Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3648

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/1620
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:31 AwbArt. 3:3 APV ZaanstadArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen spoedsluiting woning wegens vermeend prostitutiegebruik

Verzoekster, eigenaresse van een woning die short-stay toeristisch wordt verhuurd, werd geconfronteerd met een spoedsluiting van haar woning door de burgemeester van Zaanstad wegens vermoedens van prostitutieactiviteiten. De burgemeester sloot de woning per direct voor drie maanden op grond van bestuursdwang zonder voorafgaand besluit, met als doel de openbare orde te herstellen.

Tijdens een controle op 5 februari 2026 constateerden toezichthouders aanwijzingen van sekswerk in de woning, waaronder condooms en glijmiddel, en sprak een vrouw die de woning tijdelijk huurde over escortwerk. De burgemeester besloot daarop tot sluiting, afwijkend van het gebruikelijke beleid dat bij dergelijke constatering een last onder dwangsom oplegt.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester onvoldoende had aangetoond dat sprake was van een zeer spoedeisend geval dat onmiddellijke bestuursdwang rechtvaardigde. Ook was onduidelijk of de toezichthouders bevoegd waren tot het verrichten van een woningdoorzoeking. Er was geen bewijs van daadwerkelijke prostitutie in de woning, geen meldingen van overlast, en de vrouw had de woning direct verlaten.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit tot spoedsluiting onvoldoende gemotiveerd en evenredig was, en schorst het besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens moet de burgemeester het griffierecht vergoeden. Deze voorlopige voorziening bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de spoedsluiting van de woning wegens onvoldoende onderbouwing van spoedeisendheid en onduidelijkheid over bevoegdheden toezichthouders.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1620
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster

en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, de burgemeester

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de toepassing van bestuursdwang zonder voorafgaand besluit met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats 2] (de woning).
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft de burgemeester aan verzoekster schriftelijk mededeling gedaan van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang op 5 februari 2026 om de woning per direct voor de duur van drie maanden te sluiten. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door haar partner en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] .
2.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De besluitvorming
3. Verzoekster is de eigenaresse van de woning. Zij verhuurt de woning voor short-stay toeristische verhuur.
3.1.
In het op ambtseed opgemaakte rapport van 5 februari 2026 is vermeld dat op 5 februari 2026 omstreeks 20:45 uur een drietal toezichthouders naar de woning zijn gegaan om een Basisregistratie personen (Brp) controle uit te voeren. Het was ambtshalve bekend dat er niemand stond ingeschreven op het adres en ook dat er signalen van prostitutie waren. Nadat de deur werd open gedaan door een vrouw heeft een toezichthouder zich gelegitimeerd. Daarbij is vermeld dat het doel van het bezoek een Brp-controle was. Er is desgevraagd toestemming gekregen om de woning binnen te treden. De vrouw heeft, gevraagd naar haar situatie, in de Engelse taal verklaard dat zij niet op het adres woonde, maar de ruimte een Bed and Breakfast (b&b) betrof en dat zij de ruimte tijdelijk huurde voor € 120,- per dag. De vrouw heeft vervolgens de contactgegevens van de verhuurster (verzoekster) gegeven. Hierna vroeg de toezichthouder waarom de vrouw deze b&b huurde waarop de vrouw verklaarde dat zij de b&b een paar weken huurde omdat zij werkte als prostituee. Daarna is het gesprek overgedragen aan de aanwezige toezichthouders Prostitutie. Uit het rapport volgt dat zij het gesprek omstreeks 21.10 uur hebben overgenomen. In het rapport staat vervolgens onder meer vermeld: “Wij controleren de vergunningen op sekswerk dat plaatsvindt in de regio, tijdens de controle van mijn collega zijn er wat opvallende constateringen in het huis gedaan wat duid op sekswerk.” De vrouw vertelt vervolgens dat zij alleen escort werk doet, haar eigen afspraken beheert en haar klanten afwerkt in de auto, die haar ophalen. Vervolgens wordt haar voorgehouden: “Wij hebben wel een vermoeden dat u hier ook klanten heeft ontvangen, wij vinden boven naast het bed ook condooms en glijmiddel”. De vrouw herhaalt dat zij alleen escortwerk doet en dat wat is aangetroffen van de klanten in de auto is. De toezichthouders sluiten het gesprek af met de mededeling: “Gezien dat u hier niet ingeschreven staat evenals wat is aangetroffen in de woning, heeft de burgemeester bepaald dat de woning gesloten wordt”. Daarop geeft de vrouw aan dat zij haar spullen pakt en een hotel zoekt. In het rapport zijn 20 foto’s genomen in de woning gevoegd.
In het rapport is verder de indeling van de woning beschreven en een toezichthouder heeft de telefoon van de vrouw “ [naam 3] ” bekeken. Hieruit bleek dat de vrouw haar eigen advertentie beheert op [naam site] en afspraken maakt met de klanten.
3.2.
In het rapport is vermeld dat de loco burgemeester heeft besloten dat de woning met spoed moest worden gesloten en dat een slotenmaker zowel het slot van de toegangsdeur voor als van de achterdeur heeft vervangen. Verder is vermeld dat sprake is van overtreding van het verbod in artikel 3:3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad (de APV). In dit artikel staat dat het verboden is om zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen.
3.3.
In het bestreden besluit is vermeld dat de burgemeester de woning heeft gesloten met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), per direct voor de duur van 3 maanden, dus tot en met 5 mei 2026. Volgens de burgemeester is er sprake van een zeer spoedeisend geval en bestond de vereiste spoed uit de noodzaak om onmiddellijk de bekendheid van de woning als prostitutiepand weg te nemen en verdere aantasting van de openbare orde en de naaste omgeving te voorkomen. Het gemotiveerde besluit is genomen op 26 februari 2026.
3.4.
De burgemeester is door de woning direct te sluiten afgeweken van zijn beleid, zoals dat is vastgelegd in de Handhavingsmatrix prostitutie en seksbranche gemeente Zaanstad – 2021 (het beleid). In dit beleid is als uitgangspunt genomen dat bij constateringen als onderhavige, in beginsel wordt overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. De burgemeester is in dit geval echter van oordeel geweest dat omdat op het adres niemand staat ingeschreven, verzoekster niet woonachtig is in de woning en zij de woning enkel gebruikt om deze te verhuren (short stay), er niet zozeer sprake is van een woning, maar de woning veeleer gelijk kan worden gesteld met een bedrijfspand. In dat geval sluit de burgemeester de woning voor een periode van drie maanden. Er kon volgens de burgemeester, omdat er geen sprake was van reguliere bewoning en vanwege het risico op voortzetting van de overtreding, niet worden volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom om het beoogde doel, te weten het herstel van de openbare orde rondom de woning en het beëindigen van de bekendheid van het pand als prostitutiewoning in de buurt, te bereiken.
Standpunten verzoekster en verzoek om voorlopige voorziening
4. Verzoekster heeft haar standpunten uiteen gezet in haar bezwaarschrift, het verzoek om een voorlopige voorziening en toegelicht ter zitting.
Standpunten burgemeester
5. De burgemeester heeft zijn standpunten uiteengezet in het bestreden besluit, het verweerschrift en toegelicht ter zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar spoedeisend belang bestaat uit aanzienlijke financiële schade, onder meer omdat bestaande en toekomstige Airbnb-reserveringen moesten worden geannuleerd, de sluiting kenbaar is gemaakt in de openbare registers, wat nadelige gevolgen heeft voor de woningwaarde en toekomstig gebruik. Voorts is sprake van reputatieschade op het Airbnb-platform, omdat de verplichte annuleringen leiden tot onder meer een verslechtering van de betrouwbaarheidsscore.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan verzoekster hiermee niet elk spoedeisend belang worden ontzegd. Los hiervan overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
6.1.
In de bezwaarfase moet worden beoordeeld of de burgemeester op het moment van het nemen van het besluit ervan uit mocht gaan dat sprake was van een zodanige situatie dat tot spoedsluiting moest worden overgegaan. Dit is het geval bij voldoende informatie voor de conclusie dat sprake is van een zodanige gevaarlijke situatie dat sprake is van een zeer spoedeisend geval dat onmiddellijk optreden is vereist, zelfs nog voordat een schriftelijke beslissing tot toepassing van bestuursdwang is genomen.
6.2.
Volgens de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Het besluit is gebaseerd op de constatering van de toezichthouders dat er sprake zou zijn geweest van prostitutiewerkzaamheden in de woning. Nog daargelaten de vraag of er een redelijke grond was voor een huisbezoek in het kader van een controle van de Brp (en of daarmee is voldaan aan artikel 8, eerste lid, van het EVRM), is het de vraag of de toezichthouders Prostitutie bevoegd waren tot het verrichten van een zoeking in de woning. Uit het rapport blijkt dat zij in de prullenbak en ook op de bovenverdieping hebben rondgekeken, terwijl niet blijkt van enige toestemming daartoe. Het valt daarom op voorhand niet uit te sluiten dat hetgeen door de toezichthouders is geconstateerd niet kan dienen tot bewijsmateriaal.
6.3.
In het bestreden besluit is vermeld dat de spoedeisendheid in dit geval bestond uit de noodzaak om onmiddellijk de bekendheid van de woning als prostitutiepand weg te nemen en verdere aantasting van de openbare orde en de naaste omgeving te voorkomen.
6.4.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft aangetoond dat de situatie zo spoedeisend was dat op grond van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb bestuursdwang zonder voorafgaand besluit kan worden toegepast. Daarbij acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Niet, althans onvoldoende is onderbouwd dat in de woning sprake is geweest van prostitutiewerkzaamheden. De vrouw in de woning heeft verklaard dat ze niemand in de woning heeft ontvangen en dat haar klanten haar ophaalden met de auto. Er is niet gebleken van enige loop naar de woning in verband met prostitutie. Er is niet gebleken van advertenties waarin seksuele diensten werden aangeboden op het adres van de woning. Evenmin is gebleken van enige melding van overlast betreffende de woning. Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat er, ondanks het verzoek aan haar buurvrouw om eventuele onregelmatigheden direct te melden, geen meldingen van overlast zijn gedaan. Voorts volgt uit het rapport dat de vrouw de woning onmiddellijk heeft verlaten om naar een hotel te gaan en de slotenmaker nieuwe sloten heeft aangebracht. Van enige terugkeer door de vrouw in de woning is niets gebleken.
Onder deze omstandigheden is onvoldoende toegelicht waarom het nodig was om over te gaan tot een spoedsluiting en wel voor de periode van drie maanden. Daarbij is onduidelijk gebleven waarom, desnoods, er niet voor is gekozen om de woning één dag te sluiten, en direct contact op te nemen met verzoekster. Zij is nu pas op 24 februari 2026 gehoord.
6.5.
De voorzieningenrechter betrekt hier nog dat, gelet op voornoemde omstandigheden, niet voldoende duidelijk is waarom van het beleid moest worden afgeweken in deze situatie. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting van de woning voor drie maanden evenredig is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de belangen van verzoekster hierbij niet voldoende betrokken.
6.6.
Op basis van het voorgaande schorst de voorzieningenrechter het bestreden besluit. Dat betekent dat de woning van verzoekster tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar open mag blijven.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 26 februari 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 26 februari 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026 door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.