Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3506

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/2592
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 3:4 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:41a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van compensatie en aanvullende schadevergoeding in de Toeslagenaffaire

Belanghebbende, gedupeerde in de Toeslagenaffaire, heeft beroep ingesteld tegen twee beschikkingen van de Dienst Toeslagen: een eerste beschikking van 3 maart 2023 over een forfaitaire schadevergoeding en een tweede beschikking van 14 april 2025 over een aanvullende schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de eerste beschikking ongegrond is omdat de wet geen ruimte biedt voor een hogere vergoeding dan het forfaitaire bedrag. Het beroep tegen de tweede beschikking is niet-ontvankelijk omdat op het bezwaar tegen deze beschikking nog geen beslissing is genomen.

De rechtbank benadrukt dat de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een tweedelig compensatietraject kent: een snelle forfaitaire vergoeding en een aparte procedure voor aanvullende schade. Belanghebbende kan tegen de tweede beschikking beroep instellen zodra het bezwaar is afgehandeld. De rechtbank wijst het verzoek af om in deze procedure het totale schadebedrag vast te stellen of bindende aanwijzingen te geven voor de beoordeling van de aanvullende schade.

Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro. De procedurele scheiding is een autonome keuze van de wetgever en levert geen onrechtmatige blokkade op. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de eerste beschikking en niet-ontvankelijk voor het overige.

Uitkomst: Het beroep tegen de eerste beschikking wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de tweede beschikking niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een beslissing op bezwaar.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2592

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Op 3 maart 2023 heeft verweerder aan belanghebbende een ‘Definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag’ toegezonden (kenmerk UHT-DCH ZV). Belanghebbende is bij schrijven met dagtekening 15 april 2023 tegen die beschikking in bezwaar gekomen. Verweerder heeft dat bezwaar bij beschikking van 22 mei 2025 afgewezen (kenmerk UHT-BOB).
Belanghebbende heeft op 17 mei 2025 beroep ingesteld tegen de beschikking van 22 mei 2025 met kenmerk UHT-BOB. Dit beroep is meerdere keren [1] aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank toegezonden.
In de stukken die op de zaak betrekking hebben komen passages voor die onleesbaar zijn gemaakt. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd om te bepalen dat uitsluitend de rechtbank van die passages kennis zal mogen nemen (‘verzoek om beperkte kennisneming’). De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 27 november 2025 bepaald dat het verzoek van verweerder gedeeltelijk wel (ten aanzien van de producties 9.4 en 9.25) en gedeeltelijk niet (ten aanzien van productie 7) gerechtvaardigd is. Belanghebbende heeft de rechtbank toestemming gegeven om haar uitspraak mede te baseren op de gegevens ten aanzien waarvan het verzoek om beperkte kennisneming is toegewezen.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 2 december 2025. Belanghebbende was daarbij aanwezig samen met [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , door mr. [naam 3] en door [naam 4] .

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende is gedupeerde in de Toeslagenaffaire en heeft zich bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) aangemeld voor een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2016, voor compensatie, en voor aanvullende compensatie.
2. In de ‘Definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag’ van de directeur van de UHT staat:

“(…) U krijgt € 46.066 van ons.

Het geld staat voor 7 maart 2023 op uw rekening. U hoeft dit geld nooit terug te betalen.
Voorlopige vergoeding € 76.066
Af: Catshuisregeling al gekregen € 30.000
U krijgt nu € 46.066
(…)
U ontvangt apart nog een definitieve beschikking over de regeling voor opzet/grove schuld over 2012, 2014 en 2015.

Hebt u meer schade?

Dan kunt u naar de Commissie Werkelijke Schade. Bij de Commissie kunt u aangeven dat u meer schade hebt gehad. (…)”
3. Bij uitspraak op het bezwaar tegen de definitieve beschikking is het compensatiebedrag vastgesteld op € 78.722. In het als bijlage bij de uitspraak op bezwaar gevoegde hoorverslag en in het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie staat, achtereenvolgens:
“(…) De Commissie licht kort de verschillen toe tussen de procedure van integrale beoordeling en die van de aanvullende schade. (…)”
“(…)
Afwijken van forfaitaire bedragen
[Belanghebbende] heeft verzocht om af te wijken van de vastgestelde forfaitaire bedragen, omdat zijn werkelijke schade hoger is dan de compensatie die hij heeft ontvangen. De Commissie overweegt dat de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) twee gescheiden compensatietrajecten kent. Zo bevat de Wht een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan. (…) Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan kan worden vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. (…) Aanvullende schade kan worden verzocht bij de Commissie Werkelijke Schade. De Commissie heeft ter hoorzitting begrepen dat [belanghebbende] reeds is gehoord door de Commissie Werkelijke Schade en dat hij inmiddels ook een beschikking over de aanvullende schade heeft ontvangen. Als
[belanghebbende
]zich niet kan vinden in de beschikking, kan hij (ook) hiertegen bezwaar maken. (…)
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de procedure van compensatie en de aanvullende compensatie te scheiden. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De Commissie wijst erop dat gedupeerden van de problemen met de kinderopvangtoeslag gratis juridische hulp kunnen krijgen van een advocaat via de Raad voor de rechtsbijstand. (…)”
4. Belanghebbende heeft bij de Commissie Werkelijke Schade verzocht om toekenning van een aanvullende vergoeding voor de werkelijk door hem geleden schade. Op 14 april 2025 is aan belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade toegekend. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en op dat bezwaar was tijdens de rechtszitting op 2 december 2025 nog niet beslist.
Geschil en standpunten van partijen
5. In geschil is het bedrag dat aan belanghebbende aan compensatie is toegekend na herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag.
6. Belanghebbende voert aan dat de werkelijk als gevolg van de Toeslagenaffaire door hem en zijn gezin geleden schade vele malen hoger is dan het bedrag dat aan hem is toegekend. Hij voert aan dat de compensatie en de aanvullende compensatie in één procedure moeten kunnen worden behandeld en toegekend. Verder voert belanghebbende aan dat de beslissing op zijn bezwaar in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, met het motiveringsbeginsel, met het evenredigheidsbeginsel, en met de geest van de Wet hersteloperatie toeslagen. Belanghebbende stelt schade te hebben geleden door een voor hem ongunstig verlopen verkoop van onroerende zaken en aandelen (via een vaststellingsovereenkomst met zijn familie), en hij verzoekt de rechtbank vast te stellen dat deze schade is veroorzaakt door verweerder. Belanghebbende concludeert tot
  • vernietiging van de beslissing op zijn bezwaar;
  • zo veel mogelijk definitieve beslechting op de voet van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht van het geschil door de bestuursrechter en toekenning van de in totaal door belanghebbende, zijn toenmalig partner en zijn vier kinderen geleden materiele en immateriële schade, door belanghebbende berekend op € 7.630.366;
dan wel (subsidiair)
  • terugwijzing naar de UHT opdat deze dienst opnieuw op het bezwaar zal beslissen en daarbij alle door belanghebbende opgevoerde schadeposten zal beoordelen;
  • dan wel (meer subsidiair) doorgeleiding van het dossier naar de Commissie werkelijke Schade met bindende aanwijzing voor herbeoordeling;
  • veroordeling van verweerder in de proceskosten en vergoeding van het griffiegeld.
7. Verweerder voert aan dat hij niet de bevoegdheid heeft om in deze procedure van integrale beoordeling af te wijken van de limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan zoals bepaald in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Schadeposten die in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, worden op verzoek van de belanghebbende beoordeeld door de Commissie Werkelijke Schade. Dat is bekendgemaakt aan de belanghebbende en belanghebbende heeft zich ook al tot deze commissie gewend. Volgens verweerder kan in deze procedure niet een verklaring voor recht worden afgegeven waarin wordt vastgesteld dat een privaatrechtelijke overeenkomst niet op juiste wijze tot stand is gekomen. Volgens verweerder is het beroep ongegrond.
Beoordeling van het geschil
Algemeen
8. Verweerder heeft aan belanghebbende twee voor deze procedure relevante beschikkingen bekend gemaakt. De eerste beschikking draagt de dagtekening 3 maart 2023 en is voorzien van het opschrift ‘Definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag’ (hierna: de eerste beschikking). Daarnaast is er nog een beschikking met dagtekening 14 april 2025, waarbij aan belanghebbende een aanvullende schadevergoeding is toegekend (hierna: de tweede beschikking). Belanghebbende heeft tegen zowel de eerste beschikking als tegen de tweede beschikking bezwaar gemaakt.
9. In de eerste beschikking heeft verweerder beoordeeld of belanghebbende in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag aan schadevergoeding, in de tweede beschikking heeft verweerder vastgesteld op welk bedrag volgens hem de door belanghebbende daadwerkelijk geleden schade moet worden vastgesteld. Er zijn twee beschikkingen genomen omdat dat in de Wht zo is geregeld. Het schadevergoedingstraject voor gedupeerden in de Toeslagenaffaire is in tweeën geknipt om in een eerste eenvoudige procedure zo snel mogelijk alvast een forfaitair vastgesteld bedrag aan schadevergoeding aan de gedupeerde uit te keren. Voor het meer tijdrovende maatwerk (het vaststellen van de door de gedupeerde daadwerkelijk geleden schade) is die tweede procedure bedoeld.
10. Belanghebbende vraagt de rechtbank om zijn geschil met verweerder zoveel mogelijk definitief te beslissen, door in deze uitspraak het totale schadebedrag vast te stellen dat is geleden door hem, door de moeder van zijn kinderen, en door zijn kinderen. Om de volgende reden kan de rechtbank dat niet doen.
11. Verweerder heeft op 22 mei 2025 beslist op het bezwaar van belanghebbende tegen de eerste beschikking. Tijdens het onderzoek ter zitting 2 december 2025 had verweerder nog geen beslissing genomen op het bezwaar van belanghebbende tegen de tweede beschikking. Volgens artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet een belanghebbende tegen een besluit bezwaar (bij het bestuursorgaan) maken alvorens hij beroep (bij de rechtbank) kan instellen. Er kan beroep worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.
De tweede beschikking
12. Tijdens de rechtszitting op 2 december 2025 had verweerder nog geen beslissing genomen op het bezwaar tegen de tweede beschikking, waarin het gaat om vaststelling van de door belanghebbende daadwerkelijk geleden schade, waaronder de wettelijke rente. Tegen die tweede beschikking kan vanwege het eerder genoemde artikel 7:1 van Pro de Awb nog geen beroep worden ingesteld, en daarom kan de rechtbank op dit moment de klachten van belanghebbende daartegen niet behandelen. De rechtbank kan deze klachten pas beoordelen als belanghebbende beroep instelt tegen een beslissing op bezwaar tegen de tweede beschikking. Het door belanghebbende aangehaalde artikel 8:41a van de Awb verandert daar niets aan. Voor zover belanghebbende hier en nu klaagt over onjuistheid van de tweede beschikking, is hij niet-ontvankelijk in zijn beroep.
De eerste beschikking
13. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op zijn bezwaar tegen de eerste beschikking. In de eerste beschikking, die is herzien in de uitspraak op bezwaar, heeft verweerder aan belanghebbende tot de in artikel 2.3 van de Wht genoemde hoogte financiële compensatie toegekend voor de in artikel 2.2. van de Wht genoemde schadecomponenten. Artikel 2.3 van de Wht begrenst het bedrag aan compensatie voor materiele en immateriële schade tot een bepaald maximum. In zijn beroepschrift vraagt de belanghebbende niet om aanpassing van de forfaitaire bedragen, hij vraagt om een hoger bedrag aan compensatie dan het bedrag dat aan hem is toegekend. De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat toewijzing van dat verzoek in strijd zou zijn met de wet.
14. Er zijn evenwel omstandigheden denkbaar waarin de wet moet wijken om een uitkomst mogelijk te maken die beantwoordt aan het in artikel 3:4 van Pro de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Die omstandigheden zijn hier echter niet aan de orde, de rechtbank zal uitleggen waarom dat zo is.
15. Artikel 3:4 van Pro de Awb luidt:
“1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.”
16. De artikelen 2.2 van de Wht en 2.3, leden 1 tot en met 7, van de Wht zijn dwingend geformuleerd in een heldere tekst die geen ruimte laat om hogere bedragen toe te kennen dan is vastgesteld voor de genoemde schadecategorieën. Er is dus een wettelijk voorschrift (als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb) waaruit een beperking voortvloeit om de rechtstreeks betrokken belangen af te wegen (vgl. RvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772). Die beperking leidt niet tot een voor belanghebbende onevenredig gevolg, want wordt gerechtvaardigd door de systematiek van de wet waarin de keuze is gemaakt om het schadevergoedingstraject voor gedupeerden in de Toeslagenaffaire in tweeën te knippen. De kous is na de eerste beschikking voor belanghebbende dus nog niet af want er is een volgende procedure waarin alle rechtstreeks betrokken belangen zonder beperking kunnen worden afgewogen. De keus van de wetgever om de procedure in tweeën te knippen is bedoeld om snel de ergste nood bij gedupeerden te kunnen ledigen, en verdient het om te worden gerespecteerd. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb kan belanghebbende daarom niet baten.
17. Belanghebbende klaagt ook over een gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van verweerder bij het beoordelen van zijn zaak. De door partijen overgelegde stukken en hetgeen op de rechtszitting is besproken geven de rechtbank evenwel geen enkele reden om aan te nemen dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van de eerste beschikking of bij de voorbereiding van de uitspraak op bezwaar daartegen niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Hetzelfde geldt voor schending van het fair play-beginsel. Een schending van artikel 2:4 en Pro/of 3:2 van de Awb is daarom niet aan de orde.
18. Belanghebbende voert aan dat zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden. Hij stelt dat voor hem de toegang tot een inhoudelijke behandeling van zijn zaak door een formele regel wordt geblokkeerd. Het wordt hem immers niet mogelijk gemaakt om in deze procedure een rechterlijke beslissing te krijgen over de totaal door hem en zijn gezin geleden schade. De rechtbank overweegt evenwel dat belanghebbende beroep kan instellen tegen de tweede beschikking en daarmee een rechterlijk oordeel kan uitlokken over de totaal door hem geleden schade. Het is een autonome bevoegdheid van de Nederlandse wetgever om procedurele regels vast te stellen voor gedupeerden in de Toeslagenaffaire om hun schade vergoed te krijgen. De omstandigheid dat die procedure in twee stappen verloopt levert geen schending van artikel 6 van Pro het EVRM op.
19. Omdat de rechtbank geen reden ziet voor vernietiging van het bestreden besluit, is er geen reden om de zaak terug te wijzen naar verweerder om hem opnieuw op het bezwaar te laten beslissen.
Ten slotte
20. Ten slotte vraagt belanghebbende de rechtbank om bindende aanwijzingen te formuleren waaraan verweerder zich moet houden bij het vaststellen van de in totaal door eiser geleden schade. Hiermee vraagt belanghebbende de rechtbank zich te mengen in de beoordeling van de tweede beschikking. Die mogelijkheid heeft de rechtbank echter niet, want de rechtbank heeft daarover in deze procedure waarin het gaat om de eerste beschikking geen rechtsmacht.
21. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard voor zover het zich keert tegen de beslissing op bezwaar van 22 mei 2025, en niet-ontvankelijk voor het overige.
Proceskosten
22. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het zich richt tegen de beslissing op bezwaar van 22 mei 2025;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, voorzitter, mr. G.H. de Soeten en
mr. C. Huisman, rechters, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De stukken waarmee belanghebbende zijn beroep heeft aangevuld zijn voorzien van de dagtekening 24 juni, 19 juli, 14 november (4 afzonderlijke geschriften), 19 november (2 afzonderlijke geschriften), 20 november (2 afzonderlijke geschriften), 22 november, 23 november (2 afzonderlijke geschriften), 28 november (als bijlage bij een e-mailbericht van 27 november), 29 en 30 november (als bijlage bij een e-mailbericht van 29 november), en een pleitnota met dagtekening 2 december 2025 alsmede een addendum van dat pleidooi.