De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 april 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak betreffende personen- en familierecht tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding. De vrouw verzocht om partneralimentatie, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij haar aanvullende behoefte niet had onderbouwd. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen welk bedrag zij nodig had en of de man draagkracht had om bij te dragen.
Daarnaast stelde de rechtbank de wijze van verdeling van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen vast. Partijen waren het over een aantal vermogensbestanddelen eens, zoals de voormalige echtelijke woning, die aan de man werd toegewezen onder voorwaarden, en de inboedel, die werd verdeeld op basis van feitelijk bezit zonder verrekening. Over andere zaken, zoals de waarde van een woning in het buitenland en de verdeling van schulden, werden taxaties en nadere afspraken gelast.
De rechtbank oordeelde verder over diverse specifieke vermogensbestanddelen, waaronder een eenmanszaak, gouden sieraden, vorderingen in verband met de toeslagenaffaire, letselschadevergoeding en diverse schulden. Sommige verzoeken werden toegewezen, zoals de toedeling van de activa van de eenmanszaak aan de man met de verplichting schulden te dragen, terwijl andere werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of onderbouwing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat tevens instructies voor het informeren over de toeslagenaffaire en het instellen van hoger beroep.