Art. 10:56 BWArt. 3:185 BWArt. 1:94 BW (oud)Art. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 15 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verdeling huwelijksgemeenschap en toedeling onroerend goed in Polen bij echtscheiding
De rechtbank Noord-Holland heeft op 3 april 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man met de Nederlandse nationaliteit en een vrouw met de Poolse nationaliteit. De rechtbank verklaart het huwelijk duurzaam ontwricht en spreekt de echtscheiding uit. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en past Nederlands recht toe op het verzoek tot echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen.
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, zonder huwelijkse voorwaarden, waardoor alle goederen en schulden in de gemeenschap vallen. De rechtbank bepaalt dat de man het recht heeft om de echtelijke woning in Nederland exclusief te gebruiken tot zes maanden na inschrijving van de echtscheiding, mits hij de woning bewoont. De woning wordt aan de man toegewezen onder de voorwaarde dat hij de vrouw ontslaat van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek en dat over- of onderwaarde wordt gedeeld.
Een geschil bestond over onroerend goed in Polen dat de vrouw via schenking en erfenis verkreeg. De rechtbank oordeelt dat dit onroerend goed in de gemeenschap valt, omdat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat het onaanvaardbaar is dit buiten de gemeenschap te houden. De waarde van het Poolse onroerend goed wordt vastgesteld door een gezamenlijke taxatie. Verder worden de activa van de eenmanszaak van de man aan hem toegewezen, met een vergoeding aan de vrouw wegens overbedeling. Diverse schulden en bankrekeningen worden verdeeld volgens de helft-regel. Het verzoek van de man tot vergoeding van hypotheekrente door de vrouw wordt afgewezen omdat de man het exclusieve gebruik van de woning had zonder gebruiksvergoeding te betalen.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en bepaalt dat het Poolse onroerend goed in de gemeenschap valt en regelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap en woninggebruik.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/347740 / FA RK 23-6310 en
C/15/372268 / FA RK 25-6107
Beschikking d.d. 3 april 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. P.F.M. Deijkers, gevestigd te Hoorn, thans mr. A.E. Koster, gevestigd te Den Helder,
tegen
[de vrouw] ,
blijkens de huwelijksakte: [de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. Butter, gevestigd te Hoorn.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 19 december 2023
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 9 juli 2024;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek, van de man, ingekomen op 14 augustus 2023;
- de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 2 februari 2026;
- het aanvullend verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 3 februari 2026;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 9 februari 2026;
- de brief, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 9 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
2.De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] .
2.2.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Poolse nationaliteit.
2.3.
Scheiding
2.3.1.
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.3.2.
De vrouw erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.3.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.3.4.
Op grond van artikel 10:56 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.3.5.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.4.
Woning
2.4.1.
De man verzoekt te bepalen dat hij bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan [adres] en de zich daarin bevindende inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
2.4.2.
De vrouw stemt in met dit verzoek van de man.
2.4.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, derde lid, aanhef en sub a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.
2.4.4.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
2.4.5.
De rechtbank zal het verzoek van de man met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
2.5.
Verdeling
2.5.1.
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan.
2.5.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.5.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.5.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.5.5.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag.
2.5.6.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
2.5.7.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
2.5.8.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.5.9.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij voor 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.
Erfenissen en schenkingen vallen in de huwelijksgemeenschap, tenzij sprake is van een uitsluitingsclausule.
2.5.10.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is de gemeenschap op 19 december 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde peildatum) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding voor welk deel draagplichtig is.
2.5.11.
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.5.12.
Volgens beide partijen of één van hen bestond de ontbonden gemeenschap op 19 december 2023 uit de volgende bestanddelen:
a. a) echtelijke woning aan [adres] ;
b) hypothecaire geldlening bij WestlandUtrecht Bank met de nummers [nummer] en [nummer] ;
c) levensverzekering bij WestlandUtrecht Bank met de nummers [nummer] en [nummer] ;
d) levensverzekering bij Onderlinge ’s-Gravenhage met polisnummer [nummer] ;
e) onroerend goed in Polen;
f) inboedel;
g) bankrekeningen;
h) onderneming van de man;
i. i) belastingschulden;
j) lening bij Interbank;
k) schuld bij Univé;
l) pensioenen.
Partijen stellen verder dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met:
m) vergoedingsrechten.
2.5.13.
Partijen zijn het ter zitting eens geworden over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in het dictum, omdat er in dat geval op grond van artikel 3:185 BWPro geen taak is weggelegd voor de rechter.
Ad a, b, c) echtelijke woning, hypothecaire geldlening en levensverzekeringen
2.5.14.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning. Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de WestlandUtrecht Bank. Aan de hypothecaire geldlening is een levensverzekering bij WestlandUtrecht Bank gekoppeld. Daarnaast hebben partijen een levensverzekering bij Onderlinge ’s-Gravenhage.
2.5.15.
Partijen zijn het erover eens dat de man de gelegenheid moet krijgen om de echtelijke woning over te nemen. Gelet hierop zal de rechtbank de echtelijke woning aan de man toedelen onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening en dat de eventuele over- of onderwaarde van de woning (waarde woning – hypotheekschuld + waarde levensverzekeringen) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.5.16.
Voor wat betreft de waarde van de woning overweegt de rechtbank als volgt. Partijen zijn het erover eens dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de echtelijke woning moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijke verdeling. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de vrouw drie makelaar taxateurs aan de man voorstelt. Dit voorstel dient zij binnen één week na de beschikkingsdatum te doen. De man kiest hieruit vervolgens binnen één week een makelaar taxateur om de woning te laten taxeren. Binnen één week nadien dienen partijen deze makelaar taxateur een opdracht tot taxatie van de woning te verstrekken. Beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te dragen.
2.5.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de waarde van de levensverzekeringen moet worden uitgegaan van de waarde op dat datum van levering van de woning aan de man.
2.5.18.
Partijen zijn het erover eens dat de man tot zes maanden na de dag waarop het taxatierapport is ontvangen en de echtscheiding is ingeschreven in de burgerlijke stand de gelegenheid heeft om de overname van de woning te financieren en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
2.5.19.
De kosten in verband met de levering van de woning aan de man zullen partijen bij helfte delen.
2.5.20.
Partijen zijn het erover eens dat als de man niet in staat is om de echtelijke woning over te nemen binnen voormelde termijn, de woning te koop moet worden gezet bij de makelaar die de taxatie van de woning heeft verricht. De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening te worden aangewend. De waarde van levensverzekeringen op de datum van levering van de woning aan een derde komt ieder van partijen voor de helft toe. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.5.21.
Aangezien nog niet duidelijk is of de man de woning kan overnemen en door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van de echtelijke woning de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
Ad e) onroerend goed in Polen
2.5.22.
Tussen partijen is in geschil of het onroerend goed in Polen in de gemeenschap valt.
2.5.23.
De vrouw stelt dat zij in 2021 in Polen de helft van het eigendom van een woning van haar moeder geschonken heeft gekregen en ⅛ deel van het eigendom van een stuk landbouwgrond van haar vader heeft geërfd. Ter onderbouwing wijst de vrouw op de schenkingsovereenkomst met haar moeder, het testament van haar vader en de akte van certificering erfenis die zij in het geding heeft gebracht. Volgens de vrouw is Pools recht op de schenking en erfenis van toepassing. Er is geen uitsluitingsclausule aan de schenking en erfenis van haar ouders verbonden, maar naar Pools recht worden schenkingen en erfenissen altijd met uitsluiting verkregen. De vrouw is van mening dat van de schenker en erflater niet mag worden verlangd dat zij zich verdiepen in het huwelijksvermogensrecht dat tussen partijen van toepassing is. Ten aanzien van de schenking merkt de vrouw bovendien op dat in de schenkingsovereenkomst staat vermeld dat de vrouw geen huwelijkse voorwaarden heeft, hetgeen impliceert dat volgens Pools recht geen nadere regeling noodzakelijk is om de schenking uit te sluiten van een gemeenschap van goederen. Daarnaast is voor de woning vruchtgebruik gevestigd voor de moeder van de vrouw. De vestiging van vruchtgebruik bij de schenking had tot doel om de moeder van de vrouw te verzekeren van onderdak en daarbij de zorg van haar dochter. Ten aanzien van de erfenis merkt de vrouw op dat haar vader in zijn testament heeft vastgelegd dat Pools recht op de erfenis van toepassing is. De vrouw acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om het onroerend goed in Polen binnen de gemeenschap te brengen.
2.5.24.
De man stelt dat het onroerend goed in Polen in de gemeenschap valt. De man betwist dat het onroerend goed uit een schenking dan wel erfenis is ontvangen door de vrouw. Voor zover dit het geval is, betwist de man dat schenkingen en erfenissen naar Pools recht buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Bovendien is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen en voor huwelijken die zijn gesloten voor 1 januari 2018 geldt dat schenkingen en erfenissen in de gemeenschap vallen tenzij sprake is van een uitsluitingsclausule. Van een uitsluitingsclausule is geen sprake zodat het onroerend goed in de gemeenschap van partijen valt. Er zijn volgens de man geen bijzondere omstandigheden door de vrouw gesteld op grond waarvan van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken.
2.5.25.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.5.26.
Op grond van artikel 1:94, tweede lid, BW (oud) geldt dat goederen die één van de echtgenoten krachtens schenking of erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen vallen, met uitzondering van goederen waarvan bij de gift of bij uiterste wilsbeschikking van de erflater is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (de zogeheten uitsluitingsclausule).
2.5.27.
Deze hoofdregel wordt niet toegepast als dat, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging of verkrijging via schenking ander recht van toepassing is dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht. Uit de jurisprudentie volgt dat in dat verband onder meer van belang is of de buitenlandse schenker of erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat de schenking of erfenis door huwelijk zou komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd. Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die krachtens schenking of erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het maken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de schenker of erflater schenker niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging of de schenking toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.
2.5.28.
De rechtbank is van oordeel dat, daargelaten de vraag of voldoende is onderbouwd op welke wijze de vrouw het onroerend goed in Polen heeft verkregen en of dit onroerend goed naar Pools recht buiten de gemeenschap valt, de vrouw onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat het alsdan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat dit onroerend goed in de gemeenschap valt. De stelling van de vrouw dat van haar ouders niet mocht worden verlangd dat zij zich verdiepten in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht dat van toepassing is tussen partijen is hiervoor onvoldoende. Het was aan de vrouw om in het concrete geval aannemelijk te maken dat haar ouders niet bedacht konden zijn op de toepasselijkheid van het Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en dat haar ouders niet hebben gewild dat de schenking en erfenis in de huwelijksgemeenschap van partijen zouden vallen. Dit heeft de vrouw verzuimd te doen. Bovendien woonde de vrouw ten tijde van de beweerde schenking en erfenis al 17 jaar in Nederland. Zij had zich gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank rekenschap kunnen geven van de gevolgen van de schenking en erfenis naar Nederlands recht. Door het maken van huwelijkse voorwaarden of het inlichten van haar ouders over de gevolgen van ongeclausuleerde schenkingen en erfenissen had de vrouw ervoor kunnen zorgen dat de schenking en erfenis van haar ouders buiten de huwelijksgemeenschap van partijen zouden vallen.
2.5.29.
Het voorgaande betekent dat het onroerend goed in Polen in de huwelijksgemeenschap van partijen valt.
2.5.30.
Partijen zijn het erover eens dat het onroerend goed in Polen in dat geval aan de vrouw moet worden toebedeeld. Gelet hierop zal de rechtbank het onroerend goed in Polen aan de vrouw toedelen, waarbij de eventuele over- of onderwaarde van de onroerend goederen (waarde onroerende goederen – eventuele hypotheekschuld) bij helfte wordt gedeeld dan wel gedragen.
2.5.31.
Partijen verschillen van mening over de waarde van de onroerende goederen. De vrouw stelt dat de waarde van haar aandeel in de woning in Polen € 8.400,- bedraagt. In dit verband verwijst de vrouw naar de schenkingsovereenkomst van 11 mei 2021 waarin staat vermeld dat de marktconforme waarde van de schenking is bepaald op 35.000 PLN, oftewel € 8.400,-. Als de woning moet worden getaxeerd dan dient er volgens de vrouw rekening mee te worden gehouden dat er vruchtgebruik op de woning rust en dat de woning door het eeuwigdurend woongenot van haar moeder onverkoopbaar is. De waarde van het stuk grond in Polen stelt de vrouw op € 130,13. Volgens de vrouw heeft het stuk grond een omvang van 347 m² en lag de prijs van een hectare landbouwgrond in 2024 tussen de € 3.500,- en € 4.000,-. Uitgaande van een gemiddelde prijs van € 3.750,- per hectare berekent de vrouw de waarde van het stuk grond op € 130,13. De man betwist de door de vrouw gestelde waardes. Volgens de man moet het onroerend goed in Polen worden getaxeerd en dient de taxateur vast te stellen welke factoren bij het bepalen van de waarde wel en niet van belang zijn.
2.5.32.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij de door de vrouw gestelde waardes. De verwijzing door de vrouw naar de schenkingsovereenkomst en de gemiddelde prijs voor landbouwgrond in Polen vormt naar het van de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor de waarde van het onroerend goed in Polen. Bovendien dateert de schenkingsovereenkomst uit 2021 en hebben de door de vrouw genoemde prijzen voor landbouwgrond betrekking op 2024 zodat de gestelde waardes ook niet actueel zijn. Dit terwijl – zoals eerder vermeld – voor de waarde moet worden uitgegaan van de datum van feitelijke verdeling.
2.5.33.
Nu onduidelijkheid bestaat over de waarde van het onroerend goed in Polen zal de rechtbank bepalen dat in opdracht van partijen gezamenlijk een taxatie van de woning en het stuk grond moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde dient te worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van feitelijke verdeling. Het is aan de taxateur om te bepalen welke factoren van invloed zijn op de waarde van het onroerend goed. De vrouw dient binnen één week na de beschikkingsdatum drie taxateurs in Polen aan de man voor te stellen waaruit de man vervolgens binnen één week een taxateur dient te kiezen. Binnen één week nadien dienen partijen de gekozen taxateur een opdracht tot taxatie van het aandeel van de vrouw in de woning in Polen en het stuk grond in Polen te verstrekken. De kosten van de taxatie dienen partijen bij helfte te delen. De vrouw heeft tot zes maanden na de dag waarop het taxatierapport is ontvangen en de echtscheiding is ingeschreven in de burgerlijke stand de gelegenheid om de overname van het onroerend goed in Polen te financieren. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw hiertoe financieel in staat is aangezien de vrouw zelf beweert dat het onroerend goed niet veel waard is en de vrouw vermogen uit de echtelijke woning zal ontvangen. Het bedrag dat de vrouw aan de man moet vergoeden, mag indien mogelijk verrekend worden met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning.
2.5.34.
Aangezien door partijen diverse uitvoeringshandelingen zullen moeten worden verricht, zal de rechtbank ten aanzien van het onroerend goed in Polen de wijze van verdeling vaststellen. Beide partijen dienen hun medewerking te verlenen aan alle voor het vorenstaande benodigde uitvoerings- en rechtshandelingen.
Ad f) inboedel
2.5.35.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel in de woning in Polen aan de vrouw wordt toebedeeld, dat de inboedel in de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld en dat de man nog aan de vrouw ter beschikking zal stellen de meubels uit de slaapkamer, de kookspullen, de kleding van de vrouw, de grote tafel, de commode, het schilderij en het nieuw ingepakte dekbed. De vrouw dient laatstgenoemde goederen binnen drie maanden na de beschikkingsdatum bij de man op te halen.
Ad g) bankrekeningen
2.5.36.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw ter verrekening van de saldi op haar bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [nummer] en haar bankrekening in Polen op 19 december 2023 een bedrag van € 269,80 aan de man dient te vergoeden.
2.5.37.
Ook is tussen partijen niet in geschil dat de man de helft van het saldo op zijn bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [nummer] op 19 december 2023 aan de vrouw dient te vergoeden. Dit saldo is echter onbekend. Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de man inzage aan de vrouw zal geven in het saldo op zijn bankrekening op deze datum en dat een positief saldo bij helfte zal worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen zal worden gedragen.
Ad h) onderneming van de man
2.5.38.
De man exploiteert de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’. Voor een eenmanszaak geldt dat dit op zichzelf geen goed is dat in de gemeenschap van goederen valt en dus niet als zodanig kan worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa en passiva valt in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
2.5.39.
Partijen zijn het erover eens dat de man de eenmanszaak voortzet en dat de activa aan hem worden toegedeeld onder de verplichting om de schulden die betrekking hebben op de eenmanszaak voor zijn rekening te nemen. Wel verschillen zij over de waarde van de bestanddelen van de onderneming.
2.5.40.
De vrouw is van mening dat voor de waarde van de eenmanszaak moet worden uitgegaan van het eigen vermogen. Het eigen vermogen bedraagt volgens de balans op 10 november 2023 € 6.259,-. De helft van deze waarde dient de man volgens de vrouw aan haar te vergoeden. De man stelt dat de eenmanszaak geen waarde vertegenwoordigt. Volgens de man gaat de vrouw ten onrechte uit van de fiscale waarde in plaats van de economische waarde. Het gaat om de werkelijke waarde en die is volgens de man nihil.
2.5.41.
De rechtbank is van oordeel dat de bestanddelen van de eenmanszaak per saldo een waarde vertegenwoordigen, omdat uit de beschikbare jaarrekening 2023 blijkt dat sprake is van een positief eigen vermogen. Het eigen vermogen betreft het verschil tussen de bezittingen en de schulden en drukt gelet hierop de waarde van de onderneming uit. Het is in het kader van de verdeling gebruikelijk om deze waarde tot uitgangspunt te nemen. Dat de waarde van de eenmanszaak ondanks een positief eigen vermogen nihil is, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet aanleiding om voor de waarde van de eenmanszaak uit te gaan van het eigen vermogen op de balans op 10 november 2023. Het eigen vermogen op 10 november 2023 is bekend en deze datum ligt dicht bij de peildatum 19 december 2023. Het eigen vermogen van de eenmanszaak bedroeg op 10 november 2023 € 6.259,- zodat de rechtbank van deze waarde van de eenmanszaak uitgaat.
2.5.42.
Het voorgaande betekent dat vanwege de toedeling aan de man van de activa van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ én de volledige draagplicht van de man voor de passiva van de eenmanszaak, de man gehouden is een bedrag van € 3.129,50 aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling.
Ad i) belastingschulden
2.5.43.
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de Belastingdienst op 19 december 2023 van in totaal € 16.195,-. Voor zover één van partijen meer dan 50% van deze schuld heeft voldaan, heeft diegene voor het meerdere regres op de ander.
Ad j) lening bij Interbank
2.5.44.
Partijen zijn het erover een dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de lening bij Interbank op 19 december 2023 van € 3.611,50 en dat de man deze lening inmiddels heeft afgelost. Voor zover de man meer heeft voldaan dan zijn aandeel in de schuld heeft hij een regresvordering op de vrouw. Partijen hebben gelet hierop afgesproken dat de vrouw in dit verband een bedrag van € 1.805,75 aan de man zal vergoeden.
Ad k) schuld bij Univé
2.5.45.
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij Univé op 19 december 2023 van € 1.568,81. Voor zover één van partijen meer dan 50% van deze schuld heeft voldaan, heeft diegene voor het meerdere regres op de ander.
Ad l) pensioenen
2.5.46.
Partijen zijn het erover eens dat zij over en weer overgaan tot verevening van de door hen tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
Ad m) vergoedingsrechten
2.5.47.
Partijen zijn het erover eens dat zij ieder de helft van de onroerendzaakbelasting 2025 van € 321,- dienen te betalen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat zij ieder de helft van de premie levensverzekering over de periode van 19 december 2023 tot en met januari 2026 van in totaal € 4.628,- dienen te betalen. Voor zover de man meer dan 50% van deze lasten heeft voldaan, heeft hij voor het meerdere regres op de vrouw.
2.5.48.
De man stelt dat de vrouw ook voor de helft dient bij te dragen aan de door hem betaalde hypotheekrente over de periode van 19 december 2023 tot en met januari 2026 van in totaal € 5.456,28. De hypotheekrente betreft volgens de man een eigenaarslast die ook voor rekening van de vrouw komt. Het is in dit verband volgens de man niet relevant dat hij alleen in de echtelijke woning woont. Het was de eigen keuze van de vrouw om de echtelijke woning te verlaten en naar Polen te vertrekken. De vrouw is van mening dat zij niet in deze last hoeft bij te dragen. De man heeft het exclusieve gebruik van de echtelijke woning en maakt daarmee ook gebruik van het eigendomsaandeel van de vrouw. De vrouw ontvangt geen gebruiksvergoeding van de man, de man ontvangt de hypotheekrenteaftrek en de betaling van de hypotheekrente leidt niet tot vermogensvorming voor de vrouw.
2.5.49.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot vergoeding door de vrouw van de door hem betaalde hypotheekrente over de periode van 19 december 2023 tot en met januari 2026
afwijzen. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de man in deze periode het exclusieve gebruik van de echtelijke woning heeft gehad en geen gebruiksvergoeding aan de vrouw heeft betaald. De hypotheekrente betreft naar het oordeel van de rechtbank een gebruikerslast en leidt niet tot vermogensvorming. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk dat de hypotheekrente per 19 december 2023 voor rekening van de man komt. De man heeft ook steeds de hypotheekrenteaftrek genoten.
2.5.50.
De vrouw stelt dat zij een onder uitsluiting schenkingen van haar ouders heeft ontvangen van in totaal 26.000 PLN, oftewel € 6.240,- en dat zij dit bedrag in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man dit bedrag aan haar dient te vergoeden. De man betwist de door vrouw gestelde schenkingen. Als de schenkingen al zijn verricht dan is dit volgens de man niet onder uitsluiting gedaan zodat de schenkingen in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen.
2.5.51.
De rechtbank stelt vast dat de ouders van de vrouw op 10 september 2018 een bedrag van 16.000 PLN en op 3 oktober 2018 een bedrag van 10.000 PLN op de Poolse bankrekening van de vrouw hebben gestort met de omschrijving ‘schenking aan dochter’. Zoals eerder vermeld vallen schenkingen op grond van artikel 1:94, tweede lid, BW (oud) in de gemeenschap van goederen van partijen, tenzij deze schenkingen zijn gedaan met een uitsluitingsclausule, in die zin dat is bepaald dat deze schenkingen niet in de gemeenschap van goederen van partijen vallen. De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving ‘schenking aan dochter’ bij de overschrijvingen onvoldoende is om een uitsluiting aan te kunnen nemen. Uit deze omschrijving volgt niet dat de ouders van de vrouw ten tijde van de stortingen de uitdrukkelijke wens hadden dat deze bedragen niet in de huwelijksgemeenschap van partijen zouden vallen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de schenkingen dan ook afwijzen.
2.6.
Proceskosten
2.6.1.
De vrouw verzoekt de man gedeeltelijk in de proceskosten te veroordelen.
2.6.2.
De man verzoekt dit verzoek van de vrouw af te wijzen.
2.6.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het in familiezaken geldende uitgangspunt dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt. De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] , op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de voormalige echtelijke woning aan [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
3.3.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan [adres] zoals vermeld onder 2.5.15 tot en met 2.5.21;
3.4.
gelast de wijze van verdeling van het onroerend goed in Polen zoals vermeld onder 2.5.30 en 2.5.34;
3.5.
bepaalt dat de man inzage aan de vrouw moet verschaffen in het saldo op zijn bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [nummer] op 19 december 2023 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen;
3.6.
bepaalt dat vanwege de toedeling aan de man van de activa van de eenmanszaak
‘ [eenmanszaak] ’ én de volledige draagplicht van de man voor de passiva van de eenmanszaak, de man gehouden is een bedrag van € 3.129,50 aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling;
3.7.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 3 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 RvPro openlijk bekend is gemaakt.