6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft
de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten,
de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals
uit de hieronder te noemen rapportage van de Raad van 10 maart 2026 en het onderzoek op de zitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven, te weten een poging zware mishandeling en het voorhanden hebben van munitie en aan een overtreding, het rijden zonder rijbewijs terwijl hij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
Het zwaartepunt ligt voor de rechtbank bij de poging zware mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer [de benadeelde partij] drie maal, van korte afstand, beschoten met een wapen. Het slachtoffer is hierbij geraakt in zijn linkerschouder, waarbij het slachtoffer een relatief kleine verwonding aan zijn schouder opliep, maar dit letsel had makkelijk zwaarder kunnen zijn. De verdachte heeft hiermee niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachoffer geschonden, maar ook zijn gevoel van veiligheid aangetast. Het slachtoffer heeft nog een paar maanden last gehad van zijn schouder en heeft onder meer nog steeds pijn als hij voor zijn werk zware spullen moet tillen. Daarnaast is het slachtoffer nog een paar maanden angstig geweest, waardoor hij niet heeft kunnen werken. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank kan zich voorstellen dat de verdachte zich ongerust maakte toen de groep van het slachtoffer achter hem aanliep. De reactie van de verdachte hierop, het gebruik maken van een wapen dat hij klaarblijkelijk tot zijn beschikking had, is echter buitensporig en onacceptabel geweest. De schietpartij vond plaats op straat, tijdens een drukke Koningsnacht, met veel mensen in de stad. Door zijn handelen had de verdachte ook een willekeurige voorbijganger met een schot kunnen treffen. Nadat de schoten waren afgevuurd, rende men alle kanten op en ontstond veel commotie. Dit soort heftige incidenten geven veel gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De verdachte heeft verder munitie voorhanden gehad. Volgens de verdachte bewaarde hij tegen betaling de munitie voor een ander, maar ook als dat waar zou zijn, is dat zorgelijk. Met een wapen voorzien van munitie kunnen slachtoffers worden gemaakt, zoals in deze zaak ook daadwerkelijk is gebeurd.
Het rijden zonder rijbewijs terwijl de verdachte nog geen achttien was, is een serieus te nemen overtreding. De verdachte heeft hiermee zeer onverantwoordelijk gedrag laten zien. Als hij een ongeval had veroorzaken, hadden daarbij ook andere mensen betrokken kunnen raken en zou er geen verzekeringsdekking zijn geweest.
Strafblad van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam
van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. Wel heeft hij op 25 april 2023 een strafbeschikking gekregen wegens baldadigheid. Dit neemt de rechtbank echter niet mee in de strafoplegging, gelet op de aard van dat strafbare feit.
Persoonlijke omstandigheden
Uit de rapportage van de Raad komt onder meer naar voren dat uitsluitend beschermende factoren rondom de verdachte worden gezien, waardoor het risico op recidive als erg laag wordt ingeschat. De verdachte groeit op bij liefdevolle ouders, volgt een opleiding en heeft een baan in de elektrotechniek. Daarnaast werkt hij op een positieve manier mee aan de coaching van Co-Fiducia en heeft hij zich aan alle andere opgelegde schorsingsvoorwaarden gehouden.
De Raad heeft op de zitting aangevuld dat bij een bewezenverklaring wel zorgen bestaan over de gewetensontwikkeling van de verdachte. Dit betekent immers dat hij al die tijd geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn handelen. De vraag is waarom hij dit niet doet.
Ook zijn op de zitting punten aan de orde gekomen die voor de Raad niet bekend waren, omdat de Raad helaas niet over het gehele strafdossier beschikte. De benoemde punten, onder meer informatie uit de telefoon met betrekking tot wapens en drugs, zijn in het kader van het coachingstraject van de verdachte het bespreken waard. Wel heeft de Raad er vertrouwen in dat de verdachte in staat is om zijn positieve ontwikkeling door te zetten en dat hij niet meer met de verkeerde personen omgaat.
Gelet op het voorgaande en de ernst van het feit, heeft de Raad geadviseerd om aan de verdachte, bij een bewezenverklaring, een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan zijn voorarrest. De Raad acht opnieuw naar de jeugdgevangenis moeten niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte.
Verder heeft de Raad geadviseerd om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarden te verbinden dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en dient mee te (blijven) werken aan de coaching vanuit Co-Fiducia. Wat betreft de bijzondere voorwaarden acht de Raad een periode van zes maanden voldoende, omdat deze met name gericht zijn op de delict bespreking en het bespreken van mogelijk andere zaken waar de verdachte zich in het verleden mee bezig heeft gehouden.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten, waarbij het zwaartepunt ligt op de poging zware mishandeling en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, is in beginsel een jeugddetentie passend. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij zich sinds zijn schorsing op 19 juni 2025 aan de opgelegde (strenge) bijzondere voorwaarden heeft gehouden (waarbij hij door een avondklok van zes maanden nog een tijd in zijn vrijheid beperkt is geweest), zich daar goed voor heeft ingezet, de positieve ontwikkeling die hij mede door de coaching van Co-Fiducia doormaakt en het laag ingeschatte risico op recidive. De rechtbank volgt de Raad daarom in het advies een straf op te leggen waardoor de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De rechtbank is van oordeel dat dit zijn positieve ontwikkeling zal doorkruisen en hiermee het risico op recidive zal vergroten.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 90 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 62 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en het (blijven) meewerken aan de coaching van Co-Fiducia.
De rechtbank vindt met de Raad belangrijk dat in het kader van de hulpverlening de delict bespreking kan plaatsvinden, zodat de verdachte alsnog verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ook omdat de bijzondere voorwaarden met name hierop gericht zullen zijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte en het lage risico op recidive een lange proeftijd onnodig maken volgens de Raad, legt de rechtbank een proeftijd op voor de duur van één jaar in plaats van de door de officier van justitie gevorderde twee jaar.
Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast aan de verdachte opleggen een werkstraf voor de duur van 100 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. Het is belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen ondervindt van zijn keuze om strafbaar te handelen.
De duur van de werkstraf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van schuldheling komt.
7. Vordering benadeelde partij parketnummer 15.144983.25 feit 1
[de benadeelde partij] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert om de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ter hoogte van € 4.024,95, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gestelde schade bestaat uit € 24,95 materiële schade (een kapot T-shirt) en € 4.000,00 aan immateriële schade (fysiek en psychisch letsel).