ECLI:NL:RBNHO:2026:3683

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
15/130199-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 46b SrArt. 6:106 BWArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing en poging daartoe in Alkmaar met jeugddetentie en werkstraf

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing bij een woning in Alkmaar en een poging daartoe bij een andere woning. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met anderen vuurwerk-brandstof-combinaties gebruikte om ontploffingen te veroorzaken, waarbij gevaar voor goederen en personen bestond. De poging tot ontploffing werd als een begin van uitvoering beoordeeld, waardoor vrijwillige terugtred niet werd aangenomen.

Verdachte werd vrijgesproken van bedreiging met brandstichting, omdat dit feit niet wettig en overtuigend was bewezen. De feiten maakten deel uit van een reeks ontploffingen in Alkmaar met grote impact op bewoners en omwonenden. De rechtbank rekende de feiten in verminderde mate aan verdachte toe vanwege zijn persoonlijke problematiek, waaronder zwakbegaafdheid en autisme.

De straf bestaat uit 38 dagen jeugddetentie en een werkstraf van 150 uren, waarvan 75 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals begeleiding en positieve dagbesteding. De rechtbank wees schadevergoedingen toe aan twee benadeelde partijen wegens immateriële schade, terwijl een derde partij niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De in beslag genomen telefoon van verdachte werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 38 dagen jeugddetentie en een deels voorwaardelijke werkstraf van 150 uren voor medeplegen van ontploffing en poging daartoe, vrijgesproken van bedreiging met brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/130199-24
Uitspraakdatum: 7 april 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 24 maart 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
- de verdachte en zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Alkmaar;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna te noemen: de jeugdreclassering)
naar voren hebben gebracht.
Verder was aanwezig de moeder van de verdachte, [de moeder van de verdachte] .

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na de op de zitting van 24 maart 2026 toegestane wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafrecht, ten laste gelegd dat:
Feit 1:
primair
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- met een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een explosief (een cobra en/of een rookbom) naar de woning aan de [straat] ( [nummer] ) is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie voor de deur/in de nabijheid van voornoemd pand heeft neergezet en/of (vervolgens)
- een tegel tegen voornoemde woning heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,
te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting in/bij het pand gelegen aan de [straat] [nummer] en/of het pand, gelegen aan de [straat] [nummer]
waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (artikel 157 Sr Pro),
opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6 en/of een rookbom) en/of
(een fles met) snel ontbrandende vloeistof waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht en/of waarmee brand kan worden gesticht en/of
een voertuig, bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2]
heeft bedreigd met brandstichting,
door een tegel tegen de gevel van de woning van die [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] te gooien en
een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie voor de woning van die [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] te zetten;
Feit 3:
primair
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een rookbom en/of cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)
te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,
te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting in/bij het pand gelegen aan de [straat] [nummer]
waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (artikel 157 Sr Pro),
opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6 en/of een rookbom) en/of
(een fles met) snel ontbrandende vloeistof waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht en/of waarmee brand kan worden gesticht en/of
een voertuig, bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder feit 3 primair ten laste gelegde onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)’.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is (primair) vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het gedachtestreepje dat ziet op het gevaar voor personen. Van dat onderdeel moet de verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 3 primair
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat, tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3.1.1. Inleiding
In de vroege nacht van 1 februari 2024 vonden kort na elkaar twee incidenten plaats in Alkmaar. Het eerste incident vond plaats bij de woning aan de [straat] [nummer] . Even na middernacht ontving de politie de melding dat de bewoners van de woning met nummer [nummer] een harde knal hadden gehoord. Op beelden van de bewakingscamera van de woning was te zien dat kort voor de melding een persoon in de voortuin van de woning stond met in de handen een tegel en een flesje. De persoon zette het flesje in de voortuin neer, haalde een voorwerp uit zijn broekzak en bukte voorover richting het flesje. Daarna gooide de persoon de tegel richting de ruit en raakte de tegel het kozijn. Nadat de persoon heen en weer liep in de tuin, liep de persoon naar het flesje, pakte dit op en rende daarmee weg. In de grond waar het flesje had gestaan en was omgevallen voordat de persoon die oppakte en ermee wegrende, werden later stoffen van een vluchtige ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie, gevonden.
Ongeveer tien minuten na de melding van het incident in de [straat] ontving de politie een tweede melding van een harde knal. Dit keer kwam de melding van een bewoner aan de [straat] [nummer] . Ter plaatse zagen verbalisanten op de grond voor de woning aan de [straat] [nummer] onder andere glasscherven en restanten van een zwarte ballon. Op de stoep en een parkeerplaats voor de woningen met de nummers [nummer] en [nummer] vonden politieagenten restanten van een ontplofte Cobra 6, een spoor van vloeistof naar een kapotte fles met (wat later bleek) lampolie en een niet-ontplofte Cobra 6. Verderop in de straat vond de politie verder nog restanten van een fles met (wat later bleek) eveneens een ontbrandbare vloeistof, zoals lampolie. Op beelden van de cameradeurbel van de woning aan de [straat] [nummer] was te zien dat een persoon kort voor de melding iets bij de voordeur neerzette en diverse pogingen deed om dit aan te steken, terwijl de persoon met de andere hand een mobiele telefoon vasthield. Nadat het aansteken van het voorwerp was gelukt, kwam rook omhoog langs de camera en rende de persoon weg. Direct na de harde knal die volgde, zag een buurtbewoner een jongen wegrennen vanaf de [straat] en als passagier instappen in een auto, waarna deze auto direct met gedempte lichten was weggereden.
De politie heeft direct onderzoek gedaan naar de weggereden auto. Het bleek dat de medeverdachte [de medeverdachte] ten tijde van de feiten de bestuurder van deze auto was. De persoon die te zien was op de camerabeelden van zowel de woning aan de [straat] [nummer] als de woning aan de [straat] [nummer] bleek later de verdachte te zijn geweest, zoals hij zelf ook op de zitting heeft verklaard.
3.3.1.2. Begin van uitvoering van feit 1 primair
De eerste vraag die de rechtbank bij de beoordeling van de beschuldiging moet beantwoorden, is of bewezen kan worden verklaard dat in het geval van de woning aan de [straat] [nummer] sprake is geweest van een strafbare poging tot het veroorzaken van een ontploffing.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf als het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering in het geval de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Omdat dit criterium algemeen is geformuleerd, komt het bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering uiteindelijk aan op de beoordeling van de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het de bedoeling was om een vuurwerk-brandstof-combinatie in de woning aan de [straat] tot ontploffing te brengen. Daartoe is de verdachte met de vuurwerk-brandstof-combinatie en een aansteker in zijn zak naar de woning gelopen en heeft hij geprobeerd om met een tegel de ruit van de woning in te gooien. Toen het niet lukte om de ruit in te gooien, is de verdachte weggelopen en samen met de medeverdachte gereden richting de woning aan de [straat] [nummer] . Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van de verdachte lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf – volgens het vooraf met de medeverdachte(n) overeengekomen plan – hebben voltooid als het was gelukt de ruit in te gooien om vervolgens de vuurwerk-brandstof-combinatie aan te steken en de woonkamer in te gooien. Dat de verdachte met opzet de tegel niet tegen de ruit maar tegen het kozijn zou hebben gegooid, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
3.3.1.3. Gevaarzetting bij feit 1 primair en feit 3 primair
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is van welk gevaar sprake zou zijn geweest als in de woning aan de [straat] [nummer] een ontploffing had plaatsgevonden en welk gevaar als gevolg van de ontploffing bij de [straat] [nummer] is ontstaan.
Feit 1 primair: [straat] [nummer]
De rechtbank is van oordeel dat bij voltooiing van het voorgenomen handelen, zoals hiervoor onder 3.3.1.2. omschreven, naast gemeen gevaar voor goederen ook gevaar voor personen in de vorm van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning aan de [straat] te duchten was. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de inhoud van de vakbijlage van het NFI volgt dat bij het ontsteken van een vuurwerk-brandstof-combinatie onder andere het risico ontstaat op een drukgolf, scherfwerking en gevaar dat samenhangt met de brandstof (waaronder het ontstaan van brand). De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de bevindingen van het forensisch onderzoek bij en in de woning aan de [straat] en de omstandigheid dat de bewoners ten tijde van het feit in de woning aanwezig waren en lagen te slapen. Onder deze omstandigheden was naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de [straat] voorzienbaar.
Feit 3 primair: [straat] [nummer]
Uit forensisch onderzoek dat bij de woning aan de [straat] is verricht, blijkt dat als gevolg van de ontploffing bij de voordeur van die woning materiële schade is ontstaan en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Uit dat onderzoek is niet gebleken van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan de verdachte. Omdat het strafdossier geen aanwijzingen bevat voor potentieel (levens)gevaar voor andere personen, zal de verdachte voor feit 3 primair van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
3.3.2.
Vrijspraak van feit 2
De verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich samen met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting van de bewoners van de woning aan de [straat] [nummer] . De rechtbank is, zoals ook de verdediging heeft betoogd, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt dat uit het strafdossier blijkt dat het de bedoeling van de verdachte was om een ontploffing te veroorzaken. Het opzet van de verdachte was er blijkens de stukken niet op gericht om de bewoners van de woning te bedreigen met brandstichting. Uit het strafdossier blijkt ook verder niet dat de verdachte wetenschap had van opzet van zijn medeverdachten hierop. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en onder feit 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
feit 1 primair:
hij op 1 februari 2024 te Alkmaar,
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en brand te stichten,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemd pand te duchten was
met dat opzet
- met een ander met een auto naar Alkmaar is gereden en
- met een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een fles met ontbrandende vloeistof en een explosief (een Cobra) naar de woning aan de [straat] [nummer] is gelopen en vervolgens
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie in de nabijheid van voornoemd pand heeft neergezet en vervolgens
- een tegel tegen voornoemde woning heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3 primair:
hij op 1 februari 2024 te Alkmaar,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk
een ontploffing teweeg heeft gebracht
bij een pand, woning, gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar
door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie,
te weten een explosief (Cobra 6) en
een flesje met ontbrandende vloeistof
tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [straat] [nummer] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – voor zover hier van belang – bepleit dat de verdachte voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is van vrijwillige terugtred. De verdachte is met een tegel en een fles met daaraan een Cobra naar de woning gegaan. Daar zou hij – volgens zijn opdracht – de ruit van de woning met de tegel moeten ingooien en de aangestoken Cobra met fles in de woning moeten gooien. De verdachte heeft zich echter tijdig bedacht. Hij heeft bewust de tegel tegen de muur/het kozijn gegooid in plaats van tegen de ruit, de Cobra 6 niet aangestoken en eenmaal bij de auto aan de medeverdachte aangegeven dat het (de rechtbank begrijpt: het voltooien van de opdracht) niet lukte. De verdachte heeft met zijn handelen innerlijk afstand genomen van het voorgenomen plan en geprobeerd zich feitelijk te onttrekken aan de uitvoering daarvan. De verdachte heeft daarmee het risico op voltooiing van het misdrijf actief weggenomen. Daarbij is de verdachte niet beïnvloed door van buitenaf komende aspecten.
4.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op vrijwillige terugtred niet kan slagen, omdat de verklaring van de verdachte op dit onderdeel niet geloofwaardig is.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht sprake is, als de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om te kunnen concluderen dat het misdrijf niet is voltooid vanwege omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de verdachte zich uit eigen wil heeft ingespannen om actief handelend de gevolgen van de voltooide poging te beletten en er blijk van heeft gegeven dat het vermoeden van kwade bedoelingen niet langer aan de orde is.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder 3.3.1.2. overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte waren gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf (kortgezegd: het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en brandstichten). De verklaring van de verdachte dat het bij de [straat] slechts bij een poging is gebleven omdat hij ‘het’ niet wilde, en bewust de tegel niet tegen de ruit gooide, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat de tegel niet midden op de muur terecht is gekomen, maar op het kozijn, dicht bij het raam van de woning. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte net naast heeft gegooid, terwijl het zijn bedoeling was om de tegel tegen de ruit te gooien. Dat de verdachte zijn handelen bij de [straat] om deze reden heeft gestaakt, past ook bij de verklaring van de verdachte op de zitting dat hij bij de woning is vertrokken uit angst voor de (mogelijk) wakker geschrokken bewoners. Ook betrekt de rechtbank bij dit oordeel dat het even later bij de woning aan de [straat] [nummer] wél tot een voltooide ontploffing is gekomen.
Kortom: dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid, is niet het gevolg van een spontaan besluit door de verdachte, maar van een externe omstandigheid, namelijk het niet raken/ verbreken van de ruit en het daardoor mogelijk voortijdig wekken van de bewoners. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred is dan ook niet voldaan. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
4.4.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar en levert op:
feit 1 primair: medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
feit 3 primair:medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor alle (primair) ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 38 (achtendertig) dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, subsidiair 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie, waarvan 75 (vijfenzeventig) uren voorwaardelijk, subsidiair 37 (zevenendertig) dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De officier van justitie heeft tot slot de verbeurdverklaring van de bij de verdachte in beslag genomen telefoon gevorderd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – verzocht rekening te houden met het advies van de Raad en aan de verdachte een voorwaardelijke werkstraf op te leggen, al dan niet gecombineerd met een onvoorwaardelijke werkstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, met aftrek. De verdediging heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen telefoon aan de verdachte.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de beslissing over de op te leggen sancties rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
6.3.1.
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning en een poging daartoe. De verdachte is op de late avond van 31 januari 2024 door medeverdachte [de medeverdachte] opgehaald in Hoorn en met hem naar Alkmaar gereden, met de bedoeling om ’s nachts vuurwerk-brandstof-combinaties tot ontploffing te brengen bij woningen aan de [straat] en de [straat] . Dat is bij de [straat] gelukt en heeft schade veroorzaakt. Dat het bij de [straat] slechts bij een poging is gebleven, is niet aan de verdachte te danken.
Deze feiten zijn begaan in een periode waarin bij meerdere woningen in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden of pogingen daartoe werden ondernomen. Deze incidenten hebben een enorme impact gehad op de directe betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen op de inwoners van de stad Alkmaar. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten is gebleken dat veel inwoners erg bang waren. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. Eén van die woningen betrof de woning aan de [straat] [nummer] , welke woning bij feit 1 het eigenlijke doelwit was. Deze woning is als gevolg van de incidenten op last van de burgemeester gesloten. De feiten hebben impact gehad op de bewoner(s) van de getroffen woningen en de omwonenden van die woningen, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring van de bewoners van de woning aan de [straat] [nummer] en de [straat] [nummer] . De verdachte heeft met zijn gedrag hieraan een bijdrage geleverd. Daarbij heeft hij zich laten leiden door geldelijk gewin en zich geen rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op:
  • het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;
  • het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 20 maart 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad;
  • het pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 16 juli 2024 van [drs] en [drs] .
Uit het rapport van de Raad komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van persoonlijke problematiek. Als gevolg hiervan is de verdachte beïnvloedbaar en worden zijn adaptieve vaardigheden beperkt. Dit uit zich onder meer in de moeilijkheden die de verdachte ervaart bij het overzien van situaties en het maken van de juiste keuzes. Daarbij komt dat de verdachte in zijn leven een aantal ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en meermalen is blootgesteld aan onveiligheid. Ook nu wordt de verdachte in de thuissituatie blootgesteld aan spanningen en onveiligheid, onder meer als gevolg van de bij hem aanwezige emotie- en agressieregulatieproblematiek. Hoewel de Raad ziet dat de moeder haar best doet om alles in goede banen te leiden, is de situatie duurzaam onhoudbaar. De Raad maakt zich niet alleen zorgen over de emotie- en agressieregulatie van de verdachte, maar ook over zijn ontwikkeling vanwege het gebrek aan onderwijs en een positieve dag- en vrijetijdsbesteding de afgelopen periode. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte met behulp van de psychomotorische therapie (hierna te noemen: PMT) gewerkt aan het bevorderen van zijn emotieregulatie. Vanuit dit traject kan de jeugdreclassering onderzoeken of de verdachte meer nodig heeft, bijvoorbeeld een training om zijn vaardigheden te vergroten of behandeling. De Raad ziet dat de verdachte baat heeft bij het gedwongen kader, de schorsingsvoorwaarden en de begeleiding van de jeugdreclassering. De Raad vindt het voor de verdachte belangrijk dat de inzet van de jeugdreclassering wordt gecontinueerd, zodat de verdachte voldoende wordt gestimuleerd in zijn ontwikkeling binnen de verschillende domeinen. Vanuit pedagogisch oogpunt is het niet in het belang van de verdachte en zijn verdere ontwikkeling om jeugddetentie op te leggen, ook niet in voorwaardelijke vorm. De Raad adviseert daarom tot oplegging van een voorwaardelijke werkstraf, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de hulpverlening/behandeling van ZIJN, meewerkt aan begeleid of beschermd wonen en een positieve daginvulling heeft. Bij dit advies heeft de Raad betrokken dat het in het belang van de verdachte is dat wordt geïnvesteerd in het opbouwen van zijn dagbesteding en het vergroten van zijn vaardigheden. Dit zal ertoe leiden dat de kans op recidive wordt verkleind.
Op de zitting heeft de Raad zijn advies gehandhaafd. Desgevraagd is hieraan toegevoegd dat er geen zicht is op de belastbaarheid van de verdachte. De komende periode moet worden gekeken wat nodig is om zijn daginvulling vorm te geven en in een goed stramien te krijgen, moeten de mogelijkheden voor begeleid of beschermd wonen worden onderzocht en moet de PMT worden gecontinueerd. Door het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf dreigt het risico dat de verdachte overbelast raakt en geconfronteerd wordt met een nieuwe faalervaring. Wat voor de verdachte en zijn problematiek passend is, moet de praktijk uitwijzen.
De opstellers van het pro Justitia onderzoeksrapport hebben vastgesteld dat de verdachte lijdt aan zwakbegaafdheid en een autismespectrumstoornis, waardoor zijn denken en handelen tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten werden beïnvloed en zijn keuzevrijheid werd beperkt. Hieruit volgt dat de ten laste gelegde feiten de verdachte in verminderde mate moeten worden toegerekend.
De rechtbank kan zich met deze conclusie van het pro Justitia rapport verenigen en maakt die tot de hare. Om die reden zal de rechtbank de feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting achter het advies van de Raad geschaard. Verder heeft de jeugdreclassering naar voren gebracht dat de verdachte lange tijd thuis heeft gezeten. Er zijn stappen gemaakt om tot een invulling van zijn dagen te komen, bijvoorbeeld door de inzet van Scalabor vanuit de gemeente. Daarnaast heeft recent het eerste gesprek met het wijkteam over een passende (begeleide of beschermde) woonvorm plaatsgevonden. Het is positief dat zowel de verdachte als zijn moeder hiermee instemt.
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij zich in de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft gehouden aan strikte voorwaarden, zoals het huisarrest. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat de redelijke termijn in deze strafzaak met (nagenoeg) acht maanden is overschreden.
6.4.
Op te leggen sancties
Bij ernstige strafbare feiten als het veroorzaken van een ontploffing en een poging daartoe geldt in zijn algemeenheid dat een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. De rechtbank ziet in het bijzonder in de persoon van de verdachte, zoals blijkt uit het pro Justitia rapport en het rapport van de Raad, aanleiding om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. Vanuit het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht en in het belang van de ontwikkeling van de verdachte, vindt de rechtbank het noodzakelijk dat de verdachte begeleiding en toezicht krijgt binnen een strak kader, zodat hij leert om zijn gedrag op positieve wijze vorm te geven.
De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf bij een bewezenverklaring zoals deze, ondanks de vrijspraak van feit 2, passend en geboden is. Anders dan de door de raadsman verzochte voorwaardelijke werkstraf, doet deze straf recht aan de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal de verdachte daarom jeugddetentie van 38 (achtendertig) dagen opleggen. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een werkstraf van 150 (honderdvijftig) uren opleggen. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen werkstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van 2 (twee jaren) verbinden. Ook acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering, hulpverlening/behandeling door ZIJN of een soortgelijke instantie, meewerken aan (het vinden van een plek voor) begeleid of beschermd wonen en een positieve daginvulling noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen werkstraf worden verbonden. De voorwaardelijke straf dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 38 (achtendertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
6.5.
Verbeurdverklaring
De rechtbank stelt vast dat onder de verdachte een voorwerp, namelijk een grijze iPhone ( [omschrijving] ), in beslag is genomen. Deze telefoon behoort toe aan de verdachte. De rechtbank stelt verder vast dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van de in beslag genomen telefoon zijn begaan of voorbereid. De rechtbank zal daarom de telefoon verbeurd verklaren.
6.6.
Contact- en locatieverbod
De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, zoals in oktober 2024 is verzocht door de benadeelde partijen. Alhoewel de rechtbank begrijpelijk vindt dat de benadeelde partijen dit verzoek hebben gedaan, zijn de betreffende feiten al ruim twee jaar geleden gepleegd. De rechtbank heeft geen signalen ontvangen dat de verdachte in die periode contact heeft gezocht met de benadeelde partijen en/of in de buurt van hun woningen is geweest.
6.7.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
De bewoner van de woning aan de [straat] [nummer] , [de benadeelde partij 3] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- tegen de verdachte ingediend, wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit 3 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.
7.1.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel, hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij in de vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen, wegens een gebrek aan onderbouwing en een direct causaal verband tussen het delict en de aantoonbare aantasting van de persoon. Subsidiair is verzocht het gevorderde bedrag significant te matigen.
7.1.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële
schadevergoeding in zijn geval van toepassing is. De rechtbank overweegt hierbij dat bewezen is verklaard, het medeplegen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen. De omstandigheden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde is geschrokken, gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren en herinnerd werd aan zijn verleden in Bosnië en de verdachten met hun handelen de gezondheid en veiligheid van de benadeelde partij in gevaar zouden hebben gebracht – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen voor de benadeelde partij zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat hoewel de ontploffing direct aan de woning van de benadeelde partij heeft plaatsgevonden, hij hier pas de volgende ochtend van op de hoogte is geraakt.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. Desgewenst kan de benadeelde partij de vordering bij burgerlijke rechter aanbrengen.
7.2.
Vorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]
De bewoners van de woning aan de [straat] [nummer] , [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] , hebben beiden een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- tegen de verdachte ingediend, wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten 1 en 2 zouden hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.
7.2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen geheel, hoofdelijk kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen in hun respectievelijke vordering tot vergoeding van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vorderingen af te wijzen, wegens een gebrek aan onderbouwing en een direct causaal verband tussen het delict en de aantoonbare aantasting van de persoon. Subsidiair is verzocht de gevorderde bedragen significant te matigen.
7.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partijen gestelde immateriële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde onder feit 1 primair. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op het bewezen verklaarde gemeen gevaar voor personen, de onderbouwing van de vorderingen en het verhandelde op de zitting. De rechtbank overweegt dat het handelen door de verdachte en zijn medeverdachten een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke integriteit van de benadeelde partijen. De aard en de ernst van die normschending en de gevolgen voor de benadeelde partijen daarvan, zoals onderbouwd in de toelichtingen op de vorderingen en de schriftelijke slachtofferverklaring van [de benadeelde partij 2] , zijn zodanig geweest dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een ‘aantasting in persoon op andere wijze’. De vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade zullen dan ook volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld nihil.
De rechtbank ziet als gevolg van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte (kort gezegd: het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing en het stichten van brand met gemeen gevaar voor personen en goederen) aanleiding om voor de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
38 (achtendertig) dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
75 (vijfenzeventig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van deze werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
  • zich zal melden bij de jeugdreclassering van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan de hulpverlening/behandeling van ZIJN of een soortgelijke instelling, als en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • zal meewerken aan begeleid dan wel beschermd wonen, als en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
  • een positieve dag- en vrijetijdsbesteding zal hebben in overleg met de jeugdreclassering.
Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
  • medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Verklaart verbeurd:
1. STK GSM (Omschrijving: [omschrijving] , Grijs, merk: Apple).
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door
[de benadeelde partij 1]geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door
[de benadeelde partij 2]geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij
[de benadeelde partij 3]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. B.M.A. Bataille en mr. A. Ghonedale, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
Mr. Ghonedale is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.