Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3471

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
C/15/374396
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing kinderen wegens ernstige zorgen en ontbreken perspectief thuisplaatsing

De rechtbank Noord-Holland heeft op 11 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen verblijven in verschillende pleeggezinnen en zijn sinds eind 2022 uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en opvoedsituatie.

De ouders kampen met ernstige psychische problematiek, waaronder een gedeelde psychose, en zijn niet in staat een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. Pogingen tot samenwerking met de ouders en perspectiefonderzoeken zijn mislukt door gebrek aan medewerking. De kinderen vertonen trauma- en hechtingsproblematiek en hebben behoefte aan duidelijkheid en stabiliteit.

De rechtbank onderschrijft het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling dat terugplaatsing bij de ouders niet in het belang van de kinderen is. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden daarom verlengd voor de duur van een jaar. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor een jaar wegens blijvende ernstige zorgen en het ontbreken van een veilig perspectief op terugplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374396 / JU RK 26-197
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering,gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
en
[de minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan
:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 1] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegouder 3] en [de pleegouder 4] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 2] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegouder 5] en [de pleegouder 6] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 3] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de pleegouder 7] en [de pleegouder 8]
,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 4] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2026;
  • de brief van de GI aan de ouders van 29 december 2025 (perspectiefbesluit);
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming ‘Toetsing voorgenomen besluit
verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar’ van 19
- februari 2026;
  • het verweerschrift van de ouders met bijlagen van 20 februari 2026;
  • een verzoekschrift tevens verweerschrift van de ouders van 20 februari 2026;
  • de brief van de GI van 2 maart 2026 van therapeutische pleegzorg over
[de minderjarige 2] ;
- de brief van de pleegouders van [de minderjarige 4] van 5 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder;
  • [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordigers van de GI;
  • de pleegouders van [de minderjarige 1] ;
  • de pleegouders van [de minderjarige 2] ;
  • de pleegmoeder van [de minderjarige 3] ;
  • de pleegouders van [de minderjarige 4] .
1.3.
De vader heeft de kinderrechter bericht dat hij in verband met zijn werk niet naar de zitting kon komen.
1.4.
De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening aan de kinderrechter kenbaar te maken. [de minderjarige 1] heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen verblijven in verschillende perspectief biedende pleeggezinnen.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 december 2022 de
kinderen met ingang van 29 december 2022 voorlopig onder toezicht gesteld. Bij
beschikking van 16 maart 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De
ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 16 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 december 2022
een spoedmachtiging verleend om de kinderen met ingang van 29 december 2022 dag
en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot
uithuisplaatsing van de kinderen is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot
16 maart 2026.
2.5.
De Raad heeft in de brief van 19 februari 2026 geadviseerd om de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (na twee jaar) te verlengen.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI in de stukken en ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
3.2.
In de beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van
4 maart 2025 is overwogen dat geen nieuw perspectiefbesluit is opgesteld na het al eerder (bij beschikking van 15 maart 2024) door de rechtbank beoordeelde perspectiefbesluit. Het was nodig om inzicht te krijgen in de persoonlijke omstandigheden van de ouders. De GI heeft in het afgelopen jaar geprobeerd de samenwerking met de ouders weer van de grond te krijgen. Dit is niet gelukt, omdat de afspraken steeds door de ouders om verschillende redenen werden afgezegd. Verder was een perspectiefonderzoek aangevraagd bij William Schrikker Gezinsvormen (hierna: WSGV). Voor dat perspectiefonderzoek was van belang dat beide ouders beschikbaar waren en zich goed in zouden zetten. Het is de begeleider van het perspectiefonderzoek niet gelukt om een afspraak te maken met de ouders. De GI heeft daarnaast boze mails en vervelende spraakberichten ontvangen van de ouders. De WSGV heeft daarom besloten het perspectiefonderzoek van de kinderen voortijdig te beëindigen.
3.3.
De kern van de problematiek is dat de ouders door ernstige psychische problematiek en beperkte draagkracht niet in staat zijn om de kinderen structureel een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie te bieden. De vader kampt met psychiatrische problematiek, waaronder psychotische ontregeling en is in stressvolle situaties verminderd emotioneel beschikbaar. De moeder maakt een overbelaste indruk en volgt de vader in zijn overtuigingen. Hierdoor is het risico ontstaan voor emotionele verwaarlozing van de kinderen. Er is nog steeds sprake van concrete bedreigingen in de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen. Zo waren in de thuissituatie zorgen over de verzorging en hygiëne en de (seksuele) veiligheid van de kinderen. Ook zijn de kinderen blootgesteld aan spanningen en mogelijk huiselijk geweld tussen ouders. Verder werken de ouders niet mee met de jeugdbescherming en hebben zij de omgang met de kinderen stopgezet of daar voorwaarden aan verbonden die niet in het belang van de kinderen zijn.
3.4.
Volgens de GI laat het gedrag van de kinderen (onder andere moeite alleen gelaten te worden, angst voor mannen op straat, buikpijn, moeite hebben te concentreren op school, moeite met emotieregulatie) duidelijk zien dat zij behoefte hebben aan zekerheid over waar zij zullen opgroeien en wie voor hen zal zorgen.
3.5.
In het perspectiefbesluit heeft de GI geconcludeerd dat het voor de kinderen niet veilig en niet in hun belang is om bij de ouders thuis op te groeien. De kinderen hebben rust, duidelijkheid, emotionele veiligheid en stabiele opvoeders nodig om zich verder te kunnen ontwikkelen. Daarom zal door de GI niet meer gewerkt worden aan een thuisplaatsing. Nu de GI van mening is dat de kinderen niet meer thuisgeplaatst worden bij de ouders, zal de komende periode de rol van de ouders verder ingevuld moeten worden.

4.De standpunten van de ouders

4.1.
De ouders vinden dat het verzoek van de GI afgewezen moet worden en dat het perspectiefbesluit niet houdbaar is. Zij hebben daartoe het volgende naar voren gebracht.
4.2.
De voortduring van de uithuisplaatsing en het definitief niet terugplaatsen van de kinderen vormt een ingrijpende inmenging in het gezinsleven. Deze inmenging is niet noodzakelijk, proportioneel en ook niet zorgvuldig gemotiveerd. Er is verder niet aangetoond dat geen minder ingrijpende alternatieven zijn. Zo is het perspectiefbesluit nog steeds gebaseerd op oude informatie en hebben de ouders wel consequent meegewerkt aan alle onderzoeken, gesprekken, voorwaarden en het hulpverleningstraject. Zij hebben daarnaast tevergeefs herhaaldelijk verzocht om een onafhankelijk en professioneel ambulant begeleidingstraject in de thuissituatie om te kunnen beoordelen of zij de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen aankunnen. De ouders willen een eerlijke, reële en toetsbare kans om dit (alsnog) te laten zien en te voorkomen dat alleen tijdsverloop doorslaggevend wordt boven het actuele belang en de fundamentele rechten van de kinderen. Zij wijzen er daartoe op dat langdurige onzekerheid zonder concreet perspectief op gezinshereniging schadelijk kan zijn voor de hechting en identiteitsontwikkeling van kinderen. Daarom verzoeken zij een actuele, objectieve en onafhankelijke herbeoordeling van de mogelijkheid tot (gefaseerde) thuisplaatsing met ambulante begeleiding, dan wel substantiële uitbreiding van de contactmomenten. De ouders beroepen zich hierbij op artikel 8 van Pro het EVRM [1] en artikel 3 van Pro het IVRK [2] .
4.3.
De moeder heeft ter zitting aanvullend naar voren gebracht dat het hen door beperkte financiële middelen niet altijd is gelukt om een datum en tijd af te spreken en zich te houden aan afspraken. Er is nu meer financiële stabiliteit bij de ouders, omdat beide ouders nu werk hebben. Verder geeft zij aan dat camera’s in huis hangen en de hele dag aan staan, zodat de ouders kunnen bewijzen dat geen sprake is van huiselijk geweld gepleegd door de vader.

5.De beoordeling

Het perspectiefbesluit
5.1.
De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan een rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. [3]
5.2.
De GI heeft in het perspectiefbesluit geconcludeerd dat de kinderen bij hun pleegouders zullen blijven wonen en dat niet langer wordt gewerkt aan thuisplaatsing. De rechtbank ziet aanleiding om – in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen – het perspectiefbesluit van de GI te toetsen.
5.3.
De kinderen zijn eind 2022 met spoed uit huis geplaatst vanwege de ernstige zorgen over hun woon- en opvoedsituatie. Er was sprake van structurele onveiligheid, verwaarlozing en een gebrek aan stabiliteit, waaraan de kinderen voor hun uithuisplaatsing langdurig zijn blootgesteld. Zo zijn de kinderen in hun jonge leven getuige geweest van verbaal en fysiek geweld vanwege de relatieproblematiek tussen de ouders, was het huis zwaar vervuild, hadden enkele kinderen een verwaarloosd gebit en liepen de kinderen bloot en verwaarloosd rond. Een grote zorg hierbij was de psychische problematiek van de vader en de gedeelde psychose (folie à deux) bij de moeder. Dit betekent dat de ouders elkaar bevestigen in gedachten en overtuigingen die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Bij alle kinderen is sprake van trauma- en hechting gerelateerde problematiek die ontstaan is in de thuissituatie en de ervaringen die zij daar op jonge leeftijd hebben meegemaakt.
5.4.
De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft zich in haar beschikking van
15 maart 2024 uitgelaten over het eerder genomen perspectiefbesluit van 24 januari 2024. In de beschikking overwoog de rechtbank (voor zover in dit kader relevant) als volgt:

Gebleken is dat de hulpverlening voor de ouders en de kinderen om meerdere redenen niet goed van de grond is gekomen, zodat er nog onvoldoende zicht is op de problematiek van de ouders en de kinderen. De conclusie dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt, is daarom naar het oordeel van de rechtbank prematuur, ook gezien de relatief korte duur van de machtiging uithuisplaatsing tot op heden. De rechtbank acht het perspectiefbesluit daarmee niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd.
5.5.
In de beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank van 4 maart 2025 is (voor zover in dit kader relevant) het volgende overwogen:
“Ondanks de goede ontwikkelingen van de kinderen in de pleeggezinnen zijn er nog altijd zorgen. De afgelopen maanden is duidelijk geworden dat de ouders vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat zijn in het belang van de kinderen te handelen. Het leven van de ouders is op meerdere gebieden instabiel en biedt onvoldoende veiligheid, structuur en voorspelbaarheid voor de kinderen. Om meer inzicht te krijgen in de belastbaarheid en draagkracht van de ouders en daarmee het perspectief van de kinderen, heeft de WSGV ingezet op een perspectiefonderzoek. Ondanks de grote wens van de ouders voor de terugplaatsing van de kinderen, is het hen niet gelukt medewerking te verlenen aan het perspectiefonderzoek, waardoor het onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. (…)”
5.6.
Ook hierna heeft de GI geen inzicht kunnen krijgen in de belastbaarheid en draagkracht van de ouders, omdat de ouders niet willen of kunnen samenwerken met de GI en de afspraken niet zijn nagekomen. Bezoek- en omgangsafspraken om te zien hoe de ouders en de kinderen op elkaar reageren, zijn ook het afgelopen (daarom) niet goed van de grond gekomen. Dit betekent dat de kinderen sinds eind oktober 2024 nauwelijks tot geen omgang hebben gehad met de ouders. De langdurige grote zorgen over de psychische problematiek van de vader, meer specifiek, het realiteitsbesef van de vader, zijn ook nog onverkort aanwezig. Deze problematiek vormt al jaren een ernstige belemmering voor een veilige en constructieve samenwerking van de vader met de hulpverleners en de GI. Een complicerende factor hierbij is dat de ouders de ernstige zorgen over de psychische problematiek bij de vader niet (h)erkennen, daar geen hulpverlening voor willen en door de betrokken professionals ook de afgelopen periode wordt gezien dat de moeder in sterke mate meegaat in de wensen en ideeën van de vader.
5.7.
De voor de moeder geadviseerde behandeling voor het verwerken van ingrijpende gebeurtenissen in haar verleden en verkrijgen van zicht op haar psychische situatie, draagkracht en opvoedvaardigheden, is ook (nog steeds) niet van de grond gekomen. De moeder heeft na een intakegesprek over de inzet van persoonlijke hulpverlening in 2023 aangegeven dat zij geen hulpvraag heeft. Het afgelopen jaar is hierin geen verandering gekomen. Zolang de ouders geen structurele begeleiding, hulp en behandeling accepteren voor hun individuele problematiek en het realiseren van contactherstel met de kinderen, kan niet goed ingeschat worden of mogelijkheden zijn voor de kinderen om weer thuis te wonen. Dit klemt te meer, omdat bij alle kinderen sprake is van trauma- en hechting gerelateerde problematiek. De kinderen hebben hierdoor gespecialiseerde hulp nodig om hun gevoelens te verwerken, zich weer veilig te leren voelen en zich gezond te kunnen ontwikkelen. Het is van belang dat deze behandeling in een stabiele en veilige omgeving plaatsvindt.
5.8.
Bij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat de ouders, gelet op hun belaste verleden en individuele en gezamenlijke problematiek niet voldoende in staat zijn de verzorging en de opvoeding van de kinderen zelfstandig te dragen. De verwachting is ook niet gerechtvaardigd dat de situatie van de ouders binnen een afzienbare tijd, met de inzet van hulpverlening en behandeling, wezenlijk zal verbeteren. De zorgen zijn namelijk al jaren groot en de noodzakelijke stappen voor het verkrijgen van zicht op de situatie van de ouders en het wegnemen van die zorgen worden – gelet op het zeer moeizame verloop van de jarenlange ondertoezichtstelling – niet gezet.
5.9.
Daartoe stelt de rechtbank vast dat de aanvaardbare termijn waarbinnen de kinderen in onzekerheid kunnen verkeren over waar zij (mogen) opgroeien al is verstreken. Uit het gedrag dat ze vertonen en de uitspraken die ze doen blijkt dat zij behoefte hebben aan duidelijkheid op dit punt. Daarbij komt dat de kinderen bij de pleeggezinnen al jaren de veiligheid, stabiliteit, rust en aandacht krijgen die zij nodig hebben om tot een gezonde verdere ontwikkeling te kunnen komen. Verstoring van deze stabiliteit kan een negatieve invloed hebben op hun ontwikkeling en behandeling voor hun trauma- en hechtingsproblematiek. Uitstellen van het perspectiefbesluit waarbij de ouders nog een kans krijgen – zoals is verzocht door de ouders – is dan ook niet meer in het belang van de kinderen.
5.10.
De rechtbank zal het perspectiefbesluit dan ook onderschrijven. Dat betekent dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt, maar bij de pleeggezinnen en de GI zal niet meer zal (hoeven) werken aan de thuisplaatsing van de kinderen bij de ouders.
De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
5.11.
De rechtbank is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van
oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing en dat deze maatregelen ook noodzakelijk zijn in het belang van (de verzorging en opvoeding van) de kinderen. [4] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.12.
De langdurige zorgen over de persoonlijke en gezamenlijke problematiek van de ouders zijn nog steeds aanwezig. Er zal niet meer gewerkt worden door de GI aan terugplaatsing en het verblijf in de huidige pleeggezinnen moet gewaarborgd worden. De komende periode zal (verder) aandacht moeten zijn voor de individuele problematiek van de kinderen. De duidelijkheid die de kinderen krijgen over waar zij mogen opgroeien zal hopelijk bijdragen aan het succesvol doorlopen van de benodigde hulpverlening en behandeling. Daarbij is het belangrijk om te onderzoeken of contact met de ouders in het belang van de kinderen is, en zo ja, op welke manier de kinderen veilig contact kunnen hebben met de ouders. Het ligt daarbij ook op de weg van de GI om rekening te houden met de financiële situatie van de ouders. Om deze doelen te behalen is de regie van de GI in het gedwongen kader noodzakelijk.
5.13.
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging uithuisplaatsing, gelet op de gestelde doelen, voor de duur van een jaar. [5]
5.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2],
[de minderjarige 3]en
[de minderjarige 4], met ingang van 16 maart 2026 tot 16 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1],
[de minderjarige 2],
[de minderjarige 3]en
[de minderjarige 4]in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 16 maart 2026 tot 16 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, mr. S. Ok en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026, in aanwezigheid van
J.B. Stevens als griffier. De schriftelijke uitwerking is gedaan op 1 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
3.Hoge Raad 1 september 2023, vindplaats: ECLI:NL:HR:2023:1148.
4.artikelen 1:255, eerste lid en 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW)
5.artikelen 1:260, eerste lid, en 1:265c, tweede lid, BW