Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3587

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
K/4102/12064947
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c lid 1 BWArt. 7:671c lid 2 onder b BWArt. 7:673 lid 1 onderdeel b onder 2 BWArt. 7:686a lid 6 BWArt. 7:686a lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever bij re-integratie

Een werknemer van een architectenbureau verzoekt ontbinding van haar arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende re-integratie door de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende opvolging van bedrijfsartsadviezen, het niet tijdig inzetten van mediation en het niet bieden van passende werkzaamheden tijdens re-integratie.

De werkplek op de bovenverdieping was conform advies, maar de afname van werkzaamheden zonder overleg en het gebrek aan structurele evaluatiegesprekken zijn ernstig verwijtbaar. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe per 1 mei 2026 en kent een transitievergoeding van €5.509,50 en een billijke vergoeding van €9.000 toe.

De werkgever wordt tevens veroordeeld tot het opstellen van een financiële eindafrekening en betaling van proceskosten. De werknemer krijgt de mogelijkheid het verzoek tot ontbinding in te trekken tot 30 april 2026. Het voorwaardelijk tegenverzoek van de werkgever wordt aangehouden.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever bij re-integratie, met toekenning van transitie- en billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12064947 \ AO VERZ 26-5
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. S. Blom,
tegen
de besloten vennootschap [verweerder] B.V.,
te [plaats 2],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. E.C. van Steekelenburg.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een werknemer van een architectenbureau zelf om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek toe. Er is door het architectenbureau onvoldoende gedaan aan de re-integratie van de werknemer. Dit kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. De werknemer komt een billijke vergoeding en een transitievergoeding toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] van 21 januari 2026 met 22 producties;
  • het verweerschrift, met voorwaardelijk tegenverzoek, van [verweerder] van 9 maart 2026 met 7 producties;
  • aanvullende stukken van [verweerder] van 12 maart 2026 met productie 8;
  • aanvullende stukken van [verzoeker] van 15 maart 2026 met productie 23-28;
  • de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waar door beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] (geboren 5 [geboortedatum] 1967) is sinds 9 oktober 2019 voor 24 uur per week in dienst bij [verweerder], een architectenbureau. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 2.331,88 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.
2.2.
Partijen zijn het oneens over de exacte functie van [verzoeker]. In de arbeidsovereenkomst staat dat [verzoeker] ‘receptioniste/administratief medewerkster’ is, in de re-integratiestukken staat dat zij ‘secretaresse/office manager’ is en op de salarisstrook van december 2025 staat dat zij ‘directiesecretaresse’ is.
2.3.
[verweerder] is gevestigd in een stolpboerderij. In augustus 2024 is een interne verbouwing daarvan afgerond, waarbij een voormalig woongedeelte bij het kantoor is betrokken. De werkplek van [verzoeker] werd naar de bovenverdieping verplaatst.
2.4.
[verzoeker] kampt met een evenwichtsstoornis en kan moeilijk trappen lopen. Zij wilde geen werkplek op een bovenverdieping. Op 25 [geboortedatum] 2024 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. In de probleemanalyse van 7 oktober 2024 van de bedrijfsarts staat, voor zover relevant:
‘Er zijn arbeidsmogelijkheden waarbij aanpassingen worden geadviseerd, zoals een rustige werkplek. Er lijken ook arbeidsgerelateerde belemmerende factoren voor re-integratie te spelen, waarvan ik adviseer om deze eerst te bespreken, een oplossing hiervoor te bedenken en dan een plan van aanpak op te stellen voor re-integratie.’
2.5.
[verzoeker] heeft [verweerder] meermaals om een rustige werkplek op de begane grond verzocht. Zij wilde liever niet traplopen. [verweerder] heeft daarop aangegeven dat het boven rustiger is dan beneden. Beneden was teveel geluid en hectiek.
2.6.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 11 november 2024 is opgenomen, voor zover relevant:
‘Er zijn arbeidsmogelijkheden waarbij aanpassingen worden geadviseerd, zoals een rustige werkplek. Bespreek samen met elkaar dit advies en maak een plan van aanpak. Start de re-integratie met 3x3 uur per week, rekening houden met de beperkingen. Bij toename belastbaarheid kan na 3 weken worden uitgebreid naar 3x4 uur per week.’
2.7.
[verzoeker] is met haar re-integratie gestart in november 2024. Zij deed dit op haar werkplek op de bovenverdieping. [verzoeker] ervaarde dat zij weinig te doen had tijdens haar re-integratie.
2.8.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 7 januari 2025 is opgenomen, voor zover relevant:
‘Er lijken ook werkgerelateerde factoren aanwezig te zijn. (…) De bedrijfsarts vraagt zich af wat werkgever en werknemer samen met deze situatie willen als haar beperkingen stabiel blijken te zijn (…) Voor iedere re-integratie is het belangrijk dat de tijd gevuld kan worden met nuttige taken. Een re-integratie schema is niet bedoeld als aanwezigheidsplicht.’De bedrijfsarts adviseerde om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
2.9.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 4 maart 2025 is opgenomen, voor zover relevant:
‘De beperkingen zijn niet werk gerelateerd. Iedere re-integratie heeft een einddoel/positief perspectief nodig. (…) Wat verwacht werkgever van werknemer, wat verwacht werknemer van werkgever. (…) Uit het consult blijkt dat de re-integratie niet optimaal ingevuld kon worden. Het advies is dat werkgever en werknemer samen voor duidelijkheid zorgen over welke taken geschikt zijn en hoe werknemer deze taken zou kunnen uitvoeren. Dit is geen taak voor de bedrijfsarts.’De bedrijfsarts adviseerde opnieuw om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
2.10.
Tussen partijen is geen inhoudelijk gesprek gevoerd over de re-integratie vanaf de start van de re-integratie in november 2024 tot en met eind maart 2025. Toen heeft wel een gesprek plaatsgevonden. Partijen verschillen van mening over de inhoud en toon van dit gesprek.
2.11.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 8 april 2025 is opgenomen, voor zover relevant:
‘De beperkingen zijn niet werk gerelateerd. Uit het consult blijkt dat er werkgerelateerde factoren aanwezig zijn. Deze hebben nadelige invloed op re-integratie en gezondheid. (…) Het advies is dat werkgever en werknemer eerst samen een oplossing vinden waar beide het eens over kunnen zijn voor de re-integratie verder gaat. (…) Het advies is om nu tijdelijk te staken met de re-integratie, omdat de situatie zoals die nu is alleen maar voor verdere gezondheidsschade kan zorgen. Mochten werkgever en werknemer en niet samen uitkomen, dan zou een vertrouwenspersoon mogelijk uitkomst kunnen bieden. Mocht dit ook niet werken, dan is het enige wat nog geadviseerd kan worden om mediation in te zetten.’De bedrijfsarts adviseerde wederom de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
2.12.
Op verzoek van [verweerder] is een arbeidsdeskundige ingeschakeld. Het advies van de arbeidsdeskundige was onder meer om te starten met het tweede spoor. Op 6 juni 2025 heeft [verweerder] de organisatie ‘Staatvandienst’ ingeschakeld en per 27 juni 2025 is het traject van het tweede spoor gestart.
2.13.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 1 juli 2025 is opgenomen, voor zover relevant:
‘Werknemer geeft aan dat de gehele situatie nieuwe medische klachten ontwikkeld (…). Deze medische klachten staan in verband met de werk gerelateerde factoren. Er is arbeidsdeskundig onderzoek gedaan. Werknemer geeft aan dat zij zich niet in alle uitkomsten van arbeidsdeskundig onderzoek kan vinden. (…) Uit het consult blijkt dat de werkgerelateerde factoren niet zijn opgelost. Deze hebben een nadelige invloed op de re-integratie en haar gezondheid. (…) Wat willen werkgever en werknemer met deze situatie? Hoe willen zij samen deze situatie oplossen? Mochten zij er niet uitkomen, dan is het advies om mediation in te zetten.’De bedrijfsarts adviseerde nogmaals om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
2.14.
[verzoeker] heeft [verweerder] per email van 7 juli 2025 om mediation verzocht. [verweerder] heeft geen mediation ingezet.
2.15.
Op verzoek van [verweerder] is een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Uit het deskundigenoordeel van 21 augustus 2025 volgde dat de re-integratie inspanningen niet als voldoende zijn aangemerkt. Verder stond er, voor zover relevant:
‘Bovenstaande brengt mij tot de conclusie dat zeker niet gesteld kan worden dat er niets is gedaan (is zeker niet het geval). De reden om desondanks de inspanningen als onvoldoende aan te merken is met name gelegen in het feit dat er te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts (…) en er is afgezien van de inzet van mediation (…).’
2.16.
[verweerder] heeft na ontvangst van het deskundigenoordeel van het UWV alsnog een mediator ingeschakeld. Op 6, 13 en 28 oktober 2025 heeft mediation plaatsgevonden. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.17.
In de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 21 oktober 2025 is opgenomen, voor zover relevant:
‘De behandelaar en begeleider hebben beide aangegeven dat de werkgerelateerde factoren opgelost moeten worden voordat werknemer volledig kan herstellen.’De bedrijfsarts adviseerde weer om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
2.18.
Uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts op 16 december 2025 volgt, voor zover relevant:
‘Mediation heeft niet tot een oplossing geleid. (…) Mediation is het zwaarste advies dat een bedrijfsarts in kan zetten. (…) Werknemer geeft aan dat zij meer klachten ervaart omdat de situatie uitzichtloos is. Het medische advies is dat werkgever en werknemer tot een oplossing komen. Dit zal het herstel van werknemer positief beïnvloeden. Hoe langer deze situatie blijft bestaan, hoe meer haar medische klachten toe zullen gaan nemen. (…) Werknemer is bezig met spoor 2. Het advies is om dit te blijven doen. Dit traject zal niet leiden tot een oplossing. Werkgever en werknemer zullen samen tot een oplossing moeten komen.’
2.19.
Op 21 januari 2026 heeft [verzoeker] een ontbindingsverzoek ingediend.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden en haar de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.
[verzoeker] stelt dat haar gezondheid erbij gebaat is dat de arbeidsrelatie wordt verbroken. De bedrijfsarts zou dit onderstrepen op 16 december 2025. Er is volgens [verzoeker] sprake van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten door [verweerder] om diverse redenen. Er zijn bijvoorbeeld nooit tweewekelijkse gesprekken gevoerd om de re-integratie te evalueren. Tijdens het gesprek van eind maart 2025 heeft de heer [verweerder] tegen [verzoeker] geschreeuwd. Toen mediation werd geadviseerd, is dit niet tijdig ingezet. Voorts had [verweerder] [verzoeker] aan het begin van haar re-integratie een rustige werkplek beneden moeten geven, zodat zij geen trap hoefde te lopen. Daarnaast heeft [verweerder] de werkzaamheden van [verzoeker] afgenomen en aan een collega, mevrouw [betrokkene], gegeven. [verzoeker] betwist dat haar werkzaamheden zijn verminderd door digitalisering. [verzoeker] is -in haar optiek- stelselmatig genegeerd en feitelijk aan de kant gezet. Zelfs tijdens het tweede spoortraject had [verweerder] de verplichting om het eerste spoor te blijven onderzoeken en werkgerelateerde factoren op te lossen. De situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd, is het schoolvoorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen. Het getuigt allemaal van slecht werkgeverschap. [verzoeker] verzoekt om een transitievergoeding van € 5.441,84 en een billijke vergoeding van
€ 50.000,00.
3.2.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] betwist uitdrukkelijk dat zij (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. [verweerder] heeft altijd actief meegedacht en ook proactief gehandeld onder meer door een arbeidsdeskundige in te schakelen. De werkplek op de bovenverdieping was conform het advies van de bedrijfsarts. Daar was het rustig en ze hoefde niet frequent trap te lopen. Desondanks bleef [verzoeker] vragen om een werkplek beneden. Door toenemende digitalisering was bij [verweerder] onvoldoende eigen werk beschikbaar en ook geen passend werk voor de re-integratie. Dit was ook voor de ziekmelding al het geval. De conclusie van de arbeidsdeskundige was om een tweede spoor in te zetten en dat is gedaan. [verzoeker] heeft altijd alle ruimte gekregen om aan haar herstel te werken. Er is door [verweerder] niet geschreeuwd tijdens het gesprek eind maart 2025. Ook is direct na het deskundigenoordeel van het UWV door [verweerder] een mediator ingeschakeld. Er is geen ruimte voor een transitievergoeding, omdat de werknemer zelf een einde van de arbeidsovereenkomst verzoekt. Dit geldt ook voor de billijke vergoeding.
3.3.
[verweerder] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt voor het geval [verzoeker] haar verzoek intrekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond, de g-grond, de h-grond en anders de i-grond. Het herhaaldelijk uiten van ongefundeerde verwijten jegens [verweerder] is verwijtbaar handelen van [verzoeker]. Zij heeft hiermee tevens de arbeidsverhouding onder druk gezet en het vertrouwen in een constructieve samenwerking ernstig geschaad. [verzoeker] heeft zelf bijgedragen aan het in stand houden van haar arbeidsongeschiktheid.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
De kantonrechter kan op verzoek van een werknemer een arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. [1] De werknemer heeft in dat geval alleen aanspraak op vergoedingen [2] als sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit zich slechts voordoet in uitzonderlijke gevallen. Indien de kantonrechter van oordeel is dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever zal de werknemer niet in aanmerking komen voor een vergoeding. De werknemer krijgt bij een ontbinding op eigen verzoek de gelegenheid om het verzoek weer in te trekken. [3]
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] jegens [verzoeker]. De verzoeken van [verzoeker] om ontbinding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding worden daarom toegewezen. De kantonrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft voor de overige verzoeken in deze procedure.
4.3.
Partijen zijn het vrijwel over alles oneens. Zelfs de functie(inhoud) van [verzoeker] staat ter discussie. Om te bepalen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] zullen de grootste knelpunten, die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek van [verzoeker], door de kantonrechter worden besproken. Dit betreffen 1) de adviezen van de bedrijfsarts en (het gebrek aan) opvolging daarvan, 2) de werkplek van [verzoeker] en 3) de afname van de werkzaamheden.
4.4.
Het eerste knelpunt betreft de adviezen van de bedrijfsarts. Keer op keer is het advies van de bedrijfsarts geweest om de re-integratie tweewekelijks met elkaar te bespreken en te evalueren. De kantonrechter is het met [verzoeker] eens dat dit vrijwel nooit is gebeurd. Ter zitting heeft de heer [verweerder] verklaard dat hij [verzoeker] regelmatig sprak, omdat ze bij elkaar zaten op dezelfde bovenverdieping. Echter, een gesprekje tussendoor, over de dagelijkse gang van zaken, met een derde collega in dezelfde ruimte, is naar het oordeel van de kantonrechter iets heel anders dan een formeel tweewekelijks re-integratiegesprek. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van evaluatie of concrete afspraken die bijvoorbeeld schriftelijk werden vastgelegd. Alleen bij de start van de re-integratie in november 2024 en eind maart 2025 is inhoudelijk met elkaar gesproken. In het deskundigenoordeel van het UVW van 21 augustus 2025 wordt eveneens gesignaleerd dat: ‘
te weinig is gedaan met adviezen bedrijfsarts’. Ook ten aanzien van de mediation heeft [verweerder] onvoldoende doorgepakt. Dit is vanaf april 2025 door de bedrijfsarts in de terugkoppelingen genoemd als mogelijkheid. Uit niets is gebleken dat deze mogelijkheid niet serieus behoefde te worden genomen en dat de bedrijfsarts dit alleen zou hebben gezegd, omdat [verzoeker] dat zo graag wilde, zoals [verweerder] op de zitting heeft betoogd. Maar zelfs indien dit advies louter zou zijn ingegeven door de wens van [verzoeker], is dat naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om het advies niet serieus te nemen. Het is pas door [verweerder] in oktober 2025 opgepakt na het negatieve deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen van dat advies zit dus meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder].
4.5.
Het tweede knelpunt is de werkplek van [verzoeker]. De kantonrechter stelt vast dat de bedrijfsarts op geen enkel moment een verplichting heeft gemaakt van een werkplek voor [verzoeker] beneden. Wel werd een rustige werkplek geadviseerd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken waaróm [verzoeker] veel waarde hechtte aan het niet hoeven traplopen. Wegens de door haar genoemde (emotionele) redenen is zij de discussie rondom het traplopen en de verplaatsing van haar werkplek naar beneden blijven voeren. Echter, [verweerder] dacht reeds een correcte en rustige werkplek voor haar te hebben gecreëerd. Dit wordt door de kantonrechter gevolgd, zodat [verweerder] op dit punt niet (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, hoewel het [verweerder] gesierd zou hebben om meer begrip te tonen voor de beweegredenen van [verzoeker].
4.6.
Het derde knelpunt betreft de afname van de werkzaamheden van [verzoeker]. [verzoeker] stelt dat mevrouw [betrokkene] (directiesecretaresse) haar taken heeft afgenomen dan wel overgenomen. [verweerder] stelt dat de afname van het werk kwam door toenemende digitalisering, Wat voor de kantonrechter vaststaat, is dat [verzoeker] recht had op re-integratiewerkzaamheden in de uren dat zij op kantoor kwam. Ook als de telefoon niet vaak ging, dan had het op de weg van [verweerder] -als goed werkgever- gelegen andere passende werkzaamheden voor [verzoeker] te verzinnen en aan haar aan te bieden. Archiveren, opruimen, boodschappen bestellen, desnoods het kerstpakket samenstellen. Er is altijd iets te bedenken. Uit niets is gebleken dat [verweerder] de gestelde gevolgen van de digitalisering met [verzoeker] heeft besproken en met haar in overleg is gegaan over een zinvolle invulling van de re-integratie. [verweerder] heeft zich gedurende de gehele re-integratie verscholen achter de stellinginname van de afnemende werkzaamheden door digitalisering. Door [verweerder] is geen initiatief genomen om de momenten van re-integratie meer te laten zijn dan slechts een aanwezigheid, althans daarvan blijkt niet. De diverse waarschuwingen van de bedrijfsarts dat dit zou leiden tot stagnering dan wel verergering van de klachten, hebben [verweerder] ook niet tot actie gedreven. De kantonrechter oordeelt dat dit eveneens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten is aan de zijde van [verweerder].
4.7.
Gezien het bovenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [verweerder] gedurende anderhalf jaar onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie van [verzoeker]. Dit wordt onderschreven door het oordeel van het UWV van 21 augustus 2025. De bedrijfsarts bevestigde ook op 16 december 2025 dat instandhouding van de huidige situatie ziekmakend was voor [verzoeker]. Een situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte (ernstig) veronachtzaamt, wordt door de wetgever aangeduid als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. [4] Het ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt om die reden toegewezen. Ontbinding zal plaatsvinden per
1 mei 2026.
Transitievergoeding
4.8.
De door [verzoeker] verzochte transitievergoeding is toewijsbaar. [5] Volgens [verzoeker] bedraagt de transitievergoeding bij een ontbinding per 1 april 2026 € 5.441,84 bruto. Aangezien de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt per 1 mei 2026 berekent de kantonrechter de wettelijke transitievergoeding op
€ 5.509,50.
Billijke vergoeding
4.9.
Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] zal aan [verzoeker] tevens een billijke vergoeding worden toegekend.
4.10.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, enerzijds als compensatie voor de (im)materiële schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en anderzijds als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak zijn of haar gedrag aan te passen in eventuele volgende gevallen. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verwijtbaarheid en de (financiële) gevolgen van het ontslag voor de werknemer, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever. Daarbij kan de hoogte van de billijke vergoeding mede worden bepaald aan de hand van de verwachte levensduur van de arbeidsovereenkomst en de mogelijkheid voor de werknemer om elders inkomsten te verwerven. [6] Tot slot wordt opgemerkt dat, aangezien bij de bepaling van de billijke vergoeding alle omstandigheden moeten worden meegenomen, ook de rol die de werknemer heeft gespeeld, van betekenis is.
4.11.
Voor zover het gaat om het begroten van de inkomensschade, vergelijkt de kantonrechter de huidige situatie van [verzoeker] met de hypothetische situatie dat geen sprake zou zijn geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. In dat verband moet niet alleen worden ingeschat hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als [verweerder] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, maar ook of en, zo ja, op welke termijn [verzoeker] in staat geacht moet worden andere inkomsten te verwerven en, zo ja, tot welk bedrag.
4.12.
De kans dat de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd tot aan de pensionering van [verzoeker] schat de kantonrechter, anders dan [verzoeker], niet erg groot. Hoewel [verweerder] in deze procedure onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden van [verzoeker] geheel zijn vervallen, is het niet ondenkbaar dat onvoldoende werkzaamheden (blijven) bestaan voor van [verzoeker]. Dit mede gezien door hetgeen hierover door [verweerder] ter zitting is aangevoerd, namelijk dat ook de directiesecretaresse, mevrouw [betrokkene], nog maar voor drie ochtenden werk heeft. Een ontbinding op de a-grond in de nabije toekomst is dan een reële mogelijkheid. Daar staat het deskundigenoordeel van het UWV tegenover, waarin is geoordeeld dat onvoldoende aan de re-integratie is gedaan door [verweerder]. Een loonsanctie is dan ook niet ondenkbaar. Deze twee omstandigheden samen maakt dat de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst nog maximaal één jaar zou hebben voortgeduurd.
4.13.
De kantonrechter overweegt dat bij de bepaling van de billijke vergoeding, aldus de Hoge Raad, ook de WW-uitkering dient te worden betrokken. De kantonrechter ziet aanleiding de (fictieve) WW-uitkering van de billijke vergoeding af te trekken. Immers, voldoende is gebleken dat arbeidsmogelijkheden bestaan voor [verzoeker] in de nabije toekomst. Zij heeft zelf aangegeven dat het onzeker is of zij in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, nu mogelijk wordt vastgesteld dat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Ook volgt uit diverse terugkoppelingen van de bedrijfsarts dat zij benutbare mogelijkheden heeft en is [verzoeker] actief bezig geweest met het tweede spoor traject. Tot slot moet ook de rol van [verzoeker] zelf in het geheel worden meegewogen. Het blijven vragen om een werkplek beneden heeft, hoe begrijpelijk ook, de verhoudingen tussen partijen niet verbeterd. De kantonrechter ziet tot slot geen aanleiding de transitievergoeding in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Alle omstandigheden bij elkaar genomen, begroot de kantonrechter de billijke vergoeding op een bedrag van
€ 9.000,00bruto.
Eindafrekening
4.14.
Het verzoek tot het opstellen en voldoen van de financiële eindafrekening, met uitbetaling van de resterende verlofdagen en het vakantiegeld, alsmede afgifte van bruto-netto specificaties daarvan, zal worden toegewezen nu [verweerder] hiertegen geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter zal daaraan een termijn verbinden van één maand na de ontbindingsdatum.
Proceskosten
4.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Intrekking verzoek
4.17.
[verzoeker] krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden (artikel 7:686a lid 6 BW).
4.18.
De proceskosten komen in dat geval voor rekening van [verzoeker]. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
Pas indien [verzoeker] beslist om haar ontbindingsverzoek binnen de hierna te stellen termijn in te trekken, zal de kantonrechter toekomen aan een oordeel over het verzoek van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarvoor zal in beginsel geen nadere mondelinge behandeling worden bepaald nu de kantonrechter zich op basis van de reeds gehouden mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om ook over het voorwaardelijk tegenverzoek te oordelen.
5.2.
De kantonrechter geeft partijen alvast mee dat het daarbij in de lijn der verwachting ligt dat de ontbinding alsdan zal worden toegewezen wegens een verstoorde arbeidsverhouding, om dezelfde redenen als in het verzoek van [verzoeker] het geval was nu het feitencomplex dat aan beide verzoeken ten grondslag ligt overeen komt. De kantonrechter ziet daarmee vooralsnog ook geen gronden om in dat geval een andere billijke vergoeding toe te kennen.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
bepaalt dat de termijn waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 30 april 2026.
Voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
6.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2026,
6.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 5.509,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 9.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,;
6.5.
veroordeelt [verweerder] tot het opstellen en voldoen van de financiële eindafrekening, uiterlijk per 1 juni 2026, waarbij aan [verzoeker] de resterende verlofdagen alsmede het resterende vakantiegeld worden uitbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [7]
Voor het geval [verzoeker] het verzoek binnen die termijn intrekt:
6.9.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.10.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
het voorwaardelijk tegenverzoek
6.12.
houdt het verzoek aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:671c lid 1 BW.
2.Artikel 7:671c lid 2 onder b en 7:673 lid 1 onderdeel b onder 2.
3.Artikel 7:686a lid 6 en lid 7 BW.
4.Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34.
5.Artikel 7:673 lid 1 sub b onder Pro 2 BW.
6.Zie onder meer Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187
7.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.