Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3631

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11816897
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 7:750 BWArt. 7:754 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer wegens schending waarschuwingsplicht en verrekening schade opdrachtgever

Een aannemer vordert betaling van openstaande facturen van een opdrachtgever voor de bouw van een bedrijfsruimte. De opdrachtgever beroept zich op verrekening met schade die hij heeft geleden doordat de aannemer toerekenbaar tekort is geschoten in haar waarschuwingsplicht.

De kantonrechter oordeelt dat de aannemer haar waarschuwingsplicht heeft geschonden door de opdrachtgever niet te informeren over de gevolgen van de casco oplevering en de beperkte verwarmingsinstallatie, waardoor de afgesproken temperatuur niet zonder aanvullende maatregelen gehaald kon worden. Dit leidde tot aansprakelijkheid van de aannemer voor de schade.

Tegelijkertijd is er sprake van eigen schuld van de opdrachtgever, die bewust koos het pand gefaseerd te gebruiken en de verwarmingsinstallatie beperkt te houden. Daarom wordt de schade gelijk verdeeld tussen partijen. De opdrachtgever mag zijn schadevordering verrekenen met de facturen, waardoor hij nog een deel moet betalen.

De kantonrechter wijst een schadevergoeding toe van €4.450,00 en de helft van de onderzoekskosten van €968,00. De opdrachtgever moet na verrekening €11.093,04 betalen, vermeerderd met wettelijke rente en een redelijke vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De aannemer is aansprakelijk voor schending van haar waarschuwingsplicht, opdrachtgever mag schade verrekenen en moet resterend bedrag van €11.093,04 betalen met rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11816897 \ CV EXPL 25-2214 (PA)
Vonnis van 9 april 2026
in de zaak van
[eiser] .,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LegalSteps B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn.
Zaak in het kort
Een aannemer vordert betaling van zijn facturen. De opdrachtgever beroept zich op verrekening met schade die hij heeft geleden doordat de aannemer toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. De kantonrechter oordeelt dat de aannemer haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. De aannemer is aansprakelijk voor de gevolgen van de schending van haar waarschuwingsplicht. De kantonrechter oordeelt dat ook sprake is van eigen schuld van de opdrachtgever. De opdrachtgever mag zijn schadevordering verrekenen met de vordering van de aannemer. Daardoor moet de opdrachtgever nog een deel van de facturen betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 juni 2025
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie
- het tussenvonnis van 11 september 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties
- het bericht van 5 februari 2026 met producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] drijft een onderneming die onder meer gespecialiseerd is in het ontwikkelen, ontwerpen, en bouwen van bedrijfsruimte. [gedaagde] is een groothandel in glasverpakkingen.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] sluiten een (aannemings)overeenkomst voor de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte voor [gedaagde] , inclusief de levering van benodigde materialen.
2.3.
Partijen komen een aanneemsom van in totaal € 2.754.200,00 exclusief btw overeen. Meerwerk wordt afzonderlijk gefactureerd.
2.4.
In oktober 2023 start [eiser] met de werkzaamheden en de werkzaamheden zijn rond mei 2024 afgerond.
2.5.
[gedaagde] laat twee facturen onbetaald, te weten de factuur van 29 juli 2024 van
€ 40.842,24 ter zake “2% voor oplevering” en de factuur van 15 oktober 2024 van
€ 5.667,80 ter zake meerwerk.
2.6.
Op enig moment komen partijen een betalingsregeling overeen. [gedaagde] heeft toen een bedrag van in totaal € 30.000,00 voldaan.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – betaling van € 17.451,15, namelijk het restant van de twee onbetaalde facturen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert – samengevat – betaling van € 1.936,00 aan deskundigenkosten en herstel en nakoming van de overeengekomen werkzaamheden. Subsidiair vordert [gedaagde] betaling van € 9.900,00 bij wijze van vervangende schadevergoeding.
3.5.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gezien de samenhang van de vordering in conventie en de vordering in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
4.2.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen [1] . Partijen hebben afgesproken dat [eiser] werkzaamheden voor [gedaagde] zou uitvoeren en dat [gedaagde] de daarvoor verzonden facturen zou betalen. [gedaagde] heeft twee facturen (deels) onbetaald gelaten. Het uitgangspunt van de wet is dat afspraken moeten worden nagekomen. Daarom mocht [eiser] normaal gesproken verwachten dat [gedaagde] de gehele rekening zou betalen. [gedaagde] erkent ook de verschuldigdheid van de facturen. Maar soms kunnen er redenen zijn waarom er toch niet (geheel) betaald hoeft te worden. In deze zaak moet worden beoordeeld of die redenen er zijn.
4.3.
[gedaagde] stelt dat [eiser] niet volgens de aannemingsovereenkomst heeft geleverd en beroept zich op opschorting dan wel verrekening. Volgens [gedaagde] is het niet mogelijk om het kantoor te verwarmen tot een acceptabele temperatuur van tenminste 21 graden Celsius en 18 graden Celsius in de overige ruimtes zoals afgesproken. [eiser] erkent op de zitting dat het koud is in het pand, maar volgens [eiser] komt dit door de keuzes die [gedaagde] zelf bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft gemaakt.
4.4.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst wist dat de eerste en tweede verdieping van het kantoor geheel casco zouden worden opgeleverd. Vast staat ook dat de (aansluiting van de) verwarmingsinstallatie beperkt is tot de begane grond. Partijen zijn het er verder over eens dat er op de eerste verdieping een dekvloer, inclusief slangen, is aangelegd ten behoeve van de vloerverwarming. En partijen zijn het er over eens dat er een ontwerptemperatuur van 21 graden Celsius is afgesproken voor de kantoren bij gelijktijdige verwarming van alle vertrekken.
4.5.
Op de zitting is door [eiser] uitgebreid toegelicht hoe zij de Vabi warmteverlies-berekening heeft gemaakt. Zij verwijst daartoe naar de door haar overgelegde Vabi warmteverlies-berekening. Volgens [eiser] is er meer dan voldoende capaciteit geleverd, namelijk 36,5 Kilowatt in plaats van de benodigde 20 Kilowatt. [eiser] stelt dat als [gedaagde] alle ruimtes gelijktijdig verwarmt, de temperatuur van 21 graden Celcius met deze capaciteit wordt behaald. [gedaagde] stelt dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst wist dat de bovenverdieping niet gebruikt zou worden. [eiser] betwist dit en stelt dat [gedaagde] de verwarmingsinstallatie op de bovenverdieping ook door een andere installateur had kunnen laten installeren. De kantonrechter maakt hieruit op dat partijen zijn uitgegaan van andere uitgangspunten, wat ertoe heeft geleid dat [eiser] het werk niet tot stand heeft gebracht in overeenstemming met de verwachtingen die [gedaagde] had. De vraag die moet worden beantwoord is of dat ook een tekortkoming door [eiser] en aansprakelijkheid van [eiser] tot gevolg heeft. Die vraag beantwoordt de kantonrechter bevestigend.
4.6.
[gedaagde] voert terecht aan dat [eiser] als deskundige op bouwgebied goede voorlichting had moeten geven over de invloed van door [gedaagde] gewenste wijzigingen in de overeenkomst. [eiser] had er op moeten wijzen dat onder meer de casco oplevering zou kunnen leiden tot een andere temperatuur in de kantoorruimte. In de wet is bepaald dat de aannemer bij het aangaan of uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. [2] Hieruit vloeit onder de gegeven omstandigheden voort dat van [eiser] mocht worden verwacht dat zij [gedaagde] voldoende duidelijk had gewaarschuwd dat de temperatuur van 21 graden Celsius niet, althans niet zonder aanvullende maatregelen, behaald zou gaan worden indien de opdracht zou worden uitgevoerd op de wijze die [gedaagde] uiteindelijk wenste. Het uitblijven van deze waarschuwing heeft [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen andere keuzes te maken ter voorkoming van het probleem dat zich heeft voorgedaan.
4.7.
Door niet te voldoen aan haar waarschuwingsplicht is [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar (pre)contractuele verplichtingen tegenover [gedaagde] . Nakoming van die waarschuwingsplicht is – achteraf – blijvend onmogelijk. [eiser] is de overeenkomst zelf wel goed nagekomen. Er moet immers vanuit worden gegaan dat met de geleverde capaciteit de temperatuur van 21 graden Celsius wordt behaald als alle vertrekken gelijktijdig worden verwarmd. De tekortkoming van [eiser] zit in de waarschuwingsplicht. Dit leidt ertoe dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade van de door haar geschonden verplichting. Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] tot nakoming van de overeenkomst door het verrichten van werkzaamheden wordt afgewezen.
4.8.
Subsidiair vordert [gedaagde] een schadevergoeding van € 9.900,00. De kantonrechter wijst daarvan een bedrag toe van € 4.450,00 en licht dat als volgt toe.
4.9.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ook zelf voor een deel aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Het is namelijk de keuze van [gedaagde] als opdrachtgever geweest om, al dan niet vanwege kostenoverwegingen, niet meteen het gehele gebouw in gebruik te willen nemen. [gedaagde] stelt dat hij het gebouw op de groei heeft gekocht, dus gefaseerd wil gaan gebruiken in de toekomst. [gedaagde] heeft daarmee de verwarmingsinstallatie beperkt tot de kantoren op de begane grond. [gedaagde] had ook zelf moeten en kunnen begrijpen dat als je ervoor kiest om een groot deel van het pand niet te verwarmen, dit gevolgen kan hebben op de temperatuur in het pand. Dit geldt te meer gezien de expliciete formulering van artikel 6.5. van de overeenkomst. Daarin staat namelijk dat 21 graden Celsius wordt behaald als sprake is van een gelijktijdige verwarming van alle vertrekken. Vast staat dat [gedaagde] het gebouw niet op die manier gebruikt en dat ook vooraf wist.
4.10.
De schade van [gedaagde] is dan ook mede een gevolg van een omstandigheid die aan haar kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW Pro. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om de vergoedingsplicht van [eiser] te verminderen door de schade over [eiser] en [gedaagde] te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Naar het oordeel van de kantonrechter dient [eiser] 50% van de schade te vergoeden. Deze verdeling – 50% voor [eiser] en 50% voor [gedaagde] – doet naar het oordeel van de kantonrechter recht aan de verantwoordelijkheid van [eiser] als professioneel opdrachtnemer en die van [gedaagde] als opdrachtgever en de mate waarop zij beiden hebben bijgedragen aan de ontstane situatie en schade.
4.11.
[eiser] voert geen gemotiveerd verweer tegen de gevorderde schade en de hoogte daarvan. Het verweer van [eiser] beperkt zich namelijk tot de aansprakelijkheid. [gedaagde] onderbouwt de schade met een rapport van Revo. De kantonrechter neemt de bevindingen van Revo over en maakt dit tot de hare. Hiervoor is geoordeeld dat [eiser] 50% van de schade moet vergoeden. De kantonrechter wijst daarom een bedrag toe van € 4.450,00.
4.12.
Voor zover door [gedaagde] bedoeld is om aanpassing van de WTW-ventilatie te vorderen, is daarvoor geen plaats. Op de zitting is door partijen toegelicht dat zij aanvankelijk zijn overeengekomen om de uitblaas van het ventilatiesysteem via het dak te doen. Het is de keuze van [gedaagde] zelf geweest om de plaats van de uitblaas te veranderen. [gedaagde] heeft gekozen voor een uitblaas naar de hal/magazijn, omdat dit voor warmte zou zorgen, ondanks de onweersproken stelling van [eiser] dat [gedaagde] is gewezen op de gevolgen voor de hygiëne.
4.13.
Desgevraagd op de zitting heeft [gedaagde] de vordering tot verstrekking van de wachtwoorden van het klimaatsysteem en de certificaten ingetrokken. Door [eiser] is namelijk op de zitting toegezegd dat zij de wachtwoorden en de certificaten gaat verstrekken. Daarnaast zegt [eiser] toe dat zij de deuren en de kozijnen gaat herstellen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] deze toezeggingen nakomt. Op dit deel van de vordering behoeft daarom niet meer te worden beslist.
De onderzoekskosten van Revo worden deels toegewezen
4.14.
[gedaagde] heeft Revo ingeschakeld om de aansprakelijkheid van [eiser] en de omvang van de schade vast te stellen. Voor het rapport is door Revo € 1.936,00 in rekening gebracht. De kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, waar de onderzoekskosten onder vallen, komen separaat als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. [3] Zoals hiervoor is overwogen, zijn beide partijen voor de helft aansprakelijk. Dit geldt ook voor de onderzoekskosten. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van
€ 968,00 als schadevergoeding toe.
Conclusie
4.15.
De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van [gedaagde] op verrekening van zijn schadevordering met de door [eiser] gevorderde factuurbedragen slaagt. [gedaagde] moet na verrekening van het door [eiser] aan haar verschuldigde bedrag aan schadevergoeding nog een bedrag van € 11.093,04 (€ 16.511,04 minus € 5.418,00) aan [eiser] betalen. Dat bedrag wijst de kantonrechter in conventie toe.
4.16.
[eiser] vordert een bedrag aan wettelijke rente. Gelet op de verrekening die plaatsvindt met de schadevergoeding van [gedaagde] , wijst de kantonrechter de gevorderde wettelijke rente toe over het bedrag dat nog aan [eiser] moet worden betaald, te weten
€ 11.093,04. Dit bedrag zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 1 januari 2025, de datum van verzuim.
4.17.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Op deze vordering is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Omdat [gedaagde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW Pro is aangemaand, is zij een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom, zal de kantonrechter de vordering slechts toewijzen tot het bij een vordering van € 11.093,04 behorende wettelijke en redelijk geachte tarief van
€ 885,93.
De proceskosten in conventie
4.18.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De proceskosten in reconventie
4.19.
Omdat in conventie sprake is van verrekening volgt in reconventie geen veroordeling meer tot betaling van enig bedrag door [eiser] aan [gedaagde] . Gelet hierop ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.093,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 885,93 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af,
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:750 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:754 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro.