ECLI:NL:RBNHO:2026:340

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/252465-25 (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzettelijke invoer van cocaïne door verdachte op Schiphol met medeverdachte

Op 6 januari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 25 september 2025 op Schiphol werd aangehouden met 12 kilogram cocaïne in zijn koffer. De verdachte, geboren in 1998 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, was gedetineerd en werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.H. van Dijk. De officier van justitie, mr. M. Sobering, vorderde bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak van het medeplegen van de invoer van de cocaïne. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk de cocaïne had ingevoerd, mede op basis van de omstandigheden van de reis en de instructies van een derde partij, [naam]. De rechtbank achtte het medeplegen bewezen, gezien de nauwe samenwerking tussen de verdachte en [naam]. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 26 maanden op, rekening houdend met de nieuwe uitgangspunten voor strafmaat in drugszaken. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit en de schadelijkheid van cocaïne voor de gezondheid, en weegt de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee in de strafmaat.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/252465-25 (P)
Uitspraakdatum: 6 januari 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 en 23 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Sobering en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman (mr. J.H. van Dijk, advocaat te Haarlem) naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van de invoer van de cocaïne die in de koffer van [medeverdachte] is aangetroffen. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat geen vol opzet kan worden aangenomen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.
3.3.2
Bewijsmotivering
Op 25 september 2025 is bij een controle op de luchthaven Schiphol cocaïne aangetroffen in de koffer van de verdachte en in die van zijn medereiziger en [medeverdachte] . In de koffer van de verdachte zaten zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 5996,2 gram. In de koffer van de medeverdachte zaten ook zes zogenaamde kiloblokken met een totaal netto gewicht van 6013,6 gram.
Opzet
Voor de beantwoording van de vraag of de aangetroffen cocaïne opzettelijk door de verdachte binnen het grondgebied van Nederland is gebracht, is het uitgangspunt dat een passagier bekend is met de inhoud van zijn bagage en voor die inhoud ook verantwoordelijk is. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan en het opzet op de invoer van de cocaïne dus ontbreekt.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat hij precies in Sint Maarten moest ophalen en dat hij dacht dat het om geld of goud kon gaan. Hij wist dus ook niet dat er cocaïne de koffers zat.
Uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting, waaronder de verklaring van de verdachte, kan het volgende worden afgeleid.
De verdachte is door zijn (toenmalige) nieuwe vriendin [naam] gevraagd om naar Sint Maarten af te reizen om daar iets op te halen en mee terug te nemen naar Nederland. De reis, het verblijf en contant geld voor tijdens de reis werden volledig bekostigd door [naam] . De verdachte mocht een reisgenoot meenemen ( [medeverdachte] ) en ook de kosten die voor haar moesten worden gemaakt werden volledig voldaan door [naam] . Van haar moest de verdachte bij de Douane zeggen dat hij op Sint Maarten zijn neef ging bezoeken, terwijl hij erkent daar geen neef te hebben. De verdachte heeft dit alles niet verteld aan zijn [medeverdachte] , hij heeft haar enkel mee op reis gevraagd.
Gedurende de reis stond de verdachte in contact met [naam] . Zij had geregeld dat de verdachte en de medeverdachte door een man werden opgehaald op het vliegveld in Sint Maarten en naar het hotel werden gebracht. Na twee dagen vertelde [naam] de verdachte dat ze eerder terug moesten naar Nederland. De verdachte en de medeverdachte werden opnieuw door dezelfde man bij het hotel opgehaald. Onderweg naar het vliegveld stopte deze man bij een snackbar en stelde hij voor dat de verdachte en de medeverdachte wat konden eten. De man vertelde dat hij snel weer terug zou zijn. Terwijl de koffers van de verdachte en de medeverdachte nog in de auto lagen, is de man met deze auto weggereden. De [medeverdachte] vond dit een vreemde gang van zaken, maar de verdachte heeft haar gerustgesteld en gezegd dat zij zich nergens zorgen om hoefde te maken. Na ongeveer twintig minuten keerde de man terug en heeft hij de verdachte en de medeverdachte naar het vliegveld gebracht en hebben zij hun koffers ingecheckt. Bij aankomst op Schiphol werden de verdachte en de medeverdachte opgewacht door [naam] en door nog een persoon.
Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat er cocaïne in zijn koffer en de koffer van de medeverdachte zat, ongeloofwaardig. Zonder duidelijk geworden reden is de verdachte samen met een ander op reis gestuurd door [naam] , terwijl deze reis volledig door haar werd geregisseerd en bekostigd. Ook gaf zij de verdachte de instructie dat hij bij de Douane moest zeggen dat hij zijn neef ging opzoeken in Sint Maarten, terwijl hij daar geen neef heeft. De verdachte heeft dit alles niet verteld aan de [medeverdachte] en haar kennelijk meegenomen bij wijze van dekmantel. De reis heeft bovendien enkele onverwachte wendingen genomen – zoals het eerder moeten terugkeren naar Nederland en de omstandigheid dat de koffers twintig minuten zijn meegenomen door een andere persoon – die de verdachte kennelijk niet hebben bevreemd en waarover hij de medeverdachte gerust probeert te stellen. Dit alles maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat hij cocaïne in zijn koffer en in de koffer van de medeverdachte vervoerde. Daarmee had de verdachte opzet op het invoeren van de cocaïne in beide koffers.
Medeplegen
Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met in ieder geval [naam] . Op initiatief van [naam] heeft de verdachte de reis gemaakt die zij ook volledig heeft betaald. Gedurende de reis bleven zij in contact met elkaar en heeft [naam] de verdachte geïnstrueerd eerder naar huis te komen. Tot slot werd de verdachte bij aankomst op Schiphol door haar en een andere persoon opgehaald. Het ten laste gelegde medeplegen kan dan ook worden bewezen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 25 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht conform de nieuwe uitgangspunten van de rechtbank Noord-Holland, en uitgaande van een bewezenverklaring van de invoer van enkel zijn eigen koffer, een gevangenisstraf van 22 maanden tot uitgangspunt te nemen. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de verwachting dat de verdachte niet in aanmerking zal komen voor strafonderbreking omdat het Openbaar Ministerie wegens de nieuwe uitgangspunten voor de strafmaat hoger beroep tegen deze uitspraak zal instellen, heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf op te leggen van 20 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van mensen zeer schadelijke stof en daarom moet het gebruik ervan worden ontmoedigd. Tegen de invoer ervan wordt dan ook streng opgetreden. Omdat de rechtbank bewezen acht dat sprake is van medeplegen, moet de verdachte verantwoordelijk worden gehouden voor de invoer van 12.009,8 gram. Deze hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het gebruik van en de handel in cocaïne gaan gepaard met veel andere vormen van criminaliteit. Ook om die reden worden in de regel forse straffen opgelegd voor de invoer van cocaïne.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 7 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Dit weegt dus niet in zijn nadeel mee.
Op te leggen straf
Bij de bepaling van de straf voor drugskoeriers die zijn aangehouden op de luchthaven Schiphol, heeft de rechtbank tot voor kort vrijwel steeds de geldende oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt gehanteerd. Daarin is voor de in-/uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 5 tot 6 kilogram bij de categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 38 tot 40 maanden als oriëntatiepunt geformuleerd.
Ten aanzien van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor de smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel dat – indien het door de rechter wordt gevolgd – doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden aangehouden te matigen. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het oriëntatiepunt van het LOVS hanteert de rechtbank – voorlopige – algemene uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn gekomen.
Die nieuwe voorlopige uitgangspunten nemen bij een gewicht tot 1.500 gram aan harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf. Bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram is een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. Voor een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram is als uitgangspunt een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden bepaald.
De rechtbank stelt vast dat het nettogewicht aan cocaïne in deze zaak 12.009,8 gram is en dat voor het bepalen van de hoogte van de straf de derde categorie (20 tot 36 maanden) tot uitgangspunt wordt genomen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe voorlopige uitgangspunten (i) voorbij gaan aan de roep om hogere straffen voor georganiseerde drugscriminaliteit, (ii) ertoe leiden dat Nederland internationaal uit de pas zou lopen met andere landen en (iii) het gevolg hebben dat in Noord-Holland milder wordt gestraft dan elders in het land. De rechtbank verwerpt de door de officier van justitie aangevoerde argumenten onder verwijzing naar het hiervoor weergegeven nieuwe standpunt van de rechtbank Noord-Holland over de strafmaat in koerierszaken. De aspecten die door de officier van justitie zijn genoemd, zijn, voor zover juist, bij de totstandkoming van dit algemene standpunt meegewogen en leiden niet tot een andere conclusie.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
26 (zesentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 januari 2025.