ECLI:NL:RBNHO:2026:3238

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
K/4101/11834179
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 3:296 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering overdracht kenteken en schadevergoeding motorfiets

Eiser vordert dat de registratie van een Suzuki-motorfiets op zijn naam wordt gezet en vraagt een schadevergoeding wegens waardedaling en advocaatkosten. Hij stelt dat hij juridisch eigenaar is en dat de motorfiets ten onrechte op naam van gedaagde staat, die weigert mee te werken aan overschrijving.

Gedaagde betwist het eigendom van eiser en stelt dat zij meerdere pogingen heeft gedaan om de tenaamstelling over te zetten, maar zonder succes. Zij heeft de motorfiets als gestolen opgegeven, waarna de RDW de tenaamstelling op haar naam heeft vervallen verklaard.

De kantonrechter constateert dat eiser revindicatie niet heeft gevorderd in het petitum en dat hij de motorfiets al in bezit heeft, waardoor revindicatie niet aan de orde is. De vordering tot overschrijving wordt afgewezen omdat eiser geen juridische grondslag heeft gesteld. De schadevergoeding wegens waardedaling is onvoldoende onderbouwd en advocaatkosten worden niet toegewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen tot overschrijving kenteken en schadevergoeding worden afgewezen; eiser veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11834179 \ CV EXPL 25-2889 (SJ)
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: dhr. M. Bellafkih.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In een brief van 3 april 2025 heeft [gedaagde] via haar voormalige advocaat een bericht van [eiser] ontvangen om de motorfiets van het merk Suzuki met [kenteken] op zijn naam te stellen.
2.2.
In een e-mail van 4 april 2025 heeft de schuldhulpverlener van [gedaagde] hierop gereageerd en aan [eiser] geschreven dat het [gedaagde] niet gelukt is om het kenteken over te schrijven en dat [eiser] dit met de bijgevoegde codes zelf kan regelen. Verder vraagt zij of het mogelijk is dat [eiser] de sleutels ophaalt bij haar.
2.3.
In een e-mail van 6 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang, dat hij de motorfiets naar de werkplaats heeft gebracht voor onderhoud en dat hem is gebleken dat het motorblok onherstelbaar is.
2.4.
Op 11 juni 2025 heeft [gedaagde] de motorfiets als gestolen opgegeven.
2.5.
In een brief van 12 juni 2025 heeft de RDW aan [gedaagde] bericht dat de motorfiets vanaf 11 juni 2025 niet meer op haar naam staat, omdat (en zolang) het voertuig als gestolen gemeld staat.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert de overdracht van de registratie van de motorfiets van het merk Suzuki met [kenteken] op naam van [eiser] en betaling van een schadevergoeding van € 1.000,00 in verband met schade aan de aandrijving en € 500,00 aan advocaatkosten en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt dat hij op 4 september 2022 de betreffende motorfiets heeft gekocht van een derde partij. Omdat hij op dat moment geen Nederlands adres had, is de motorfiets met instemming van partijen op naam van [gedaagde] geregistreerd, uitsluitend ter bewaring van de motorfiets. Volgens [eiser] bleef hij echter de juridisch eigenaar. Verder stelt [eiser] dat hij sinds januari 2025 officieel staat ingeschreven in Nederland, dat hij [gedaagde] herhaaldelijk heeft verzocht om het kenteken weer op zijn naam te zetten, maar dat [gedaagde] dat zonder geldige reden weigert. [eiser] stelt dat de motorfiets sindsdien onafgedekt buiten staat en dat deze door weersinvloeden in waarde is gedaald als gevolg van roestvorming. [eiser] vordert revindicatie van de motorfiets op grond van artikel 5:2 in Pro samenhang met artikel 3:296 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.3.
[gedaagde] voert als verweer aan dat uit de door [eiser] overgelegde stukken niet blijkt waarom hij juridisch eigenaar zou zijn. Verder voert [gedaagde] aan dat zij altijd bereid was en heeft verklaard bereid te zijn om mee te werken aan het overzetten van de tenaamstelling van de motorfiets en dit ook meerdere keren heeft geprobeerd maar dat dit haar niet is gelukt. [gedaagde] heeft de motorfiets niet meer in haar bezit en heeft daarom de motorfiets als gestolen opgeven, waarna de RDW de tenaamstelling op haar naam vervallen heeft verklaard. Ook voert [gedaagde] aan dat [eiser] zijn standpunt dat de motor in waarde is gedaald niet heeft onderbouwd. Daarbij heeft [eiser] zelf de motorfiets buiten gezet.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter constateert dat [eiser] in het lichaam van de dagvaarding stelt dat hij de revindicatie van de motorfiets vordert, maar dat hij deze vordering niet in het petitum heeft opgenomen. Dat betekent dat [eiser] hierover geen beslissing vraagt. De kantonrechter laat deze vordering daarom buiten beschouwing. Los daarvan geldt dat uit de e-mail van 6 april 2025 blijkt dat [eiser] de motorfiets ter reparatie heeft opgehaald uit de loods waarin die stond opgeslagen. [eiser] heeft hierover geen opheldering gegeven, ondanks het verweer van [gedaagde] op dit punt. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat [eiser] de motorfiets al in zijn bezit heeft. Hij heeft de kantonrechter hierover verkeerd ingelicht en zijn waarheidsplicht geschonden. [1] Ook daarom is revindicatie niet aan de orde. Nog afgezien van het feit dat [gedaagde] heeft betwist dat [eiser] de eigenaar is van de motorfiets en [eiser] daar niets tegenover heeft gesteld.
4.2.
Ten aanzien de vordering van [eiser] om – naar de kantonrechter begrijpt – [gedaagde] op te dragen het kentekenbewijs op naam van [eiser] over te zetten, overweegt de kantonrechter als volgt. Uit de door [gedaagde] overgelegde brief van de RDW blijkt dat de motorfiets niet meer op haar naam staat, zolang het voertuig gestolen gemeld staat. Het is dan aan [eiser] om een juridische grondslag te stellen op grond waarvan [gedaagde] desondanks gehouden is mee te werken aan het overzetten van het kentekenbewijs op naam van [eiser] . Omdat heeft [eiser] niet gedaan, zal zijn vordering worden afgewezen.
4.3.
De kantonrechter realiseert zich dat dit deel van het geschil tussen partijen hiermee niet is opgelost. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] bij herhaling heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan het overzetten van de registratie van de motor op naam van [eiser] . Gelet hierop geeft de kantonrechter partijen mee om – al dan niet met behulp van een tussenpersoon aan de zijde van [gedaagde] – nogmaals te proberen om het kentekenbewijs op naam van [eiser] over te zetten. Dat [gedaagde] haar medewerking niet meer kan verlenen omdat haar tenaamstelling is komen te vervallen, zoals zij aanvoert in de conclusie van dupliek, blijkt niet uit de brief van de RDW. Daarbij speelt mee dat de motorfiets volgens de e-mail van [eiser] zelf door hem is opgehaald en – naar de kantonrechter begrijpt – dus als gestolen afgemeld kan worden.
4.4.
Verder is in rechte niet komen vast te staan dat de motorfiets als gevolg van roestvorming door weersinvloeden in waarde is gedaald. Dat is door [gedaagde] immers betwist en heeft [eiser] op geen enkele manier onderbouwd. Daarbij heeft [eiser] de stelling van [gedaagde] dat de motorfiets zelf door hem is buitengezet niet weersproken. Dus ook in zoverre kan niet staande worden gehouden dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor de gestelde waardedaling. Ook de gestelde schade van € 1.000,00 is niet onderbouwd. Dit deel van de vordering wijst de kantonrechter daarom af.
4.5.
[eiser] heeft ook advocaatkosten gevorderd, maar niet is gebleken wat hiervan de grondslag is. Daarbij heeft [eiser] dit deel van de vordering niet onderbouwd. Voor zover het gaat om buitengerechtelijke kosten, zijn die niet verschuldigd omdat de hoofdvorderingen van [eiser] worden afgewezen. Dit deel van de vordering wijst de kantonrechter dus ook af.
4.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).