Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3262

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
K/4101/12117597
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting SWV tot voortzetting financiering particulier onderwijs voor hoogbegaafde kinderen

De ouders van twee hoogbegaafde kinderen, die vanwege hun ondersteuningsbehoefte tijdelijk particulier onderwijs volgden, vorderden dat het SWV de financiering hiervan zou voortzetten. Hoewel bekostiging van particulier onderwijs wettelijk niet is toegestaan, had het SWV dit tijdelijk en meerdere malen verlengd vanwege het ontbreken van passend bekostigd onderwijs.

De rechtbank oordeelde dat het SWV onrechtmatig handelde door de financiering stop te zetten, omdat er geen passend alternatief binnen het bekostigd onderwijsstelsel beschikbaar was en de belangen van de kinderen zich verzetten tegen beëindiging. De continuering van de financiering tot augustus 2026 werd toegewezen.

Daarnaast werd het SWV veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De rechtbank benadrukte dat het doel is om de kinderen op korte termijn te laten instromen in passend bekostigd onderwijs, maar dat de tijdelijke voortzetting noodzakelijk is om onwenselijke situaties te voorkomen.

Uitkomst: SWV moet de financiering van het particulier onderwijs voor de kinderen voortzetten tot augustus 2026 en de kosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12117597 \ KG EXPL 26-33
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
beiden wonende in [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] dan wel de ouders,
gemachtigde: mr. E.J. Brouwer-van Vliet,
tegen
de stichting
STICHTING SAMENWERKINGSVERBAND PASSEND PRIMAIR ONDERWIJS NOORD-KENNEMERLAND,
gevestigd in Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: SWV,
gemachtigde: mr. D.R. Kluft.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 maart 2026 met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord met producties 12 tot en met 25.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 2026 plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de ouders een eiswijziging aangekondigd. Partijen hebben op vragen van de kantonrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de ouders haar eisvermeerdering bij akte van 17 maart 2026 overgelegd.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisers] zijn de ouders van de 11-jarige [naam 1] en 8-jarige [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] waren leerlingen van de [naam school] , een school voor bijzonder onderwijs. [naam 1] en [naam 2] hebben allebei een extra ondersteuningsbehoefte omdat zij hoogbegaafd zijn. Ondanks extra ondersteuningsaanbod zijn zij (deels) uitgevallen op school. In overleg tussen partijen is vervolgens besloten [1] om uit te wijken naar particulier onderwijs, namelijk de [naam school 2] , in eerste instantie voor drie maanden. De bekostiging hiervan werd door partijen gedeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat het wettelijk niet is toegestaan dat SWV particulier onderwijs (mede) bekostigt. De bekostiging is meermaals, na uitvoerig overleg, door SWV verlengd. Uiteindelijk zijn de kosten tot de kerstvakantie 2025 door partijen gedeeld. SWV is gestopt met het betalen van deze kosten.
2.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag of SWV deze bekostiging mocht stopzetten. De ouders krijgen in deze procedure gelijk, om redenen genoemd in de beoordeling. De vordering tot continuering van de maandelijkse financiering van het particuliere onderwijs aan [naam school 2] wordt toegewezen.

3.De beoordeling

De ouders hebben een spoedeisend belang
3.1.
In een kort gedingprocedure is het nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de ouders op korte termijn een beslissing nodig hebben omdat zij een beslissing in een bodemprocedure niet kunnen afwachten. De kantonrechter vindt dat het spoedeisend belang van de ouders voldoende aannemelijk is gemaakt en is bovendien niet betwist. De ouders hebben er belang bij dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is over de financiering van het onderwijs voor hun kinderen voor dit resterende schooljaar.
Continuering van de financiering van het onderwijs aan [naam school 2]
3.2.
De ouders vorderen, na eisvermeerdering, dat SWV passende onderwijsplekken dient te bieden voor hun kinderen door onderwijs in te kopen bij het particulier onderwijs tot het einde van dit schooljaar zodat de kinderen rustig kunnen overstappen c.q. (weer) kunnen instromen binnen het bekostigd onderwijsstelsel. Zij baseren hun vordering in de omstandigheid dat SWV als professionele partij de geldende regels verkeerd heeft toegepast en hun daarmee op het verkeerde been heeft gezet. SWV is verantwoordelijk voor deze huidige situatie en de belangen van hun minderjarige kinderen verzetten zich tegen het stopzetten van de bekostiging. [naam 1] en [naam 2] komen dan immers (gedeeltelijk) thuis te zitten en dat is een niet-wenselijke en onacceptabele situatie. SWV heeft [eisers] en hun kinderen perspectief geboden en wil hen dat nu ontnemen. Hiermee handelt SWV onrechtmatig dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het einde van een lang en intensief traject is bijna in zicht. Op grond hiervan dient SWV de bekostiging voort te zetten tot en met de zomervakantie van dit jaar.
3.3.
SWV erkent dat zij als tijdelijke uitzondering toestemming heeft gegeven wegens de schrijnende persoonlijke situatie van [naam 1] en [naam 2] , maar betwist dat zij gehouden is tot continuering van de (gedeeltelijke) financiering van het particuliere onderwijs van [naam 1] en [naam 2] . Toezeggingen door [naam 3] (hierna: [naam 3] ), voormalig consulent passend onderwijs, hadden nooit gedaan mogen worden omdat dit niet in overleg met de directeur-bestuurder van SWV, [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is besproken. Bovendien was het voor partijen duidelijk dat de bekostiging van [naam 1] zou stoppen per 1 maart 2025 en dat voor [naam 2] er maximaal drie maanden particulier onderwijs kon worden ingekocht, mits de [naam school 3] geen passend aanbod kon bieden. Kennelijk is er door [naam 4] en [naam 3] een interne miscommunicatie ontstaan, anders had [naam 3] nimmer deze toezegging kunnen doen. Te meer niet, omdat scholen als [naam school 3] en [naam school 4] passende alternatieven voor [naam 1] en [naam 2] zouden kunnen zijn en deze scholen onder het bekostigd onderwijsstelsel vallen. Nadat [naam 3] met pensioen is gegaan heeft opnieuw een (op 19 juni 2025) MDO [2] plaatsgevonden waarin de opvolgend consulent passend primair onderwijs, [naam 5] , heeft aangegeven dat SWV deze bekostiging normaal niet doet, maar zij dit nu niet kunnen stoppen en de bekostiging tot aan de kerst kan doorgaan. Volgens SWV waren de ouders dus reeds vanaf juni 2025 op de hoogte van het feit dat de bekostiging slechts tot de kerstvakantie 2025 door zou kunnen gaan, dat de bekostiging daarna zou stoppen en er alternatieve scholen binnen het bekostigd onderwijsstelsel zijn die [naam 1] en [naam 2] kunnen voorzien van onderwijs. Enkel de sterke voorkeur van de ouders voor [naam school 2] , brengt met zich dat [naam 1] en [naam 2] daar onderwijs volgen, terwijl er andere passende mogelijkheden binnen het bekostigd onderwijssysteem zijn. Dit brengt echter niet mee dat SWV gehouden wordt om tot de zomervakantie de financiering voor het onderwijs van [naam school 2] door te laten lopen.
SWV moet financiering voortzetten
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat SWV de continuering van de (gedeeltelijke) financiering van het onderwijs van [naam 1] en [naam 2] moet voortzetten tot en met augustus 2026. Redengevend hiertoe is het volgende.
3.5.
Uit de stukken en uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [naam 1] en [naam 2] via gedeeltelijke financiering door SWV van het voor hen geschikte particuliere onderwijs weer naar school zouden gaan. Uit de vele overgelegde MDO-verslagen, gevoerde correspondentie en rapportages blijkt dat de bekostiging door SWV weliswaar tijdelijk zou zijn, maar ook dat deze bekostiging meermaals is verlengd, in ieder geval tot aan de kerstvakantie omdat er geen passend publiek bekostigd alternatief binnen het samenwerkingsverband beschikbaar was. [3] Uit de stukken blijkt verder dat een toenmalige (hiertoe niet bevoegde) medewerker van SWV deze mogelijkheid bood, maar ook dat deze mogelijkheid met goedkeuring van de statutair bestuurder tot driemaal toe is verlengd.
3.6.
Ter zitting hebben de ouders toegelicht dat geen passend alternatief binnen het samenwerkingsverband beschikbaar was en zij daardoor aangewezen waren op particulier onderwijs voor hun kinderen. Desgevraagd hebben de ouders kenbaar gemaakt dat zij wel degelijk hebben gezocht naar (de aangedragen) publiek bekostigde alternatieven, hetgeen niet door SWV is betwist, maar dat deze scholen niet passend bleken voor hun kinderen. Op de vraag waarom deze scholen niet passend zouden zijn hebben de ouders op de mondelinge behandeling geantwoord dat tijdens een rondleiding aan één van de scholen (voor kinderen met tevens een zorgbehoefte) de stoelen letterlijk door het klaslokaal vlogen, terwijl andere scholen geen HB-voorziening hadden voor de groepen waarin hun kinderen zaten of simpelweg geen plek hadden, waardoor zij deze niet hebben bezichtigd. SWV heeft dit niet betwist.
3.7.
Uit wat SWV heeft aangevoerd kan de kantonrechter niet afleiden dat andere passende alternatieve scholen voorhanden waren binnen het bekostigd onderwijssysteem. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze scholen [naam 1] en [naam 2] van passend onderwijs konden voorzien. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat de ouders hieraan hun medewerking niet hebben verleend. Dit blijkt ook wel uit het feit dat beide kinderen inmiddels weer aan het instromen zijn op scholen die wel vallen onder het bekostigd onderwijsstelsel.
3.8.
Met de ouders acht de kantonrechter een wijziging in de huidige situatie op dit moment onwenselijk. Als onweersproken is immers vast komen te staan dat zonder bekostiging [naam 1] en [naam 2] gedeeltelijk thuis belanden. Omdat SWV (deels) verantwoordelijk is voor het ontstaan van de huidige situatie waarin de belangen van [naam 1] en [naam 2] zich verzetten tegen beëindiging van de bekostiging, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat SWV (gedeeltelijk) de kosten van het onderwijs van [naam 1] en [naam 2] moet blijven vergoeden. De redenen daarvoor kunnen mede gevonden in het eigen beleid, waarin SWV als professionele partij de geldende regels verkeerd heeft toegepast en in de positieve gevolgen van continuering en afronding van het particuliere onderwijs voor de ontwikkeling van [naam 1] en [naam 2] , waarbij het belang van de continuering van de huidige situatie het zwaarste moet wegen. Ook neemt de kantonrechter in overweging dat [naam 4] geen duidelijk antwoord heeft gegeven op de vraag wat de redenen waren om niet voor de vierde en laatste verlenging te kiezen, in vergelijking met de eerdere afwegingen om wel te verlengen en neemt de kantonrechter daarbij sterk in overweging dat de noodzakelijke voortzetting tijdelijk is en het einde in zicht is. Het doel van beide partijen is immers om [naam 1] en [naam 2] (op zeer korte termijn) in te laten stromen op Rijks bekostigde scholen die hen passend onderwijs kunnen bieden. Dat staat ook in de processtukken en hebben beide partijen ook tijdens zitting bevestigd.
3.9.
De kantonrechter acht het waarschijnlijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot hetzelfde oordeel zal komen en wijst daarom de vordering toe.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.10.
De ouders maken tot slot aanspraak op een vergoeding van € 805,86 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De ouders hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De ouders hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De ouders hebben het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat de ouders geen ondernemer zijn, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 805,86 worden toegewezen.
Proceskosten
3.11.
SWV is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de ouders worden tot op heden begroot op:
- griffierecht € 265,00
- dagvaarding € 157,83
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.431,83
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt SWV tot continuering van de financiering van het onderwijs aan [naam school 2] voor [naam 1] en [naam 2] tot en met augustus 2026, in die zin dat in totaal een bedrag van € 7.275,00 wordt bijgedragen,
4.2.
veroordeelt SWV tot betaling van € 805,86 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt SWV in de proceskosten van € 1.431,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SWV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt SWV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Op 17 juni 2024 voor [naam 1] en vervolgens op 14 februari 2025 voor [naam 2] .
2.Multidisciplinair overleg.
3.Zie hiervoor de MDO-verslagen van 7 november 2024, 27 februari 2025, 19 juni 2025 en 16 september 2025.