ECLI:NL:RBNHO:2026:3684

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
15/141024-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen ontploffing en brandstichting in Alkmaar met voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf

De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een ontploffing en brandstichting bij een woning in Alkmaar. Dit incident maakte deel uit van een reeks ontploffingen in de stad, met grote impact op bewoners en omwonenden.

De rechtbank heeft het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het onderdeel levensgevaar voor personen, bewezen verklaard. De verdachte heeft zich uit eigen beweging bij de politie gemeld en openheid van zaken gegeven, wat positief is meegewogen bij de strafoplegging. De verdachte is een first offender en toont een positieve ontwikkeling met dagbesteding en begeleiding.

De officier van justitie eiste 90 dagen jeugddetentie (waarvan 87 voorwaardelijk), een werkstraf van 120 uren en een geldboete. De rechtbank legde een lagere straf op: 30 dagen voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uren met een proeftijd van 1 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding en toezicht door jeugdreclassering en de Zware Jongens.

De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn met acht maanden was overschreden en dat de verdachte zich verantwoordelijk heeft getoond. De voorlopige hechtenis van drie dagen wordt in mindering gebracht op de werkstraf. De rechtbank wees een geldboete af en bepaalde dat de werkstraf binnen 18 maanden na onherroepelijkheid voltooid moet zijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 dagen voorwaardelijke jeugddetentie en 120 uren onvoorwaardelijke werkstraf wegens medeplegen van ontploffing en brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/141024-24
Uitspraakdatum: 7 april 2026
Tegenspraak
Vonnis(P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 24 maart 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] .
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:
  • de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard;
  • [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad);
  • [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering);
  • [de coach] , coach bij de Zware Jongens (hierna te noemen: de coach);
  • [de pleegmoeder 1] en [de pleegmoeder 2] , pleegmoeders van de verdachte
naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Alkmaar
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht
door bij een pand (woning), gelegen aan de [straat] nummers [nummers] te Alkmaar
een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [straat] [nummers] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)
te duchten was.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)’. Van voornoemd onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte worden vrijgesproken.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is het met de officier van justitie eens dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde gemeen gevaar voor personen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het ten laste gelegde gemeen gevaar voor personen niet bewezen kan worden. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 29 januari 2024 te Alkmaar
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht
door bij een pand, gelegen aan de [straat] nummers [nummers] te Alkmaar
een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een Cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [straat] nummers [nummers] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen
te duchten was.
De taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. Volgens wat op de zitting is besproken, is de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen, waarvan 87 (zevenentachtig) dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 1 (één) jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren en een geldboete van € 350,-.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich, met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde jeugddetentie en de werkstraf en de duur daarvan, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft voorwaardelijke oplegging van de geëiste geldboete bepleit.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de beslissing over de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen een ander schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en het stichten van brand door bij het pand aan de [straat] nummers [nummers] in Alkmaar een vuurwerk-brandstof-combinatie tot ontploffing te brengen. Dit incident stond niet op zichzelf, maar is onderdeel van een reeks aan ontploffingen of pogingen daartoe bij meerdere woningen in Alkmaar. Deze incidenten hebben een enorme impact gehad op de directe betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen op de stad Alkmaar en haar inwoners. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten is gebleken dat veel inwoners bang waren. De verdachte heeft hieraan een bijdrage geleverd slechts voor zijn eigen geldelijke gewin.
6.3.2.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit betekent dat de verdachte is aan te merken als een first offender.
Ook houdt de rechtbank rekening met het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 23 februari 2026 van [raadsonderzoeker 1] en [raadsonderzoeker 2] , als raadsonderzoekers verbonden aan de Raad. Uit het raadsrapport komt naar voren dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien. Hij heeft een structurele dagbesteding, bestaande uit vier dagen werk en één dag school per week, en hij heeft de afgelopen periode met de hulp van de coach van de Zware Jongens gewerkt aan het versterken van zijn vaardigheden en zelfstandigheid. Toch heeft de Raad zorgen over de ontwikkeling van de verdachte, omdat hij ondersteuning nodig blijft hebben om zijn positieve ontwikkelingen en de fundering op deze leefgebieden te verstevigen. De Raad adviseert daarom tot oplegging van voorwaardelijke jeugddetentie, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding door de Zware Jongens met toezicht van de jeugdreclassering, en van een onvoorwaardelijke werkstraf.
De Raad heeft het advies op de zitting gehandhaafd. Desgevraagd heeft de Raad – in reactie op wat de jeugdreclassering over haar eigen betrokkenheid naar voren heeft gebracht – aangegeven dat de Raad geen noodzaak ziet in het continueren van het jeugdreclasseringstoezicht. Daartoe is onder meer gesteld dat de verdachte de afgelopen twee jaren intrinsiek gemotiveerd is geweest voor de begeleiding door de jeugdreclassering en de coach van de Zware Jongens.
De jeugdreclassering heeft naar voren gebracht geen meerwaarde te zien in het continueren van haar eigen betrokkenheid. De verdachte heeft vanaf het begin spijt getoond en laten zien te willen veranderen. Hij heeft zich de afgelopen periode positief ontwikkeld. De jeugdreclassering schaart zich achter het gewijzigde advies van de Raad.
Ook de coach van de Zware Jongens kan zich vinden in het gewijzigde advies van de Raad. De coach heeft er vertrouwen in dat de verdachte zich zal blijven inzetten voor de begeleiding/hulpverlening, ook als de jeugdreclassering niet langer betrokken is.
Verder heeft de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte het volgende meegewogen. De verdachte heeft zich uit eigen beweging bij de politie gemeld en daar uitgebreid verklaard over het strafbare feit waar hij bij betrokken is geweest. Hij heeft openheid van zaken gegeven en daarmee inzicht gegeven in zijn handelen, als onderdeel van een reeks incidenten in Alkmaar. Ook op de zitting heeft de verdachte openheid van zaken gegeven, niet alleen over het strafbare feit, maar ook over zijn persoonlijke ontwikkelingspunten. Hij heeft spijt betuigd, zijn verantwoordelijkheid genomen en zich bereid getoond om zich gedurende de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis te houden aan strikte voorwaarden. De verdachte lijkt doordrongen van de laakbaarheid van zijn handelen. De rechtbank heeft daarnaast in het voordeel van de verdachte ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden.
6.3.3.
Op te leggen straf
Bij ernstige strafbare feiten als het veroorzaken van een ontploffing geldt in zijn algemeenheid dat onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn, de omstandigheid dat de verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld, openheid van zaken heeft gegeven en ook anderszins in de persoon van de verdachte, aanleiding om in dit geval van het uitgangspunt af te wijken. De rechtbank heeft bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf als vertrekpunt aansluiting gezocht bij de strafeis van de officier van justitie. Daarbij heeft de rechtbank de voornoemde feiten en omstandigheden in aanzienlijk strafverminderende mate meegewogen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte voorwaardelijke jeugddetentie van 30 (dertig) dagen en een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 (honderdtwintig) uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal aan de op te leggen jeugddetentie een proeftijd verbinden van 1 (één) jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en zal meewerken aan de begeleiding door de Zware Jongens. Anders dan de Raad, de jeugdreclassering en de coach ziet de rechtbank, in het belang van het continueren van de begeleiding door de Zware Jongens en een (eventuele) warme overdracht naar het vrijwillige kader, aanleiding om de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Heerhugowaard te belasten met de regiefunctie en opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Een geldboete vindt de rechtbank in dit geval niet passend.
De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 3 (drie) dagen, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht.
Tot slot zal de rechtbank bepalen dat de werkstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
6.4.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte opheffen.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
30 (dertig) dagen, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 1 (één) jaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, in die zin dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht 2 (twee) uren taakstraf, subsidiair 1 (één) dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Bepaalt dat deze taakstraf binnen een termijn van 18 (achttien) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
  • zich zal melden bij de jeugdreclassering van De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd aan [adres] , op door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, indien en zolang die instelling dat noodzakelijk acht om hun regiefunctie uit te voeren;
  • zal meewerken aan de begeleiding door de Zware Jongens.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;
  • medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Heft op het geschorste bevel tot bewaring van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.M.A. Bataille, voorzitter,
mr. J. van Beek en mr. A. Ghonedale, allen kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.N. Inge,
en uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
Mr. Ghonedale is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.