Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker] van 21 januari 2026 met 22 producties;
- het verweerschrift, met voorwaardelijk tegenverzoek, van [verweerder] van 9 maart 2026 met 7 producties;
- aanvullende stukken van [verweerder] van 12 maart 2026 met productie 8;
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 15 maart 2026 met productie 23-28;
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waar door beide partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
‘Er zijn arbeidsmogelijkheden waarbij aanpassingen worden geadviseerd, zoals een rustige werkplek. Er lijken ook arbeidsgerelateerde belemmerende factoren voor re-integratie te spelen, waarvan ik adviseer om deze eerst te bespreken, een oplossing hiervoor te bedenken en dan een plan van aanpak op te stellen voor re-integratie.’
‘Er zijn arbeidsmogelijkheden waarbij aanpassingen worden geadviseerd, zoals een rustige werkplek. Bespreek samen met elkaar dit advies en maak een plan van aanpak. Start de re-integratie met 3x3 uur per week, rekening houden met de beperkingen. Bij toename belastbaarheid kan na 3 weken worden uitgebreid naar 3x4 uur per week.’
‘Er lijken ook werkgerelateerde factoren aanwezig te zijn. (…) De bedrijfsarts vraagt zich af wat werkgever en werknemer samen met deze situatie willen als haar beperkingen stabiel blijken te zijn (…) Voor iedere re-integratie is het belangrijk dat de tijd gevuld kan worden met nuttige taken. Een re-integratie schema is niet bedoeld als aanwezigheidsplicht.’De bedrijfsarts adviseerde om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
‘De beperkingen zijn niet werk gerelateerd. Iedere re-integratie heeft een einddoel/positief perspectief nodig. (…) Wat verwacht werkgever van werknemer, wat verwacht werknemer van werkgever. (…) Uit het consult blijkt dat de re-integratie niet optimaal ingevuld kon worden. Het advies is dat werkgever en werknemer samen voor duidelijkheid zorgen over welke taken geschikt zijn en hoe werknemer deze taken zou kunnen uitvoeren. Dit is geen taak voor de bedrijfsarts.’De bedrijfsarts adviseerde opnieuw om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
‘De beperkingen zijn niet werk gerelateerd. Uit het consult blijkt dat er werkgerelateerde factoren aanwezig zijn. Deze hebben nadelige invloed op re-integratie en gezondheid. (…) Het advies is dat werkgever en werknemer eerst samen een oplossing vinden waar beide het eens over kunnen zijn voor de re-integratie verder gaat. (…) Het advies is om nu tijdelijk te staken met de re-integratie, omdat de situatie zoals die nu is alleen maar voor verdere gezondheidsschade kan zorgen. Mochten werkgever en werknemer en niet samen uitkomen, dan zou een vertrouwenspersoon mogelijk uitkomst kunnen bieden. Mocht dit ook niet werken, dan is het enige wat nog geadviseerd kan worden om mediation in te zetten.’De bedrijfsarts adviseerde wederom de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
‘Werknemer geeft aan dat de gehele situatie nieuwe medische klachten ontwikkeld (…). Deze medische klachten staan in verband met de werk gerelateerde factoren. Er is arbeidsdeskundig onderzoek gedaan. Werknemer geeft aan dat zij zich niet in alle uitkomsten van arbeidsdeskundig onderzoek kan vinden. (…) Uit het consult blijkt dat de werkgerelateerde factoren niet zijn opgelost. Deze hebben een nadelige invloed op de re-integratie en haar gezondheid. (…) Wat willen werkgever en werknemer met deze situatie? Hoe willen zij samen deze situatie oplossen? Mochten zij er niet uitkomen, dan is het advies om mediation in te zetten.’De bedrijfsarts adviseerde nogmaals om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
‘Bovenstaande brengt mij tot de conclusie dat zeker niet gesteld kan worden dat er niets is gedaan (is zeker niet het geval). De reden om desondanks de inspanningen als onvoldoende aan te merken is met name gelegen in het feit dat er te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts (…) en er is afgezien van de inzet van mediation (…).’
‘De behandelaar en begeleider hebben beide aangegeven dat de werkgerelateerde factoren opgelost moeten worden voordat werknemer volledig kan herstellen.’De bedrijfsarts adviseerde weer om de re-integratie elke twee weken gezamenlijk te evalueren.
‘Mediation heeft niet tot een oplossing geleid. (…) Mediation is het zwaarste advies dat een bedrijfsarts in kan zetten. (…) Werknemer geeft aan dat zij meer klachten ervaart omdat de situatie uitzichtloos is. Het medische advies is dat werkgever en werknemer tot een oplossing komen. Dit zal het herstel van werknemer positief beïnvloeden. Hoe langer deze situatie blijft bestaan, hoe meer haar medische klachten toe zullen gaan nemen. (…) Werknemer is bezig met spoor 2. Het advies is om dit te blijven doen. Dit traject zal niet leiden tot een oplossing. Werkgever en werknemer zullen samen tot een oplossing moeten komen.’
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] stelt dat haar gezondheid erbij gebaat is dat de arbeidsrelatie wordt verbroken. De bedrijfsarts zou dit onderstrepen op 16 december 2025. Er is volgens [verzoeker] sprake van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten door [verweerder] om diverse redenen. Er zijn bijvoorbeeld nooit tweewekelijkse gesprekken gevoerd om de re-integratie te evalueren. Tijdens het gesprek van eind maart 2025 heeft de heer [verweerder] tegen [verzoeker] geschreeuwd. Toen mediation werd geadviseerd, is dit niet tijdig ingezet. Voorts had [verweerder] [verzoeker] aan het begin van haar re-integratie een rustige werkplek beneden moeten geven, zodat zij geen trap hoefde te lopen. Daarnaast heeft [verweerder] de werkzaamheden van [verzoeker] afgenomen en aan een collega, mevrouw [betrokkene], gegeven. [verzoeker] betwist dat haar werkzaamheden zijn verminderd door digitalisering. [verzoeker] is -in haar optiek- stelselmatig genegeerd en feitelijk aan de kant gezet. Zelfs tijdens het tweede spoortraject had [verweerder] de verplichting om het eerste spoor te blijven onderzoeken en werkgerelateerde factoren op te lossen. De situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd, is het schoolvoorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen. Het getuigt allemaal van slecht werkgeverschap. [verzoeker] verzoekt om een transitievergoeding van € 5.441,84 en een billijke vergoeding van
€ 50.000,00.
4.De beoordeling van het verzoek
te weinig is gedaan met adviezen bedrijfsarts’. Ook ten aanzien van de mediation heeft [verweerder] onvoldoende doorgepakt. Dit is vanaf april 2025 door de bedrijfsarts in de terugkoppelingen genoemd als mogelijkheid. Uit niets is gebleken dat deze mogelijkheid niet serieus behoefde te worden genomen en dat de bedrijfsarts dit alleen zou hebben gezegd, omdat [verzoeker] dat zo graag wilde, zoals [verweerder] op de zitting heeft betoogd. Maar zelfs indien dit advies louter zou zijn ingegeven door de wens van [verzoeker], is dat naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om het advies niet serieus te nemen. Het is pas door [verweerder] in oktober 2025 opgepakt na het negatieve deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen van dat advies zit dus meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder].
1 mei 2026.
€ 5.509,50.
€ 9.000,00bruto.