en heeft daarbij verzocht te bepalen dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor vergoeding van de schade. Het bedrag van € 1.000,- is gepind door de medeverdachte en dat deel van de schade dient door hem te worden vergoed.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Omdat de verdachte op de zitting heeft verklaard dat zij de helft kreeg van het door de mededader gepinde geldbedrag, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel toe.
7.2
Vordering van [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 275,25 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit de kosten voor een rijbewijs (€ 74,50), een identiteitskaart (€ 75,80) en een pinpas (€ 4,95), alsmede het weggenomen contant geld (€ 20,-) en de [naam 1] klantenkaart met daarop een tegoed van € 100,-.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen en heeft daarbij verzocht te bepalen dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor vergoeding van de schade.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Bij het bepalen van de hoogte van de schade die ziet op het weggenomen contant geld en de [naam 1] klantenkaart zal de rechtbank aansluiten bij de bedragen zoals genoemd in de aangifte (€ 10,- resp. € 70,-). De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 235,25. Het overige deel van de vordering zal worden afgewezen.
7.3
Vordering van [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.465,70 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit de kosten voor twee bankpassen (€ 27,90), een handycarpas (€ 5,-), een rijbewijs (€ 93,35), een kentekenbewijs (€ 34,50) en een museumjaarkaart (€ 4,95), alsmede het gepinde bedrag van € 1.000,-, de weggenomen portemonnee (€ 100,-) en het weggenomen contant geld (€ 200,-).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 465,70 en heeft daarbij verzocht te bepalen dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor vergoeding van de schade. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het bedrag van € 1.000,- is gepind door de medeverdachte en dat om die reden de verdachte niet gehouden kan worden dit deel van de schade te vergoeden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Omdat de verdachte op de zitting heeft verklaard dat zij de helft van het door de mededader gepinde geldbedrag heeft gekregen, wijst de rechtbank de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel toe.
7.4
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de hiervoor genoemde vorderingen tot schadevergoeding worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
7.5
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
7.6
Hoofdelijke aansprakelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoedingen worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten (die vooralsnog op nihil zijn gesteld). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
  • zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering nodig vindt;
  • zich laat behandelen door Terwille, GGZ Noord-Holland-Noord of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [naam 2], geboren op [datum 2] 1963 te [plaats], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  • zich laat begeleiden door Humanitas, stichting Exodus, stichting De Ontmoeting of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
180 (honderdtachtig) urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
wijst de vordering van geheel toe tot een bedrag van
€ 1.134,87;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.134,87 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2022 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 11 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
wijst de vordering van gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 235,25;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2023 tot de dag van volledige betaling met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
wijst de vordering van [slachtoffer 2] wat betreft het meer gevorderde af;
veroordeelt de verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 235,25 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 2 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
wijst de vordering van geheel toe tot een bedrag van
€ 1.465,70;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2023 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
veroordeelt de verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 1.465,70 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2023 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 14 dagen gijzeling;
bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en/of haar mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Neervoort, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. J.F. van Halderen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.