Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3491

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/15/376395
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

De gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers verzocht op 1 april 2026 om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, wonende bij hun vader, vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en welzijn.

De kinderen waren sinds 26 februari 2026 onder toezicht gesteld vanwege langdurige en ernstige problemen in de thuissituatie, gerelateerd aan verslaving en huiselijk geweld. Tijdens een interventie op 1 april 2026 bleek dat de vader een levensgevaarlijke cyclus van alcohol- en drugsgebruik vertoont, waardoor hij de zorg voor de kinderen volledig heeft verloren. De moeder is opgenomen voor behandeling van haar eigen verslavingsproblematiek en kan de zorg niet dragen.

De kinderrechter oordeelde dat onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk is om de kinderen te beschermen en machtigde de GI om hen voor vier weken in een netwerkpleeggezin te plaatsen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden en zal op een nader te bepalen zitting worden voortgezet.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor vier weken wegens onveilige thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376395 / JU RK 26-530
Datum uitspraak: 2 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermerste Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
hierna samen te noemen de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2026 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 26 februari 2027.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] de verlenen in een pleeggezin voor de duur van drie maanden.

4.De beoordeling

4.1.
Op 26 februari 2026 zijn de kinderen onder toezicht gesteld vanwege de langdurige en ernstige zorgen in de thuissituatie die verband houden met de verslavingsproblematiek/het alcoholgebruik van de ouders en het huiselijk geweld dat daaruit voortvloeit. Hierdoor kunnen de ouders de kinderen al langere tijd geen veilige en voorspelbare thuissituatie bieden. Er zou binnen het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling, met de sterke regie van de GI en hulpverlening, gewerkt worden aan de forse zorgen die er op dat moment waren.
4.2.
Die GI constateert nu (terecht) dat de opvoedsituatie bij de vader thuis niet meer houdbaar is. Tijdens de interventie op 1 april 2026 is namelijk gebleken dat er bij de vader geen sprake is van incidenteel gebruik, maar van een levensgevaarlijke cyclus van alcohol- en drugsgebruik van een paar dagen, waarbij hij grote hoeveelheden alcohol en meerdere grammen cocaïne gebruikt om "donkere gedachten" te onderdrukken. De vader is volledig ontspoord en de controle over zijn leven en de zorg voor de kinderen volledig verloren. Dit betekent dat de kinderen al veel te lang (emotioneel, pedagogisch, lichamelijk) ernstig verwaarloosd worden en dat er geen veilig moment meer is in de thuissituatie. De kinderen moeten direct uit deze zeer zorgelijke opvoedsituatie bij de vader gehaald worden en op een veilige plek geplaatst worden waar zij de rust, voorspelbaarheid, aandacht, verzorging en opvoeding krijgen die zij nodig hebben en verdienen. De moeder kampt met haar eigen verslavingsproblematiek waarvoor zij nu opgenomen is voor behandeling in een kliniek. Zij is daardoor ook niet in staat om de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen.
In het netwerk is door de GI een veilige en vertrouwde verblijfplek gevonden voor de kinderen, namelijk bij tante [tante] .
4.3.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst bij een (netwerk)pleeggezin. [1]
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]in een (netwerk)pleeggezin, met ingang van 2 april 2026 tot 30 april 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
5.4.
bepaalt dat de griffier de GI, de vader, de moeder, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tijdig oproept voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.