AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing opname in accommodatie als vorm van verplichte zorg bij zorgmachtiging
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 25 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan schizofrenie.
Uit de medische stukken en het zorgplan bleek dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn psychische stoornis, waaronder ernstig lichamelijk letsel en verwaarlozing. Er is geen passende vrijwillige zorg mogelijk, waardoor verplichte zorg noodzakelijk is. De rechtbank achtte het toedienen van medicatie, medische controles, beperkingen in vrijheid en bewegingsvrijheid passend.
Het verzoek om opname in een accommodatie als vorm van verplichte zorg werd echter afgewezen. De rechtbank vond deze maatregel niet doelmatig, mede omdat betrokkene hierdoor mogelijk niet open zou zijn naar het behandelteam, wat essentieel is voor een goede behandelrelatie. Het behandelteam heeft voldoende zicht op betrokkene door regelmatige thuisbezoeken. Bij ernstige ontregeling kan alsnog opname worden overwogen via een wijziging van de machtiging of crisismaatregelen.
De zorgmachtiging wordt verleend voor een duur van 24 maanden, tot en met 25 maart 2028, met de genoemde vormen van verplichte zorg, en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verleent de zorgmachtiging met verplichte zorg, maar wijst opname in een accommodatie af wegens onvoldoende doelmatigheid.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
zaak-/rekestnr.: C/15/375462 / FA RK 26-1191
beschikking van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: betrokkene,
advocaat mr. M.W.P. Buers Bakker, kantoorhoudende te Alkmaar.
1.Procedure
1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 9 maart 2026, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
1.2.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een afschrift van een beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 20 juni 2024, waarbij een mentor is benoemd;
het zorgplan van 11 februari 2026;
de medische verklaring van 3 maart 2026;
de bevindingen van de geneesheer-directeur van 5 maart 2026;
een historisch overzicht van eerder gegeven machtigingen in het kader van de Wvggz en de Wbopz van 6 maart 2026;
een uittreksel uit het curatele- en bewindregister van 9 maart 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026, in het gebouw van het Centrum voor de Geestelijke Gezondheidszorg Noord-Holland Noord, locatie FACT-team [locatie] , te [adres] .
1.4.
Betrokkene is niet ter zitting verschenen.
1.5.
Voor aanvang van de zitting heeft de advocaat van betrokkene,
mr. M.W.P. Buers Bakker, verklaard dat betrokkene weet van de dag en het tijdstip van de zitting, maar dat betrokkene niet ter zitting zal verschijnen. Betrokkene heeft de advocaat ondubbelzinnig laten weten dat hij afstand doet van zijn recht om te worden gehoord over het onderhavige verzoek. De advocaat heeft het verzoek met betrokkene besproken, is op de hoogte van het standpunt van betrokkene en heeft aangegeven dat hij zijn belangen ter zitting mag behartigen.
1.4.
De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
de advocaat van betrokkene;
[verpleegkundige] , verpleegkundige;
[woonbegeleider] , woonbegeleider verbonden aan Leviaan.
1.5.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
2.Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er door voornoemde stoornis ernstig nadeel voor of van betrokkene of een ander is, te weten:
ernstig lichamelijk letsel;
ernstige verwaarlozing.
2.3.
Betrokkene heeft zorg nodig om:
- ernstig nadeel af te wenden;
- de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel voor die fysieke gezondheid.
2.4.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Op grond van de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, acht de rechtbank gedurende de volledige geldigheidsduur van de zorgmachtiging de volgende vormen van verplichte zorg nodig:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
Uit de overgelegde stukken maakt de rechtbank op dat slechts in het geval dat betrokkene ernstig (psychisch) ontregelt, wordt overgegaan tot opname en de daarbij behorende vormen van verplichte zorg.
Indien dat het geval is en het ernstig nadeel niet langer kan worden afgewend door middel van de hiervoor vermelde vormen van verplichte zorg, worden gedurende de volledige geldigheidsduur van de zorgmachtiging ook de volgende vormen van verplichte zorg nodig geacht:
- het beperken van bewegingsvrijheid, telkens maximaal 3 maanden;
2.5.
De rechtbank wijst het verzoek om ‘opnemen in een accommodatie’ als vorm van verplichte zorg op te nemen in de zorgmachtiging af. De rechtbank acht die vorm van verplichte zorg niet doelmatig. De rechtbank overweegt daartoe dat de advocaat van betrokkene ter zitting heeft verklaard dat die vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging zwaar op hem zal drukken en ervoor zou kunnen zorgen dat hij niet open durft te zijn naar het behandelteam. De rechtbank acht die openheid voor een goede behandelrelatie van groot belang. Ter zitting is gebleken dat het behandelteam goed zicht heeft op het dagelijks functioneren van betrokkene omdat er twee keer per dag zorgverleners bij betrokkene thuiskomen in verband met medicatieverstrekking. Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat tijdens de zitting is komen vast te staan dat een ontregeling van betrokkene doorgaans een wat langere aanloopperiode kent en niet plotseling optreedt. Dit maakt dat een goede samenwerking met het behandelteam prevaleert boven het opnemen van deze vorm van verplichte zorg. Ook zonder deze vorm van verplichte zorg bestaat voor het behandelteam de mogelijkheid om tot opname van betrokkene over te gaan mocht dat onverhoopt noodzakelijk blijken. Mocht dat niet op vrijwillige basis lukken, dan bestaat de mogelijkheid om een wijziging van de zorgmachtiging te vragen waarmee een opname alsnog mogelijk wordt gemaakt of om een crisismaatregel in te zetten.
2.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.7.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief.
2.8.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van 24 maanden, en geldt aldus tot en met 25 maart 2028.
3.Beslissing
De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.4 vermeld voor de volledige duur van de zorgmachtiging, tenzij onder 2.4 een kortere duur is vermeld;
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 25 maart 2028;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van E.B.B.M. van Linden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.