Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3230

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
K/4101/11831987
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 lid 1 RvArt. 7:658b lid 1 BWArt. 3:303 BWArt. 63a lid 3 ZWArt. 63a lid 1 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen werknemer inzake re-integratie en loondoorbetaling na einde arbeidsovereenkomst

Een werknemer vorderde een verklaring voor recht dat zijn ex-werkgever tekortgeschoten was in haar re-integratieverplichtingen en betaling van loon tijdens ziekte na het einde van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was geëindigd op 22 mei 2024, waarna de werknemer een Ziektewet-uitkering ontving die door de werkgever als eigenrisicodrager werd betaald.

De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen over de periode na het einde van de arbeidsovereenkomst geen grondslag hadden en daarom werden afgewezen. De vorderingen over de periode tijdens de arbeidsovereenkomst werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijk vereiste deskundigenverklaring van het UWV. Daarnaast was er geen belang bij de gevorderde verklaring omdat geen aanspraken of schadevergoeding werden gesteld.

De vorderingen die betrekking hadden op de Ziektewet-uitkering waren eveneens niet-ontvankelijk omdat deze in een bestuursrechtelijke procedure bij het UWV behandeld moeten worden. De werknemer had geen bezwaar gemaakt tegen de beslissingen van het UWV en de termijn daarvoor was verstreken.

De kantonrechter stelde vast dat de werknemer kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht had gemaakt door vorderingen in te dienen die evident kansloos waren, ondanks waarschuwingen vooraf. De werknemer werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.154,00, maar niet tot volledige proceskosten wegens het ontbreken van een benadeling door de ex-werkgever.

Uitkomst: Vorderingen werknemer worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard; werknemer veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11831987 \ CV EXPL 25-2855
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser], te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.E. Post,
tegen
de besloten vennootschap
Koninklijke Vezet B.V., te Warmenhuizen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Vezet,
gemachtigde: mr. B.M. Dijkstra.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer dat wordt vastgesteld dat zijn ex-werkgever de verplichtingen ten aanzien van re-integratie heeft geschonden. Ook vordert de werknemer doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter wijst de vorderingen af. De vorderingen van de werknemer gaan namelijk over een periode dat de arbeidsovereenkomst al was geëindigd. Na afloop daarvan had de werkgever geen verplichtingen meer tot re-integratie en loonbetaling op basis van de arbeidsovereenkomst. De vordering van de werknemer die ziet op de verplichting tot re-integratie en betaling van ZW-uitkering door de exwerkgever als zogenoemde eigenrisicodrager, is niet-ontvankelijk. Die vordering hoort thuis in een bestuursrechtelijke procedure en bij de bestuursrechter, niet bij de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft met een dagvaarding van 30 juli 2025 een vordering ingediend tegen Vezet. Vezet heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 19 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen als toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] met brieven van 6 februari 2026 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , geboren [geboortedatum] , is op 22 mei 2023 in dienst getreden bij Vezet als medewerker transport. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 22 mei 2024.
2.2.
[eiser] is op 3 juni 2023 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk. [eiser] is ziek gebleven na 22 mei 2024. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft aan [eiser] met ingang van 22 mei 2024 een uitkering op grond van de Ziektewet (hierna: ZW-uitkering) toegekend.
2.3.
Vezet is een zogenoemde eigenrisicodrager voor de Ziektewet en betaalt de ZW-uitkering aan [eiser] namens het Uwv.
2.4.
Het Uwv heeft in een beslissing van 28 juni 2024 aan [eiser] meegedeeld dat de betaling van de ZW-uitkering is geschorst met ingang van 10 juni 2024, omdat [eiser] afspraken niet nakomt en weigert mee te werken aan re-integratie.
2.5.
Het Uwv heeft in een beslissing van 21 augustus 2024 de ZW-uitkering geweigerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat Vezet wordt veroordeeld tot betaling van € 29.541,36 bruto aan loon over de periode van 10 juni 2024 tot en met 31 mei 2025. Na wijziging van de eis vordert [eiser] primair een verklaring voor recht dat Vezet is tekortgeschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichtingen en subsidiair vordert hij loon vanaf 10 juni 2024. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat Vezet tot 31 mei 2025 een verplichting heeft tot loondoorbetaling tijdens ziekte en dat Vezet de regels rondom re-integratie heeft geschonden, met name door het onterecht opleggen van loonsancties.
3.2.
Vezet voert verweer en stelt – kort weergegeven – dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 22 mei 2024 en dat [eiser] dus geen recht meer heeft op loon vanaf 10 juni 2024. Verder wijst Vezet erop dat zij als eigenrisicodrager de ZW-uitkering betaalt en dat de betaling daarvan is stopgezet met ingang van 10 juni 2024, maar dat het recht op een ZW-uitkering moet worden vastgesteld door het Uwv en in een eventuele bestuursrechtelijke procedure. De vordering ten aanzien van de re-integratie tijdens de arbeidsovereenkomst moet volgens Vezet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat een deskundigenverklaring van het Uwv ontbreekt.

4.De beoordeling

de wijziging van eis wordt toegelaten
4.1.
[eiser] heeft kort voor de zitting, in een brief van 6 februari 2026, zijn eis gewijzigd. Daar waar [eiser] aanvankelijk alleen loon vorderde vanaf 10 juni 2024, vraagt hij na wijziging van zijn eis primair een verklaring voor recht dat Vezet is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen, zowel na 10 juni 2024 als vóór 10 juni 2024, en gedurende kennelijk de gehele duur van het dienstverband vanaf 22 mei 2023.
4.2.
Een dergelijke vergaande wijziging van eis is in beginsel in strijd met een goede procesorde. [1] Zoals de kantonrechter op de zitting al heeft meegedeeld, wordt de wijziging van eis in dit geval toch toegelaten, omdat Vezet daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en uit een oogpunt van proceseconomie.
waar gaat het om in deze zaak?
4.3.
Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat Vezet is tekortgeschoten in de nakoming van haar re-integratieverplichtingen en of Vezet moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
de vordering over re-integratie tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring
4.4.
De vordering van [eiser] om een verklaring voor recht dat Vezet is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, dus van 31 mei 2023 tot 22 mei 2024, moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.5.
Vezet heeft terecht gesteld dat [eiser] op grond van de wet bij zijn vordering een deskundigenverklaring van het Uwv moet overleggen. De vordering van [eiser] moet namelijk worden aangemerkt als een vordering tot nakoming van re-integratieverplichtingen en in dat geval is het overleggen van een deskundigenverklaring wettelijk vereist. [2] [eiser] heeft geen deskundigenverklaring overgelegd en de kantonrechter ziet ook geen aanleiding daartoe alsnog de gelegenheid te geven. De vordering is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat niet aan een inhoudelijke beoordeling daarvan wordt toegekomen.
4.6.
Er is geen sprake van een uitzondering op de verplichting tot het overleggen van een deskundigenverklaring. Daarover is door [eiser] ook niets gesteld. Voor zover een verklaring voor recht wordt gevorderd wegens een schending van goed werkgeverschap, is de vordering eveneens niet-ontvankelijk. Die vordering heeft namelijk geen zelfstandige betekenis, maar is uitsluitend gebaseerd op de stelling dat Vezet haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden.
de vordering over re-integratie tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst is ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang
4.7.
Vezet moet ook worden gevolgd in haar betoog dat [eiser] geen belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht dat Vezet haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. [eiser] verbindt daaraan namelijk geen gevolgen of aanspraken. Met name vordert [eiser] geen schadevergoeding of loon en hij stelt daar ook niets over. Er is overigens ook niet gebleken dat Vezet een loonsanctie heeft uitgevoerd of toegepast tijdens het dienstverband. Het ontbreken van belang is eveneens een reden om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. [3]
4.8.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat [eiser] ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat Vezet haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. In zijn brief van 6 februari 2026, waarin de wijziging van de eis in dit kader staat, heeft [eiser] alleen maar gesteld dat sprake is van een schending, zonder deugdelijke toelichting of onderbouwing. De enkele verwijzing naar de weergave in de dagvaarding van het feitelijk verloop van de re-integratie is daarvoor niet genoeg. Voor de opmerking dat [eiser] niet op juiste wijze is geïnformeerd over de re-integratie, geldt hetzelfde. Daarbij komt dat uit de stukken blijkt dat [eiser] wel is geïnformeerd en dat een enkel gebrek aan informatie nog geen schending van re-integratieverplichtingen oplevert.
de vordering over re-integratie na afloop van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat daarvoor geen grondslag bestaat
4.9.
De vordering van [eiser] om een verklaring voor recht dat Vezet is tekortgeschoten in haar re-integratieverplichtingen na 22 mei 2024 moet worden afgewezen, omdat daarvoor geen grondslag bestaat.
4.10.
Vast staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 22 mei 2024. Dat betekent dat Vezet na 22 mei 2024 geen re-integratieverplichtingen meer had jegens [eiser] op basis van de arbeidsovereenkomst. Er is dus ook geen grond om voor recht te verklaren dat Vezet op en na 22 mei 2024 verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden.
de vordering over loonbetaling vanaf 10 juni 2024 wordt afgewezen, omdat er geen recht meer is op loondoorbetaling
4.11.
[eiser] vordert subsidiair betaling van € 29.541,36 bruto aan loon over de periode van 10 juni 2024 tot en met 31 mei 2025, waarbij hij stelt dat Vezet tot 31 mei 2025 een verplichting heeft tot loondoorbetaling tijdens ziekte.
4.12.
Ook deze vordering moet worden afgewezen, wegens het ontbreken van een grondslag daarvoor. Er is immers na 22 mei 2024 geen arbeidsovereenkomst meer op grond waarvan [eiser] recht heeft op loon.
4.13.
Kennelijk gaat (de gemachtigde van) [eiser] ervan uit dat Vezet als eigenrisicodrager voor de Ziektewet een verplichting heeft tot doorbetaling van loon tijdens ziekte. Dat uitgangspunt klopt niet.
4.14.
Een (ex-)werkgever die eigenrisicodrager is, betaalt namens het Uwv de ZW-uitkering aan een (ex-)werknemer. [4] De eigenrisicodrager verricht ook namens het Uwv werkzaamheden ten aanzien van de re-integratie en bereidt besluiten namens het Uwv voor. [5] Een eigenrisicodrager heeft deze verplichtingen dus op grond van de Ziektewet en als ‘uitvoerder’ namens het Uwv. Die verplichtingen volgen niet uit de arbeidsovereenkomst en er is ook geen verplichting tot doorbetaling van loon. [6]
de vordering is niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de ZW-uitkering
4.15.
Naar de kantonrechter begrijpt, beoogt [eiser] met zijn vorderingen ook dat een oordeel wordt gegeven over de re-integratie door Vezet na 10 juni 2024 en met het oog op de aanspraken van [eiser] in het kader van de Ziektewet. Voor zover de vordering daarop ziet, is die vordering niet-ontvankelijk, om de volgende reden.
4.16.
De betaling van de ZW-uitkering door Vezet als eigenrisicodrager is met ingang van 10 juni 2024 geschorst door een beslissing van het Uwv van 28 juni 2024. Daarbij is als reden voor de schorsing vermeld dat [eiser] weigert mee te werken aan re-integratie. De ZW-uitkering is daarna geweigerd door een beslissing van het Uwv van 21 augustus 2024.
4.17.
Als [eiser] het niet eens is met de schorsing en weigering van de ZW-uitkering, moet hij bezwaar maken en eventueel beroep indienen tegen de beslissingen daarover van het Uwv, volgens de regels van het bestuursrecht. [7] Daarover oordeelt de bestuursrechter, niet de kantonrechter. [8]
4.18.
Voor zover de vorderingen van [eiser] zien op de aanspraken van [eiser] in het kader van de Ziektewet, zijn die vorderingen dus niet-ontvankelijk, omdat bezwaar kon worden gemaakt of beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld. [9]
4.19.
De kantonrechter moet op grond van de wet in dit vonnis vermelden bij welk orgaan alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld, indien de niet-ontvankelijkheid voor [eiser] onduidelijk kon zijn. [10] In zo’n geval kan dat ook gevolgen hebben voor de aanvang van de termijn voor het alsnog indienen van het bezwaar of beroep. [11] Echter, er is geen sprake van een situatie waarin dit onduidelijk kon zijn voor [eiser] . Voor [eiser] kon het immers duidelijk zijn dat hij bezwaar kon maken bij het Uwv, omdat dit nadrukkelijk wordt vermeld in eerdergenoemde beslissingen van het Uwv. Op de zitting heeft de advocaat van [eiser] ook meegedeeld daarmee bekend te zijn.
4.20.
[eiser] heeft tot op heden geen bezwaar gemaakt tegen de beslissingen van het Uwv. De advocaat van [eiser] heeft op de zitting te kennen gegeven dat [eiser] daarvoor een andere advocaat moet inschakelen. De kantonrechter constateert dat de termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar en beroep al geruime tijd is verstreken. [12] Vezet stelt terecht dat dit betekent dat die beslissingen in beginsel zogenoemde formele rechtskracht hebben gekregen. Zoals de kantonrechter op de zitting al heeft besproken met partijen, kan (de advocaat van) [eiser] overwegen om het Uwv te verzoeken om terug te komen van de beslissingen van 28 juni 2024 en 21 augustus 2024, mede gelet op het feit dat het Uwv inmiddels nieuw beleid heeft voor dergelijke verzoeken. [13]
conclusie: de vorderingen worden deels afgewezen, deels niet-ontvankelijk verklaard
4.21.
De conclusie is dus dat de vorderingen van [eiser] deels worden afgewezen en deels niet-ontvankelijk worden verklaard.
de proceskosten
4.22.
De vorderingen van [eiser] gaan over de re-integratie door Vezet en loondoorbetaling tijdens ziekte. Bij dergelijke vorderingen kan [eiser] alleen in de proceskosten van Vezet worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. [14]
4.23.
Volgens Vezet is sprake van misbruik van procesrecht door [eiser] en moet [eiser] daarom worden veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten. Daaruit volgt dat Vezet ook het standpunt inneemt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarbij wijst Vezet erop dat de advocaat van [eiser] er vóór het uitbrengen van de dagvaarding al op is gewezen dat de vorderingen evident geen kans van slagen hadden en tegen beter weten in zijn doorgezet.
4.24.
De kantonrechter is het eens met Vezet. Zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen, zijn de vorderingen van [eiser] duidelijk ongegrond en kansloos. [eiser] heeft deels vorderingen ingediend op grond van een arbeidsovereenkomst, terwijl die arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. [eiser] heeft deels vorderingen ingediend die niet-ontvankelijk zijn, omdat deze zien op de ZW-uitkering. [eiser] heeft in een zeer laat stadium van de procedure gewijzigde vorderingen ingediend die niet-ontvankelijk zijn, vanwege het ontbreken van een deskundigenverklaring van het Uwv. En de advocaat van [eiser] is vóór het uitbrengen van de dagvaarding door de advocaat van Vezet al luid en duidelijk gewezen op het feit dat de vorderingen geen kans van slagen hadden. Door die vorderingen niettemin in te dienen en door te zetten, heeft [eiser] kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht gemaakt.
4.25.
Het kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht levert in dit geval ook misbruik van procesrecht op, zoals Vezet stelt. Misbruik van procesrecht (als grond voor een vergoedingsplicht van volledige proceskosten) kan zich alleen voordoen als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. [15] Daarvan is pas sprake als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter.
4.26.
Zoals de kantonrechter hiervoor al heeft overwogen, is de advocaat van [eiser] al vóór het uitbrengen van de dagvaarding door de advocaat van Vezet gewezen op het feit dat de vorderingen geen kans van slagen hadden. Door die vorderingen niettemin door te zetten, heeft [eiser] ook misbruik gemaakt van procesrecht.
4.27.
Echter, op de zitting heeft Vezet verklaard dat zij [eiser] zelf niet wil benadelen of treffen met haar vordering ten aanzien van de volledige proceskosten, maar dat het haar gaat om een signaal en een mogelijke schadeclaim jegens de advocaat van [eiser] . Gelet daarop zal de kantonrechter [eiser] niet veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, ondanks de vaststelling dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik en misbruik van procesrecht.
4.28.
[eiser] zal wel worden veroordeeld tot betaling van proceskosten berekend op basis van de gebruikelijke tarieven daarvoor en aan de hand van de hoogte van de loonvordering, te weten een bedrag van € 1.154,00. [eiser] is immers de partij die ongelijk krijgt en kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af, voor zover deze zien op de gevraagde verklaring voor recht over de schending van de re-integratieverplichtingen door Vezet en de loonbetaling, over de periode na 22 mei 2024;
5.2.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, voor zover deze zien op de gevraagde verklaring voor recht over de schending van de re-integratieverplichtingen door Vezet en de loonbetaling, over de periode vóór 22 mei 2024;
5.3.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, voor zover deze zien op de aanspraken van [eiser] op een ZW-uitkering;
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Vezet van € 1.154,00;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. [16]
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 130 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
2.Artikel 7:658b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Artikel 3:303 BW Pro.
4.Artikel 63a lid 3 ZW.
5.Artikel 63a lid 1 en 2 ZW.
6.Zie ook:
7.Artikel 6:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
8.Artikel 8:1 Awb Pro.
9.Artikel 70 lid 1 Rv Pro; zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 22 mei 2015, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2015:1296 (
10.Artikel 70 lid 2 Rv Pro.
11.Artikel 70 lid 3 Rv Pro
12.Artikel 6:7 Awb Pro.
13.Beleidsregel UWV Terugkomen van een vaststaande beslissing, 24 juni 2025, Stcrt. 2025, 30050.
14.Artikel 7:629a lid 6 BW en artikel 7:658b lid 6 BW.
15.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2012, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (
16.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.