Op 16 januari 2026 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een verzoek tot wraking van mr. H. de Jong, de rechter in een lopende bewindzaak. Verzoeker, wonende te Alkmaar, had op 14 januari 2026 schriftelijk verzocht om wraking, omdat hij vreesde voor mogelijke vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer heeft echter geoordeeld dat de door verzoeker aangedragen gronden niet voldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die duiden op een mogelijke vooringenomenheid van de rechter. Bovendien is het aan verzoeker zelf om juridische bijstand te regelen, en de rechter heeft hierin geen bemoeienis gehad. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking dan ook afgewezen en bepaald dat het proces in de hoofdzaak voortgezet kan worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.