De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd verdacht van het invoeren van 6 kilogram cocaïne op Schiphol op 25 september 2025. De verdachte verklaarde niet op de hoogte te zijn geweest van de cocaïne in haar koffer, wat werd bevestigd door verklaringen en chatberichten. De rechtbank oordeelde dat vol opzet en voorwaardelijk opzet niet bewezen konden worden.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte niet wist dat de cocaïne in haar koffer zat, omdat een derde partij, zogenaamd een neef van de medeverdachte, de pakketten in de koffers had geplaatst tijdens een korte afwezigheid. De verdachte had argwaan en wilde haar koffer controleren, maar kon dit niet doen vanwege tijdsdruk en vertrouwen in de medeverdachte en diens neef.
Hoewel de verdachte niet opzettelijk handelde, werd zij wel veroordeeld voor het als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder A, van de Opiumwet. De rechtbank vond dat de verdachte verwijtbaar had gehandeld door niet meer onderzoek te doen naar de inhoud van haar koffer. De straf werd vastgesteld op drie maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die zij in voorlopige hechtenis had doorgebracht.