Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3625

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11588606 \ CV EXPL 25-752
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 2:11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet-nakoming tuinaanleg en onbetaalde aanbetalingen

Tuinmaterialen, opgericht in januari 2022, groeide vanaf medio 2023 sterk door uitbreiding naar tuinaanleg. De onderneming kampte vanaf eind 2023 met ernstige liquiditeitsproblemen, ondanks leverancierskredieten en een lening van €100.000. Vanaf april 2024 werd geen huur meer betaald en leveringsproblemen ontstonden. Vanaf 1 juni 2024 had Tuinmaterialen geen nieuwe bestellingen mogen aannemen.

Diverse klanten sloten tussen mei en juli 2024 overeenkomsten met Tuinmaterialen en deden aanbetalingen, maar Tuinmaterialen kwam haar verplichtingen niet na. Klanten vorderden schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid van de indirecte bestuurders, die via holdingvennootschappen Tuinmaterialen bestuurden.

De kantonrechter stelde vast dat de bestuurders vanaf 1 juni 2024 redelijkerwijs moesten begrijpen dat nakoming niet mogelijk was en dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar handelden door toch nieuwe overeenkomsten aan te gaan. De vorderingen van de klanten werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van een overeenkomst gesloten vóór 1 juni 2024. De bestuurders werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor schade van klanten wegens onrechtmatig aannemen van bestellingen vanaf 1 juni 2024 en worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11588606 \ CV EXPL 25-752
Vonnis van 2 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] en

[eiser 1],
die wonen in [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2]en
[eiser 2],
die wonen in [plaats 6] ,
hierna te noemen: [eiser 2] ,
3.
[eiser 3],
die woont in [plaats 2] , [gemeente] ,
hierna te noemen: [eiser 3] ,
4.
[eiser 4],
die woont in [plaats 3] ,
hierna te noemen: [eiser 4] ,
5.
[eiser 5]en
[eiser 5],
die wonen in [plaats 4] ,
hierna te noemen: [eiser 5] ,
6.
[eiser 6]en
[eiser 6],
die wonen in [plaats 5] ,
hierna te noemen: [eiser 6] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. N.A.M. Offergelt,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1](voorheen [naam B.V. ] ),
die is gevestigd in [plaats 7] , [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2],
die is gevestigd in [plaats 8] , [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
3.
[gedaagde 3],
die woont in [plaats 7] , [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
4.
[gedaagde 4],
die woont in [plaats 8] , [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. Z. Etemadi.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid. Tuinmaterialen zou de tuinen van verschillende klanten aanleggen, waarvoor deze klanten (aan)betalingen hebben gedaan. Tuinmaterialen heeft de tuinen niet aangelegd. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren de (indirecte) bestuurders van Tuinmaterialen. Een deel van deze klanten spreekt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aan voor de door hen geleden schade op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. In dit vonnis oordeelt de kantonrechter dat Tuinmaterialen vanaf 1 juni 2024 geen nieuwe bestellingen had mogen aannemen en wijst de kantonrechter de vorderingen van de klanten grotendeels toe.

1.De procedure

1.1.
[eisers] hebben bij dagvaarding van 4 maart 2025 (met 25 producties) een vordering tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ingesteld. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben schriftelijk geantwoord en bij dit antwoord 15 producties gevoegd.
1.2.
Op 26 juni 2025 heeft de kantonrechter in een tussenvonnis bepaald dat in deze zaak een mondelinge behandeling (zitting) zal plaatsvinden. De zitting heeft op 28 november 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De kantonrechter heeft op de zitting de brief van mr. Etemadi van 17 november 2025 met producties 16 tot en met 25 aan het procesdossier toegevoegd.
1.3.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat in deze zaak vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 3] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 1] . [gedaagde 4] is enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren aldus samen de indirecte bestuurders van Tuinmaterialen.nl B.V. (hierna: Tuinmaterialen): [gedaagde 3] via [gedaagde 1] en [gedaagde 4] via [gedaagde 2] .
2.2.
Tuinmaterialen is in januari 2022 opgericht. Aanvankelijk hield Tuinmaterialen zich bezig met de verkoop van tuinmaterialen. Vanaf mei 2023 is Tuinmaterialen ook tuinen voor particulieren gaan aanleggen. Doordat Tuinmaterialen een ‘full-service tuinaanbieder’ werd en veel aandacht kreeg op sociale mediaplatforms, groeide de omzet van Tuinmaterialen vanaf medio 2023 sterk.
2.3.
De belangrijkste leverancier van Tuinmaterialen was Tuinvisie. Net als bij haar andere leveranciers (zoals Gras bij de Buren), deed Tuinmaterialen haar bestellingen bij Tuinvisie op leverancierskrediet. Dit leverancierskrediet is vanaf eind 2023 een paar keer verhoogd omdat de liquiditeit van Tuinmaterialen onder druk stond. Tussen Tuinmaterialen en Tuinvisie gold de afspraak dat Tuinmaterialen haar kredietlimiet binnen 60 dagen moest aanvullen. Behalve de leverancierskredieten die Tuinmaterialen had, werd Tuinmaterialen niet extern gefinancierd.
2.4.
In februari 2024 heeft Tuinmaterialen MKB Finanz ingeschakeld om haar te adviseren over andere financieringsmogelijkheden. In het financieringsmemorandum dat MKB Finanz begin maart 2024 heeft opgesteld staat dat Tuinmaterialen een financieringsbehoefte heeft van in totaal € 500.000,00.
2.5.
Medio maart 2024 heeft een vennootschap van de oom van [gedaagde 4] een geldlening aan Tuinmaterialen verstrekt van € 100.000,00.
2.6.
Tuinmaterialen huurde haar showroom van een vennootschap die aan [gedaagde 4] is gelieerd. Vanaf april 2024 heeft Tuimaterialen geen huur meer betaald.
2.7.
In de maanden mei tot en met juli 2024 heeft Tuinmaterialen met Tuinvisie en andere leveranciers gesproken over haar liquiditeitsproblemen.
2.8.
In mei 2024 heeft Tuinmaterialen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) ingeschakeld voor het stroomlijnen van haar werkprocessen en het verbeteren van haar kostenstructuur. [naam 1] , die in juni 2024 bij Tuinmaterialen aan de slag ging als interim-manager, heeft in juni 2024 een rapport opgemaakt. Een van de aanbevelingen uit dat rapport was dat Tuinmaterialen haar reguliere aanbetalingspercentage van 40% naar 50% verhoogt. Tuinmaterialen heeft deze aanbeveling opgevolgd: vanaf begin juni 2024 moesten klanten van Tuinmaterialen 50% aanbetalen. Ook kregen klanten korting als zij 100% aanbetaalden. Daarnaast stelde [naam 1] voor om te bezuinigen op personeelskosten. Dit advies volgde Tuinmaterialen op in juli 2024.
2.9.
Op 24 juli 2024 heeft Tuinvisie een leveringsstop afgekondigd: Tuinvisie leverde geen orders meer uit zolang Tuinmaterialen niet € 60.000,00 van haar (volledig gebruikt) leverancierskrediet van € 90.000,00 zou aflossen. Tuinmaterialen heeft niets afgelost.
2.10.
Op 31 juli 2024 heeft Tuinmaterialen haar eigen faillissement aangevraagd. Tuinmaterialen is op 6 augustus 2024 failliet verklaard. In het kader van het faillissement is onderzoek verricht naar mogelijk onbehoorlijk bestuur en is een schikking getroffen met de curator. Het faillissement van Tuinmaterialen is inmiddels opgeheven bij gebrek aan baten.
2.11.
[eisers] waren allemaal klant van Tuinmaterialen. In de periode mei tot en met juli 2024 hebben zij ieder afzonderlijk een overeenkomst met Tuinmaterialen gesloten voor de aanleg van een tuin (inclusief te leveren tuinmaterialen). [eisers] hebben op grond van deze overeenkomsten (aan)betalingen gedaan. Tuinmaterialen is de overeenkomsten met [eisers] niet nagekomen.
2.12.
[eisers] hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op grond van bestuurdersaansprakelijk-heid aangesproken voor de schade. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.13.
De activa van Tuinmaterialen zijn overgenomen door ZZP-Veilig B.V., waar [gedaagde 3] ook enige tijd in dienst is geweest, en de activiteiten van Tuinmaterialen zijn door ZZP-Veilig B.V. voortgezet. ZZP-Veilig B.V. heeft aan een aantal gedupeerde klanten van Tuinmaterialen ter compensatie een vergoeding van € 100,00 betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt om aan ieder van [eisers] afzonderlijk een schadevergoeding te betalen. Concreet vorderen [eisers] betaling van:
( i) € 5.542,50 aan [eiser 1] ;
(ii) € 12.161,30 aan [eiser 2] ;
(iii) € 5.762,63 aan [eiser 3] ;
(iv) € 9.558,67 aan [eiser 4] ;
( v) € 9.990,54 aan [eiser 5] ;
(vi) € 1.741,75 aan [eiser 6]
Verder vorderen [eisers] dat de kantonrechter deze bedragen vermeerdert met wettelijke rente en dat de kantonrechter [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Ten slotte vorderen [eisers] dat de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart (voor zoveel mogelijk).
3.2.
[eisers] baseren hun vorderingen op bestuurdersaansprakelijkheid, waaraan [eisers] het volgende ten grondslag leggen.
3.2.1.
Door de wanprestatie van Tuinmaterialen hebben [eisers] schade geleden. De schade bestaat uit, kort gezegd, de gedane (aan)betaling(en). Dat [eisers] zijn benadeeld, valt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als bestuurders van Tuinmaterialen persoonlijk ernstig te verwijten. Dit omdat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , op het moment dat zij namens Tuinmaterialen de overeenkomsten met [eisers] aangingen, wisten of redelijkerwijs konden begrijpen dat Tuinmaterialen haar verplichtingen niet zou nakomen en voor de schade geen verhaal zou bieden. Tuinmaterialen was namelijk niet solvabel en kon toen al geruime tijd haar (oplopende) schulden niet betalen. Bovendien probeerden [gedaagde 3] en [gedaagde 4] de al langer bestaande liquiditeitsproblemen op te lossen door namens Tuinmaterialen zoveel mogelijk overeenkomsten te sluiten en hogere aanbetalingen te vragen. Daardoor had Tuinmaterialen echter teveel overeenkomsten lopen (waaronder die met [eisers] ), die Tuinmaterialen niet kon nakomen. De liquiditeitsproblemen werden daarmee ook niet opgelost. De stijgende (aan)betalingen van klanten zorgden niet voor voldoende leverancierskredietruimte. Voor de aanbetalingen die bij [eisers] werden geïnd, plaatste Tuinmaterialen in ieder geval geen bestellingen.
3.2.2.
[eisers] vinden daarom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Tuinmaterialen op grond van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) (onrechtmatige daad) aansprakelijk zijn te houden voor de schade die ieder van [eisers] afzonderlijk hebben geleden. Deze aansprakelijkheid rust volgens [eisers] op grond van de wet (artikel 2:11 BW Pro) ook (hoofdelijk) op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , omdat zij de bestuurder zijn van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
3.3.
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren verweer. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] betwisten dat zij als bestuurders aansprakelijk zijn. Van enig persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen is volgens [gedaagde 3] en [gedaagde 4] geen sprake. Tot in ieder geval de leveringsstop, die Tuinvisie op
24 juli 2024 afkondigde, werd nakoming van de overeenkomsten namelijk nog nagestreefd en mogelijk geacht. Vanaf de leveringsstop waren [gedaagde 3] en [gedaagde 4] nog bezig om investeerders te vinden. Pas op 30 juli 2024, toen alle potentiële investeerders waren afgehaakt, werd volgens [gedaagde 3] en [gedaagde 4] duidelijk dat Tuinmaterialen niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Verder betwisten [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dat de schade van [eisers] is veroorzaakt door het gestelde onrechtmatig handelen. Dat [eisers] schade hebben geleden komt volgens [gedaagde 3] en [gedaagde 4] namelijk door het faillissement van Tuinmaterialen. Ten slotte betwisten [gedaagde 3] en [gedaagde 4] de hoogte van de schade. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] vinden daarom dat [eisers] in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard of dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen, met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten.
3.4.
De kantonrechter zal ingaan op de stellingen van partijen en de verweren als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.

4.De beoordeling

Bestuurdersaansprakelijkheid - toetsingskader
4.1.
Vaststaat dat Tuinmaterialen toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichting om de tuinen voor [eisers] aan te leggen. Voor de schade die [eisers] daardoor hebben geleden, biedt Tuinmaterialen geen verhaal. In principe is alleen Tuinmaterialen aansprakelijk voor de schade van [eisers] Daarnaast kunnen echter ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Tuinmaterialen op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn. Daarvoor is nodig dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van de benadeling van [eisers] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn (en daar baseren [eisers] de vorderingen ook op) als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] namens Tuinmaterialen de overeenkomsten met [eisers] zijn aangegaan, terwijl [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat Tuinmaterialen niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de door [eisers] te lijden schade (de zogenoemde [naam 2] -gevallen). [1]
4.2.
Als in deze zaak komt vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Tuinmaterialen aansprakelijk zijn, dan rust deze aansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW Pro in principe ook (hoofdelijk) op [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Dit omdat zij ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder waren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : [gedaagde 3] van [gedaagde 1] en [gedaagde 4] van [gedaagde 2] . [eisers] hoeven daar niet aanvullend voor te stellen dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, hoewel [eisers] dat wel doen (met dezelfde feitelijke grondslag als zij voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gedaan). [gedaagde 3] en [gedaagde 4] kunnen wel aansprakelijkheid voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hen persoonlijk geen ernstig verwijt valt te maken. [2]
Valt de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt te maken?
4.3.
[eisers] hebben gesteld dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] namens Tuinmaterialen de overeenkomsten met [eisers] hebben gesloten. Op de zitting van 28 november 2025 hebben [eisers] dit verduidelijkt en gesteld dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] degenen waren die hier feitelijk handelden als indirect bestuurders van Tuinmaterialen. Omdat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] dit niet hebben weersproken, neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] namens Tuinmaterialen de overeenkomsten met [eisers] zijn aangegaan.
4.4.
Als het gaat om de overeenkomsten die Tuinmaterialen vanaf 1 juni 2024 met [eisers] heeft gesloten, vindt de kantonrechter dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat zij bij het aangaan van deze overeenkomsten redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat Tuinmaterialen haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit betreft alle met [eisers] gesloten overeenkomsten met uitzondering van de overeenkomst die Tuinmaterialen met [eiser 4] is aangegaan. De overeenkomst met [eiser 4] dateert namelijk van 15 mei 2024 en is dus vóór de peildatum (1 juni 2024) gesloten.
4.5.
De kantonrechter komt tot 1 juni 2024 als peildatum op grond van de volgende feiten en omstandigheden, die deels door [eisers] (onweersproken) zijn aangevoerd en voor een deel door [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zelf naar voren zijn gebracht.
i. Eind 2023 was de financiële situatie van Tuinmaterialen al niet rooskleurig. Tuinmaterialen had eind 2023 ongeveer € 230.000,00 aan vlottende activa tegenover ruim € 300.000,00 aan kortlopende schulden. Hoewel de omzet door de verruimde bedrijfsactiviteiten sterk groeide (omzet 2022: € 333.626,00, omzet 2023: € 1.532.520,00), klanten 40% aanbetaalden en Tuinmaterialen zelf (vrijwel) geen voorraad aanhield, stond de liquiditeit dus al eind 2023 fors onder druk. Dit was ook de reden dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] er eind 2023 voor kozen om zich vanuit Tuinmaterialen geen loon meer uit te laten betalen.
Tuinmaterialen werd niet extern gefinancierd. Naast de (aan)betalingen die zij van klanten ontving, was Tuinmaterialen aangewezen op leverancierskredieten van met name Tuinvisie, waar Tuinmaterialen 90% van haar bestellingen deed. Vanwege de toenemende liquiditeitsbehoefte van Tuinmaterialen werd haar leverancierskrediet bij Tuinvisie met ingang van 1 januari 2024 verhoogd van
€ 30.000,00 naar € 60.000,00.
Een onderneming als Tuinmaterialen, die zich bezighoudt met de aanleg van tuinen, maakt in de regel de meeste omzet in het voorjaar en in de zomermaanden (dus in de maanden maart tot en met september). In het eerste kwartaal van 2024 was bij Tuinmaterialen echter al sprake van een behoorlijke omzetstijging. Volgens de verklaring van [gedaagde 3] op de zitting van 28 november 2025 bedroeg de omzet van Tuinmaterialen in de eerste maanden van 2024 al ongeveer € 2.000.000,00. Toch bleef de liquiditeit van Tuinmaterialen ook in het eerste kwartaal van 2024 onder druk staan.
Begin 2024 kwam Tuinmaterialen tot het inzicht dat zij moest professionaliseren, ook vanwege haar omzetgroei, en dat haar liquiditeitspositie moest verbeteren. Daarom nam Tuinmaterialen begin 2024 maatregelen om haar werkprocessen efficiënter te maken en schakelde Tuinmaterialen MKB Finance in voor (andere) financieringsmogelijkheden. Begin maart 2024 heeft MKB Finance gerapporteerd dat Tuinmaterialen € 500.000,00 nodig heeft. Hiermee kon Tuinmaterialen voldoen aan de exponentiële groei zonder in te leveren op de kwaliteit en kon Tuinmaterialen de door haar beoogde tweede vestiging openen. Die tweede vestiging, waarvoor Tuinmaterialen een crowdfunding wilde opzetten, is nooit geopend.
Het benodigd werkkapitaal van € 500.000,00 is er niet gekomen. Tuinmaterialen kreeg medio maart 2024 alleen een kortlopende lening van
€ 100.000,00 door de oom van [gedaagde 4] verstrekt. De crowdfundingsactie heeft niet geleid tot een betere liquiditeitspositie van Tuinmaterialen. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben in ieder geval niet gesteld dat de crowdfunding (die volgens hen overigens pas op 22 juli 2024 werd gelanceerd) heeft gezorgd voor meer geld.
Vanwege de toenemende liquiditeitsdruk waar Tuinmaterialen mee te kampen had, betaalde Tuinmaterialen vanaf april 2024 geen huur meer voor het door haar gebruikte pand en werd haar leverancierskrediet bij Tuinvisie met ingang van april 2024 wederom verhoogd (tot € 90.000,00).
Tuinmaterialen liep steeds tegen het limiet aan van haar leverancierskredieten. In mei 2024 wilde Tuinmaterialen haar leverancierskrediet bij Tuinvisie opnieuw verhogen en is Tuinmaterialen ook met andere leveranciers (waaronder Gras bij de Buren) gaan praten over haar liquiditeitsproblemen. Tuinvisie was niet bereid het leverancierskrediet wederom te verhogen, maar wilde dat Tuinmaterialen op haar leverancierskrediet zou aflossen (wat Tuinmaterialen niet kon). Dit leidde uiteindelijk op 24 juli 2024 tot een leveringstop: pas als Tuinmaterialen € 60.000,00 zou aflossen van haar gebruikt leverancierskrediet van € 90.000,00, zou Tuinvisie weer orders van Tuinmaterialen uitleveren. Dit bedrag kon Tuinmaterialen echter niet betalen.
In mei 2024 heeft Tuinmaterialen [naam 1] benaderd omdat zij haar werkprocessen beter wilde stroomlijnen en haar kosten wilde verlagen. Om haar liquiditeitspositie te verbeteren, heeft Tuinmaterialen haar (aan)betalingsstructuur gewijzigd en daartoe is Tuinmaterialen op advies van [naam 1] vanaf begin juni 2024 onder meer een (hogere) aanbetaling van 50% gaan vragen. Ook kregen klanten 5% korting als zij 100% aanbetaalden. Het advies van [naam 1] om te bezuinigen op personeelskosten, heeft Tuinmaterialen in juli 2024 opgevolgd. Op 19 juli 2024 ontsloeg Tuinmaterialen twee werknemers. Daarnaast schakelde Tuinmaterialen drie zzp’ers niet meer in, waarmee zeven personen overbleven die voor Tuinmaterialen werkten (inclusief [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ).
De overeenkomsten met [eisers] zijn allemaal na 13 juni 2024 gesloten (met uitzondering van de overeenkomst met [eiser 4] ). Tuinmaterialen is deze overeenkomsten in het geheel niet nagekomen. Tuinmaterialen heeft voor [eisers] ( [eiser 4] uitgezonderd) dus ook geen tuinmaterialen besteld, zoals wel was afgesproken.
Nadat Tuinvisie op 24 juli 2024 de leveringsstop had afgekondigd, zocht Tuinmaterialen intensief naar investeerders. Deze lieten allemaal echter al heel snel weten niet te willen investeren, in de meeste gevallen omdat zij de daaraan verbonden risico’s te groot vonden. Daarop heeft Tuinmaterialen op 31 juli 2024 haar eigen faillissement aangevraagd.
Toen Tuinmaterialen op 6 augustus 2024 failliet werd verklaard, had Tuinmaterialen een (voorlopig erkende concurrente) schuldenlast van bijna
€ 800.000,00 aan in totaal 83 schuldeisers. Het ging bij ongeveer de helft van deze schulden (dus bij ongeveer € 400.000,00) om schulden aan klanten. Een klant van Tuinmaterialen was gemiddeld € 5.000,00 kwijt voor de aanleg van een tuin. Dit betekent dat de 83 schuldeisers voor het grootste deel klanten van Tuinmaterialen betroffen.
4.6.
Uit al het voorgaande leidt de kantonrechter af dat de liquiditeit van Tuinmaterialen vanaf eind 2023 permanent onder druk stond en vanaf april 2024 verder ernstig onder druk was komen te staan. Verder komt het beeld naar voren dat Tuinmaterialen met haar bedrijfsmodel de exponentiële groei, qua hoeveelheid aan te leggen tuinen (ook in combinatie met de toegenomen bestellingen op leverancierskrediet) niet aankon. Begin maart 2024 moesten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich er al bewust van zijn geweest dat zonder een substantieel bedrag aan werkkapitaal de continuïteit van de onderneming ernstig in gevaar zou komen. De geldlening van € 100.000,00 en de verhoging van het leverancierskrediet bij Tuinvisie met € 30.000,00 begin april 2024 waren daarvoor niet genoeg. Dit moesten ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in mei 2024 hebben beseft, omdat [naam 1] toen is ingeschakeld (om de kosten te verlagen) en Tuinmaterialen met haar leveranciers over haar liquiditeitsproblemen is gaan praten. Tuinmaterialen liep steeds tegen haar leverancierskredietlimieten aan en dit werd in mei 2024 nijpender. Dit was, gezien het bedrijfsmodel van Tuinmaterialen zonder externe of bancaire financiering, problematisch. Zonder leverancierskredietruimte kon Tuinmaterialen in principe geen bestellingen doen, terwijl Tuinmaterialen de te bestellen zaken wel nodig had om de betreffende tuinen aan te kunnen leggen. Dat de in mei 2024 met Gras bij de Buren gevoerde gesprekken hebben geleid tot een hoger leverancierskredietlimiet, hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet gesteld. Pogingen van Tuinmaterialen in mei 2024 om haar limiet bij haar belangrijkste leverancier Tuinvisie wederom te verhogen slaagden niet, waarbij Tuinvisie bovendien te kennen gaf dat zij wilde dat Tuinmaterialen op haar leverancierskrediet zou aflossen (wat Tuinmaterialen niet kon).
4.7.
De kantonrechter vindt daarom dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , bij gebreke van voldoende financiering of concreet uitzicht daarop, en bezien tegen de hoeveelheid aangegane overeenkomsten en de exponentiële groei van Tuinmaterialen, vanaf 1 juni 2024 redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat Tuinmaterialen niet aan haar verplichtingen jegens nieuwe klanten zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade. Dit werd ook bewaarheid. Voor alle overeenkomsten die Tuinmaterialen na 1 juni 2024 met [eisers] heeft gesloten geldt dat Tuinmaterialen deze in het geheel niet is nagekomen en - in verband met deze overeenkomsten - bij Tuinvisie en/of Gras bij de Buren ook geen bestellingen heeft geplaatst. [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben weliswaar aangevoerd dat zij in (andere) gevallen nog wel bestellingen heeft gedaan, maar de kantonrechter gaat hieraan voorbij. Dit is namelijk niet te controleren omdat de orders, die [gedaagde 3] en [gedaagde 4] daartoe hebben overgelegd, geen besteldatum vermelden. Het is [gedaagde 3] en [gedaagde 4] kortom boven het hoofd gegroeid en zij hadden dat eerder moeten beseffen en daar ook eerder, in ieder geval vanaf 1 juni 2024, naar moeten handelen.
4.8.
Het oordeel van de kantonrechter wordt niet anders als zou komen vast te staan dat, zoals [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd, Tuinmaterialen nog tot kort voor haar faillissement een aantal projecten heeft afgrond. Daargelaten dat [eisers] dit deels hebben betwist, laat dit namelijk onverlet dat dit bij een grote hoeveelheid klanten niet is gebeurd. De 83 (concurrente) schuldeisers van Tuinmaterialen waren immers bijna allemaal klant van Tuinmaterialen met een lopende overeenkomst.
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schade
4.9.
Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van Tuinmaterialen onrechtmatig ten opzichte van [eisers] (met uitzondering van [eiser 4] ) hebben gehandeld. De schade die [eisers] door dit onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geleden, zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten vergoeden. De kantonrechter begroot deze schade op de bedragen die [eisers] hebben (aan)betaald.
4.10.
De kantonrechter is het niet met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] eens dat deze schade niet is veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (het namens Tuinmaterialen aangaan van de overeenkomsten), maar door het faillissement van Tuinmaterialen. Als de overeenkomsten niet waren gesloten, dan waren er namelijk geen (aan)betalingen gedaan. Gegeven de omstandigheden van het geval, acht de kantonrechter het bovendien aannemelijk dat Tuinmaterialen ook zonder het faillissement geen verhaal had geboden voor de vorderingen van [eisers]
4.11.
[gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn op grond van artikel 2:11 BW Pro eveneens hoofdelijk [3] voor de schade aansprakelijk, omdat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet hebben gesteld dat hen persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] berust. Dat hun handelen niet zou zijn gericht op persoonlijk gewin en zij zich niet persoonlijk zouden hebben verrijkt, kan daar in ieder geval niet toe leiden.
Schade
4.12.
Hierna zal de kantonrechter voor ieder van [eisers] afzonderlijk (behalve [eiser 4] ) ingaan op de schade en de gevorderde wettelijke rente. Als het gaat om de wettelijke rente merkt de kantonrechter alvast op dat de wettelijke rente over een te betalen schadevergoeding gaat lopen vanaf het moment dat de schadevergoeding opeisbaar is. In de regel is dat het moment waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. Hier is dat de datum waarop de betreffende (aan)betaling is gedaan.
[eiser 1]
4.13.
[eisers] vorderen een aan [eiser 1] te betalen schadevergoeding van
€ 5.542,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2024.
4.14.
[eiser 1] en Tuinmaterialen hebben op 8 juli 2024 een overeenkomst met elkaar gesloten. Tuinmaterialen zou een tuin voor [eiser 1] aanleggen voor € 6.158,06 (inclusief het bij Gras bij de Buren te bestellen gras). [eiser 1] hebben op 8 juli 2024 € 3.079,03 en op 3 augustus 2024 € 2.463,22 aanbetaald.
4.15.
De kantonrechter begroot de schade die [eiser 1] hebben geleden op
€ 5.542,50 (€ 3.079,03 + € 2.463,22). De wettelijke rente daarover zal de kantonrechter toewijzen (zoals gevorderd) vanaf 3 augustus 2024.
[eiser 2]
4.16.
[eisers] vorderen een aan [eiser 2] te betalen schadevergoeding van
€ 12.161,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2024.
4.17.
[eiser 2] en Tuinmaterialen hebben op 19 juni 2024 een overeenkomst met elkaar gesloten. Tuinmaterialen zou een tuin voor [eiser 2] aanleggen voor € 17.903,25 (inclusief de bij Tuinvisie te bestellen tuinmaterialen). [eiser 2] hebben op 24 juni 2024 € 7.161,30 aanbetaald. Begin juli 2024 wonnen [eiser 2] een winactie van Tuinmaterialen, te weten een tuin ter waarde van € 5.000,00. In overleg met [eiser 2] heeft Tuinmaterialen een creditfactuur voor dit bedrag aan [eiser 2] gestuurd, waarmee [eiser 2] dus nog € 5.741,95 aan Tuinmaterialen verschuldigd waren.
4.18.
De kantonrechter is het met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] eens dat het gecrediteerde bedrag van € 5.000,00 geen schade is die [eiser 2] als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geleden. De kantonrechter begroot de schade van [eiser 2] daarom op € 7.161,30 (het bedrag van de aanbetaling). De wettelijke rente daarover zal de kantonrechter toewijzen vanaf 24 juni 2024.
[eiser 3]
4.19.
[eisers] vorderen een aan [eiser 3] te betalen schadevergoeding van € 5.762,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2024.
4.20.
[eiser 3] en Tuinmaterialen hebben op 14 juni 2024 een overeenkomst met elkaar gesloten. Tuinmaterialen zou een tuin voor [eiser 3] aanleggen voor € 5.862,63 (inclusief de bij Tuinvisie te bestellen tuinmaterialen en met een 5% verdisconteerde korting). [eiser 3] heeft op 18 juni 2024 € 5.862,63 aanbetaald. Nadat Tuinmaterialen failliet werd verklaard heeft [eiser 3] van een derde (ZZP-Veilig B.V.) € 100,00 ontvangen als schadevergoeding.
4.21.
De kantonrechter begroot de schade die [eiser 3] heeft geleden op
€ 5.762,63 (€ 5.862,63 -/- € 100,00). De wettelijke rente daarover zal de kantonrechter toewijzen vanaf 18 juni 2024.
[eiser 5]
4.22.
[eisers] vorderen een aan [eiser 5] te betalen schadevergoeding van
€ 9.990,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024.
4.23.
[eiser 5] en Tuinmaterialen hebben op 5 juli 2024 een overeenkomst met elkaar gesloten. Tuinmaterialen zou een tuin voor [eiser 5] aanleggen voor € 11.100,60. [eiser 5] hebben op 9 juli 2024 € 5.550,30 en op 1 augustus 2024 € 4.440,24 aanbetaald (totaal € 9.990,54). Ook [eiser 5] hebben € 100,00 ontvangen als schadevergoeding.
4.24.
De kantonrechter begroot de schade die [eiser 5] hebben geleden op
€ 9.890,54 (€ 9.990,54 -/- € 100,00). De wettelijke rente daarover zal de kantonrechter toewijzen (zoals gevorderd) vanaf 1 augustus 2024.
[eiser 6]
4.25.
[eisers] vorderen een aan [eiser 6] te betalen schadevergoeding van
€ 1.741,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2024.
4.26.
[eiser 6] en Tuinmaterialen hebben op 11 juli 2024 een overeenkomst met elkaar gesloten. Tuinmaterialen zou een tuin voor [eiser 6] aanleggen voor € 3.723,48. [eiser 6] hebben op 16 juli 2024 € 1.841,75 aanbetaald. Ook [eiser 6] hebben € 100,00 ontvangen als schadevergoeding.
4.27.
De kantonrechter begroot de schade die [eiser 6] hebben geleden op
€ 1.741,75 (€ 1.841,75 -/- € 100,00). De wettelijke rente daarover zal de kantonrechter toewijzen vanaf 16 juli 2024.
Conclusie en proceskosten
4.28.
De vordering van [eiser 4] wordt afgewezen. De vorderingen van de andere eisers worden vrijwel geheel toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] grotendeels in het ongelijk zijn gesteld. De kantonrechter zal [gedaagde 3] en [gedaagde 4] daarom hoofdelijk veroordelen tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De kantonrechter begroot de proceskosten van [eisers] op:
- kosten van de dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 1.732,00 (2 punten × € 866,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 2.752,47
4.29.
De kantonrechter zal [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten, voor zover de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 5.542,50, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 7.161,30, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 5.762,63, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan [eiser 5] te betalen een bedrag van € 9.890,54, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk om aan [eiser 6] te betalen een bedrag van € 1.741,75, te vermeerderen met de wettelijke als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.752,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis, kantonrechter, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Voetnoten

1.zie Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 ( [naam 2] ) en Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/ [naam 3] )
2.zie Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 ( [naam 4] )
3.Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde door de eisende partij kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de ene veroordeelde (een deel) aan eisende partij betaalt, hoeft de andere veroordeelde dat (deel van het) bedrag niet meer aan eisende partij te betalen.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.