Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“(…) U krijgt € 46.066 van ons.
Hebt u meer schade?
Afwijken van forfaitaire bedragen
[belanghebbende
]zich niet kan vinden in de beschikking, kan hij (ook) hiertegen bezwaar maken. (…)
- vernietiging van de beslissing op zijn bezwaar;
- zo veel mogelijk definitieve beslechting op de voet van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht van het geschil door de bestuursrechter en toekenning van de in totaal door belanghebbende, zijn toenmalig partner en zijn vier kinderen geleden materiele en immateriële schade, door belanghebbende berekend op € 7.630.366;
- terugwijzing naar de UHT opdat deze dienst opnieuw op het bezwaar zal beslissen en daarbij alle door belanghebbende opgevoerde schadeposten zal beoordelen;
- dan wel (meer subsidiair) doorgeleiding van het dossier naar de Commissie werkelijke Schade met bindende aanwijzing voor herbeoordeling;
- veroordeling van verweerder in de proceskosten en vergoeding van het griffiegeld.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond voor zover het zich richt tegen de beslissing op bezwaar van 22 mei 2025;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor het overige.