Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3628

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11865616
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230m BWArt. 7:752 BWArt. 7:759 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen en herstelverplichtingen bij aanneming van werk aan privéwoning

De zaak betreft een geschil tussen een stukadoorsbedrijf en een particuliere opdrachtgever over onbetaalde facturen en herstel van gebreken aan een woning. De opdrachtgever had werkzaamheden laten uitvoeren, maar betaalde niet het volledige factuurbedrag vanwege klachten over het schilderwerk. De aannemer was bereid tot herstel, maar de opdrachtgever stelde onredelijke voorwaarden aan dat herstel, waaronder kosteloosheid en finale afwikkeling.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever niet aan zijn verplichting heeft voldaan om de aannemer een redelijke gelegenheid tot herstel te bieden, waardoor geen sprake is van verzuim of ontbinding van de overeenkomst. De opdrachtgever moet daarom betalen voor het uitgevoerde werk. Wel is vastgesteld dat de aannemer niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht over de prijs van het schilderwerk, waardoor de betalingsverplichting wordt verminderd met 20%.

De rechtbank wijst de vordering van de opdrachtgever tot ontbinding en terugbetaling van voorschotten af. De opdrachtgever kan nog steeds herstel vorderen, maar de rechter legt geen dwangsom op omdat het niet aan de aannemer ligt dat herstel niet heeft plaatsgevonden. De proceskosten worden verdeeld: de opdrachtgever moet de kosten van de procedure in conventie betalen, terwijl partijen in reconventie ieder hun eigen kosten dragen.

De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een veroordeling tot betaling van € 14.280,32 plus wettelijke rente door de opdrachtgever aan de aannemer, en een veroordeling tot betaling van € 1.752,32 plus rente door de aannemer aan de opdrachtgever wegens gevolgschade.

Uitkomst: Opdrachtgever moet € 14.280,32 betalen aan aannemer met rente, aannemer moet € 1.752,32 aan opdrachtgever betalen; overeenkomst niet ontbonden.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11865616 \ CV EXPL 25-3142
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. V.E. de Haas,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Arnhem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 november 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is mede-eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 2] . Hij woont daar met zijn partner en haar moeder.
2.2.
[eiser] is een stukadoorsbedrijf te [plaats 1] .
2.3.
[gedaagde] heeft in januari 2025 aan [eiser] opdracht gegeven, aanvankelijk voor stukadoorswerk en sauswerk en later ook schilderwerk.
2.4.
[eiser] heeft deze werkzaamheden uitgevoerd in de periode van 30 januari 2025 tot april 2025.
2.5.
Op 18 april 2025 heeft [eiser] een eindfactuur voor die werkzaamheden gezonden van € 28.575,40 exclusief btw. [gedaagde] heeft tevoren € 10.500,00 als voorschot betaald. Volgens deze factuur moet [gedaagde] nog € 19.974 inclusief btw betalen. [gedaagde] heeft dat bedrag niet betaald. Hij heeft geklaagd over de uitvoering van het schilderwerk.
2.6.
Nadat [eiser] aan [gedaagde] had bericht dat hij herstel-werkzaamheden wil uitvoeren, heeft [gedaagde] in een e-mailbericht van 25 juni 2025,voor zover van belang, gesteld dat er ernstige gebreken zijn en hij het niet redelijk vindt om nog verdere betaling te doen. Hij is bereid om mee te werken aan herstel, indien dat kosteloos gebeurt en als definitieve afhandeling van de opdracht geldt, dus zonder resterende betalingsverplichting. [eiser] is niet tot herstel overgegaan.
2.7.
[eiser] heeft [gedaagde] op 26 augustus 2025 gedagvaard.
2.8.
Op 18 september 2025 is in opdracht van [gedaagde] een onderzoek naar de kwaliteit van het door [eiser] uitgevoerde werk uitgevoerd door Expertise Bureau Noord B.V. Het rapport van de deskundige dateert van 22 oktober 2025.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 19.974,68, vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd, waar [gedaagde] voor moet betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
[gedaagde] voert aan dat sprake is van ondeugdelijk werk en tekortkoming aan de zijde van [eiser] terwijl geen redelijke prijs is gerekend.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert - samengevat – verklaring voor recht dat overeenkomst gedeeltelijk is ontbonden en vordert dat [eiser] het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 10.250,00 moet terugbetalen.
3.7.
Subsidiair vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld tot herstel van gebreken, op straffe van een dwangsom als [eiser] daar niet voldoet waarbij als herstel uitblijft [gedaagde] gerechtigd is het herstel door een derde uit te laten voeren op kosten van [eiser] . Ook vordert [gedaagde] dat de kantonrechter de door hem aan [eiser] te betalen redelijke prijs vaststelt. Een en ander telkens met veroordeling van [eiser] in de gevolgschade inclusief expertisekosten en de proceskosten
3.8.
[eiser] voert verweer.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De belangrijkst vraag, of [gedaagde] voor de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden moet betalen, beantwoordt de kantonrechter bevestigend. Dat wordt hierna uitgelegd. Daarna zal de kantonrechter vaststellen welk bedrag [gedaagde] aan [eiser] moet betalen.
[eiser] is niet in verzuim, geen ontbinding van de overeenkomst.
4.2.
De overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is een overeenkomst van aanneming van werk. [gedaagde] betaalt de factuur niet omdat volgens hem sprake is van ondeugdelijk werk. [eiser] heeft erkend dat het schilderwerk beter had gekund. Hij was bereid tot herstel over te gaan, maar [gedaagde] heeft hem daar niet toe in de gelegenheid gesteld, door daaraan de onredelijke eis te verbinden dat hij ook niets meer hoefde te betalen.
4.3.
De kantonrechter overweegt dat als er sprake is van door de aannemer (volgens de opdrachtgever) niet goed uitgevoerd werk, artikel 7:759 BW Pro twee regels geeft inzake het herstel door de aannemer. Het eerste lid legt een verplichting op aan de opdrachtgever, deze is verplicht om de aannemer in de gelegenheid te stellen om binnen een redelijke termijn gebreken weg te nemen. Het tweede lid legt een verplichting op aan de aannemer, deze is op vordering van de opdrachtgever verplicht om gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. Daarbij is de aannemer is in beginsel gerechtigd om gebreken naar eigen inzicht te herstellen. Deze vrijheid hangt samen met het resultaatgerichte karakter van de aannemingsovereenkomst.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] niet aan zijn uit artikel 7:759 lid Pro BW voortvloeiende verplichting voldaan. [gedaagde] heeft namelijk aan zijn sommaties aan [eiser] om gebreken te herstellen, met name in het e-mailbericht van 25 juni 2025 vergaande voorwaarden gesteld aan herstel en daar bovendien aan verbonden dat hij niet voor het werk zal hoeven te betalen. Dat zou betekenen dat als [eiser] het werk heeft hersteld, [gedaagde] “gratis” schilderwerk heeft gekregen. [gedaagde] is niet op deze stellingname teruggekomen. Gelet op die onredelijke voorwaarde kon van [eiser] niet gevergd worden dat zij tot herstel zover zou gaan, en is zij dus ook niet in verzuim (gekomen). Van gehele of gedeeltelijk ontbinding van de overeenkomst kan daarom geen sprake zijn. [gedaagde] moet voor het in zijn opdracht en voor zijn rekening gedane werk betalen.
Ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht
(pre)contractuele informatieplichten
4.5.
De vordering van [eiser] is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar (aannemer [eiser] ) en een consument ( [gedaagde] ). Dat [gedaagde] zelf als zelfstandige werkzaam is in de bouw doet er niet aan af dat hij voor wat betreft deze overeenkomst, die ziet op werkzaamheden aan zijn privéwoning, als consument moet worden beschouwd.
4.6.
Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument in beginsel worden voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van boek 6, titel 5, afdeling 2B van het BW. De kantonrechter moet ambtshalve, dus uit zichzelf en ook zonder dat partijen daarop een beroep doen, toetsen of in het te beoordelen geval deze bepalingen van toepassing zijn en zo ja, of daaraan is voldaan. In dit geval gaat het er met name om of [eiser] zich aan zijn verplichting heeft gehouden om [gedaagde] voldoende voor te lichten over de totale prijs voor de werkzaamheden.
4.7.
Partijen zijn het er over eens dat voor het stukadoorswerk een prijsafspraak is gemaakt voor een bedrag van € 6.250,00. Voor wat betreft die werkzaamheden is voldoende aan de verplichtingen voldaan, waarbij de kantonrechter ervan uitgaat dat, omdat het om een consument gaat en niet anders blijkt, dit bedrag inclusief btw is.
4.8.
Dat is anders voor wat betreft de prijs voor het schilder- en sauswerk. Voor dat deel van de werkzaamheden is niet van tevoren een prijs afgesproken. [eiser] heeft ook niet vooraf inzicht gegeven in de wijze waarop de prijs zou worden berekend. Dat betekent dat [eiser] niet heeft voldaan aan de informatieplicht ten aanzien van de prijs van de werkzaamheden, zoals genoemd onder artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en onder e BW. Op grond daarvan dient de handelaar, voordat de consument aan de overeenkomst is gebonden, op duidelijk en begrijpelijke wijze informatie verstrekken over de totale prijs van de zaken of diensten, of de manier waarop de prijs moet worden berekend als deze door de aard van de zaak of de dienst redelijkerwijs niet vooraf berekend kan worden.
sanctie
4.9.
De Hoge Raad heeft in het kader van artikel 6:230m lid 1, aanhef en onder e BW (informatieverplichting over de totale prijs voor overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte) geoordeeld dat de rechter gehouden kan zijn om een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen indien sprake is van een voldoende ernstige schending van één of meer essentiële informatieplichten. Een gedeeltelijke vernietiging kan bestaan uit een vermindering van de betalingsverplichting van de consument. De kantonrechter ziet geen reden om anders te oordelen, omdat informatie over de prijs essentieel is.
4.10.
De rechtbanken hebben naar aanleiding van deze uitspraak van de Hoge Raad de ‘Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten’ vastgesteld (hierna: de richtlijn). Die houdt onder meer in dat bij minder dan vier voldoende ernstige schendingen de betalingsverplichting wordt verminderd met 20%. De rechter kan hier van afwijken indien hij de aangewezen sanctie in de gegeven omstandigheden niet doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend acht. Voor dat laatste ziet de kantonrechter geen grond.
[eiser] heeft geen onredelijke prijs in rekening gebracht
4.11.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat nu geen vaste prijs is overeengekomen, hij slechts een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 BW Pro verschuldigd is. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat de door [eiser] gefactureerde prijs voor arbeid en materiaal evident onredelijk is. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat partijen over de prijs van stukwerk een prijsafspraak hadden gemaakt. Voor het overige is door [gedaagde] niet onderbouwd dat de gefactureerde prijs niet markconform zou zijn. Dat volgens [gedaagde] een ander schildersbedrijf voor het schilderwerk een veel lager bedrag zou vragen is daarvoor onvoldoende. Het rapport van de door [gedaagde] ingeschakelde deskundige biedt evenmin steun voor het standpunt van [gedaagde] op dit punt. Dat [gedaagde] niet tevreden is met het resultaat legt bij deze beoordeling geen gewicht in de schaal, omdat [eiser] niet in de gelegenheid is gesteld de gebreken te herstellen en de overeenkomst niet op die grond is of kan worden ontbonden. Ook overigens ziet de kantonrechter in wat door [gedaagde] is aangevoerd geen aanleiding om de prijs te matigen.
Wat moet [gedaagde] betalen?
4.12.
[gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat het totaalbedrag van de factuur niet € 28.575,40 is maar € 28.100,40 bedraagt. Na aftrek van het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 10.250,00 resteert dan een nog een te betalen factuurbedrag van € 17.850,40. Omdat het om een overeenkomst met een consument gaat, is dit inclusief btw.
Na toepassing van de hiervoor toegelichte sanctie van 20% moet [gedaagde] dus nog € 14.280,32 betalen.
4.13.
Omdat [gedaagde] in verzuim is met tijdige betaling, wordt de wettelijke rente over dat bedrag toegewezen, zoals gevorderd vanaf de dag van de dagvaarding.
Ten overvloede
4.14.
[gedaagde] heeft ter zitting nog gesteld dat als hij dit alles tevoren geweten had, hij het schilderwerk niet aan [eiser] had gegund. Voor zover dat als een beroep op dwaling begrepen moet worden, is daaraan geen rechtsgevolg of vordering verbonden en is het beroep op dwaling ook niet onderbouwd. Deze stelling van [gedaagde] kan daarom niet leiden tot een ander oordeel,
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.15.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.671,21
4.16.
[gedaagde] wordt ten aanzien van het griffierecht slechts veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, te weten € 543,00. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan [eiser] in rekening is gebracht, dient in verband met de opgelegde sanctie voor rekening van [eiser] te blijven.
in reconventie
De overeenkomst is niet ontbonden en wordt niet ontbonden
4.17.
[gedaagde] vordert allereerst verklaring voor recht dat hij de overeenkomst heeft ontbonden dan wel gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wegens tekortkomingen van [eiser] . Zoals hiervoor bij de beoordeling in conventie besproken is heeft [gedaagde] [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Daarom is geen sprake van verzuim en is er geen grond voor gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, anders dan op grond van de hiervoor ook besproken schending van een informatieverplichting. Dit deel van de vordering van [gedaagde] kan op die gronden niet worden toegewezen.
4.18.
Omdat de overeenkomst niet is of wordt ontbonden is er geen grondslag voor een veroordeling tot terugbetaling van wat [gedaagde] als voorschot heeft betaald. Daarbij zou terugbetaling van dat bedrag er bovendien toe leiden dat [gedaagde] niet hoeft te betalen voor het door [eiser] uitgevoerde werk waar geen klachten over zijn geuit.
Partijen verliezen hun recht op nakoming niet
4.19.
Omdat de overeenkomst niet is ontbonden, verliezen partijen hun recht op nakoming niet. [gedaagde] kan nog steeds aanspraak maken op herstel van gebreken en [eiser] komt het recht toe aan die werkzaamheden op de door hem te bepalen wijze uitvoering te geven. De kantonrechter zal daar geen termijn of dwangsom aan verbinden zoals door [gedaagde] subsidiair is gevorderd omdat, zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, het niet aan [eiser] te wijten is dat geen herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
4.20.
Ook voor toewijzing van de gevraagde machtiging in geval herstel uitblijft is bij deze stand van zaken geen grond. Deze vordering is te onbepaald, omdat op dit moment nog niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre [eiser] zal tekortschieten in de herstelverplichting en de machtiging voor herstelwerkzaamheden niet op voorhand kan worden verleend.
[eiser] heeft geen onredelijke prijs in rekening gebracht
4.21.
Zoals na randnummer 4.10 is overwogen is er geen grond om te oordelen dat [eiser] geen redelijke prijs heeft gerekend.
[eiser] moet de gevolgschade vergoeden
4.22.
De vordering tot betaling van gevolgschade zal de kantonrechter toewijzen tot een bedrag van € 1.752,32. [eiser] heeft daartegen geen verweer gevoerd en een deel van de gepresenteerde schade ook erkend.
De kosten voor het inschakelen van een deskundige blijven voor rekening van [gedaagde]
4.23.
De kosten voor het inschakelen van een deskundige worden afgewezen. Onderzoekskosten zoals deze komen voor vergoeding in aanmerking als aan de zogeheten dubbele redelijkheidstoets is voldaan: de kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt, en moeten qua omvang redelijk zijn. De kantonrechter is van oordeel dat deze kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt, omdat [gedaagde] de deskundige heeft ingeschakeld voordat [eiser] in de gelegenheid is geweest herstelwerkzaamheden uit te voeren, terwijl [eiser] al had erkend dat het werk niet voldeed en bereid was tot herstel over te gaan.
proceskosten
4.24.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.25.
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat dit is gevorderd en daartegen geen verweer is gevoerd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
1.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.280,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 26 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
1.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.671,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
1.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
1.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
1.5.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.752,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 5 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
1.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
1.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
1.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
CK